A.J.P. Taylor: Brits historicus

De Britse historicus A.J.P. Taylor is afkerig van modieuze geschiedkundige ontwikkelingen: een rasechte non-conformist.

A.J.P. Taylor. Bron: Wikipedia

Zijn werk als professioneel historicus begon nadat hij op aanraden van een docent naar Wenen was vertrokken. Hier ging hij bij de historicus A. F. Pribram, een vriend en tijdgenoot van Freud, in de leer. Taylor wist een Rockefeller-onderzoeksbeurs te bemachtigen en begon zich in de Oostenrijkse staatsarchieven te verdiepen, op zoek naar een geschikt onderwerp. Wat hij tussen die archieven moest zoeken, wist Taylor zelf ook niet helemaal. De techniek van het historisch onderzoek en de methodologische motivatie hiervoor, waren hem op Oxford nooit echt bijgebracht.

A.J.P. Taylor

Zijn werk als professioneel historicus begon nadat hij op aanraden van een docent naar Wenen was vertrokken. Hier ging hij bij de historicus A. F. Pribram, een vriend en tijdgenoot van Freud, in de leer. Taylor wist een Rockefeller-onderzoeksbeurs te bemachtigen en begon zich in de Oostenrijkse staatsarchieven te verdiepen, op zoek naar een geschikt onderwerp. Wat hij tussen die archieven moest zoeken, wist Taylor zelf ook niet helemaal. De techniek van het historisch onderzoek en de methodologische motivatie hiervoor, waren hem op Oxford nooit echt bijgebracht.

In 1934 bezocht een jonge universitaire geschiedenisdocent uit Manchester de Northern BBC radio. Hij was daar op uitnodiging naar toe gekomen om aan een programma mee te werken waarin hij een fictief probleem moest oplossen. Een expert zou vervolgens vertellen wat de beste oplossing voor de situatie zou zijn. De jonge historicus werd gevraagd of hij nog een goed probleem wist te verzinnen. Dat wist hij wel:

“I offered what I thought a very good problem: going to bed with a girl inBerlinand finding she was a boy with rubber breasts. What would the expert advice? I was not commissioned to give the talk. Indeed I did not even recieve an answer. Strange.”

Deze Engelse historicus was A. J. P. Taylor en over hem zal dit stuk gaan. Centraal hierin zal zijn historiografische benadering staan. Er zal dus gekeken worden naar de manier waarop hij de geschiedenis en het beoefenen van de geschiedenis als academische discipline zag. Verder zal worden stilgestaan bij de betekenis die Taylor voor de Engelse geschiedkundige traditie gehad heeft.

De jonge Taylor

In de literatuur die er over Taylor bestaat valt op, dat hij zeer vaak het ‘enfant terrible’ onder de historici wordt genoemd. Ook in letterlijke zin schijnt dit wel aardig te hebben geklopt. Zijn aparte persoonlijkheid deed zich namelijk al vroeg gelden.

Alan Percivale Taylor kwam in 1906 in het plaatsje Birkedale in Lancashire ter wereld. Zijn vader was de bemiddelde zoon van een industrieel, waardoor Alan als enigst kind in ruime welstand opgroeide. Terwijl de jonge Alan niet over materieel geluk te klagen had, werd er in emotioneel opzicht minder goed voor hem gezorgd. Als peuter had hij weinig contact met zijn ouders of andere kinderen, en werd hij lange perioden onder de hoede van kindermeisjes achtergelaten. Daarbij gedroeg zijn moeder zich zeer afstandelijk. Het kwam Taylor dan ook goed van pas dat hij buitengewoon intelligent was. Hij leerde zichzelf naar eigen zeggen nog voordat hij vier was te lezen en schrijven, waarmee hij de eenzaamheid kon ontvluchten. Op school was hij behalve de slimste, ook het meest rebelse jongetje van de klas. Dit maakte hem echter niet echt populair. Zijn jeugd speelde zich buiten school dan ook voornamelijk in het gezelschap van volwassenen af.

In Taylor’s latere professionele carrière, is hem vaak het verwijt gemaakt dat hij zich opzettelijk provocatief en controversieel gedroeg. Daarmee was het niet eens. Hij meende dat zijn specifieke situatie en de tijd waarin hij opgroeide tot een bepaalde (oprechte) geestesgesteldheid had geleid. Zijn jeugd vond dan ook plaats in een turbulente periode. In het begin van de twintigste eeuw, vond er een aantal belangrijke ontwikkelingen plaats. Nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen, onder andere in de psychologie en filosofie, zorgden voor kanttekeningen bij het vooruitgangsdenken. Technologische ontwikkelingen (auto’s telefoons) raasden voort, de massa kreeg kiesrecht en daarbij kwam ook nog de uitbraak van de Eerst Wereldoorlog. Terwijl zijn ouders echter nog steeds vasthielden aan de, steeds meer in het gedrang rakende, negentiende eeuwse, Victoriaanse morele waarden, koos de jonge Taylor zijn eigen pad. Zijn ouders, meende hij, leefden nog volgens de morele codes van de vorige generaties, maar konden deze desgevraagd niet meer verdedigen. Hij maakte zich hierom al vroeg een moderne levensbeschouwing eigen. En dat is de oorzaak van zijn latere eigenzinnigheid, want, zo schreef hij:

“I had to work out everything for myself without knowing wat principles to work from. Lacking any loyalty to the family, I went on to be without loyalty to any creed or class or nation. I was a nihilist for good or bad..It is simply that I do not share the principles and prejudices of others.”

Toch waren zijn ouders een stuk minder conservatief dan de gemiddelde mens. Met name zijn moeder, kreeg steeds radicalere politieke opvattingen en was erg begaan met de zaak van de gewetensbezwaarde dienstweigeraars. Als gevolg hiervan werd Taylor in 1913 naar een christelijk-humanistische Quaker-kostschool gestuurd. Hier heerste een pacifistische overtuiging en waren lijfstraffen afwezig. Ook hier was Taylor weer de slimste leerling. Zijn biograaf noemt hem zelf een briljante student . Dit lijkt niet overdreven. Taylor las gemiddeld meer dan tweehonderd boeken per jaar, waarvan het merendeel uit zware filosofische en literaire kost bestond. Daarnaast bezat hij een olifantengeheugen en won hij veelvuldig essay-wedstrijden op school. De andere jongens op school keken dan ook erg tegen hem op. In 1921 ging Taylor naar de ‘College Class’, een aparte klas voor de bollebozen op school, in voorbereiding op de universiteit. Hier besloot hij dat hij zich wilde voorbereiden op een geschiedenisstudie in Oxford. Dit was een uitzonderlijke keuze, omdat de rest van de intelligente jongens voor de natuurwetenschappelijke kant kozen. Taylor bleef echter tegendraads. En opstandig. Wanneer er dan ook bijvoorbeeld een rebellie uitbrak, in de periode dat veel jonge docenten naar het front waren gestuurd, was het dan ook vanzelfsprekend dat Taylor deze aanvoerde.

De belangrijkste ontwikkeling in zijn jonge leven was, volgens Taylor zelf, echter de bekering van zijn ouders tot het socialisme. Het feit dat Lenin in Oktober 1917 de Russische deelname aan de oorlog had beëindigd, had ze van de juistheid van de socialistische zaak overtuigd. De elfjarige Taylor volgde hun voorbeeld. Toen hij in 1919 voor het eerst in aanraking kwam met de marxistische literatuur, kende hij het communistisch manifest dan ook al snel van buiten. De gebreken van het Sovjetcommunisme en het orthodox materialistisch-determinisme ontgingen hem op de lange termijn echter niet. Een dogmatische socialistische instelling zou hij zich dan ook niet eigen maken. “I too have tried to be a Marxist”, schrijft hij in zijn autobiografie, “but common sense kept breaking in”. Een progressieve levensbeschouwing heeft Taylor echter wel zijn hele leven behouden. In 1924 ging hij in Oxford studeren. Over het onderwijs hier was hij niet erg tevreden. Voor zijn favoriete onderwerp, de contemporaine Engelse geschiedenis, bestond weinig aandacht. Toch liet hij zich hierdoor niet ontmoedigen en wist hij met de hoogste graad af te studeren.

De historicus Taylor

Zijn werk als professioneel historicus begon nadat hij op aanraden van een docent naar Wenen was vertrokken. Hier ging hij bij de historicus A. F. Pribram, een vriend en tijdgenoot van Freud, in de leer. Taylor wist een Rockefeller-onderzoeksbeurs te bemachtigen en begon zich in de Oostenrijkse staatsarchieven te verdiepen, op zoek naar een geschikt onderwerp. Wat hij tussen die archieven moest zoeken, wist Taylor zelf ook niet helemaal. De techniek van het historisch onderzoek en de methodologische motivatie hiervoor, waren hem op Oxford nooit echt bijgebracht.

Hij zou zich gaan toeleggen op de diplomatieke geschiedenis. Hierin vond hij spoedig een interessant en nog niet ontsloten onderwerp. Hij ging onderzoeken op welke manier de Franse, Engelse en Oostenrijkse diplomatie de Italianen te gemoed traden in het revolutiejaar 1848.

De sturing van Pribram was daarbij volgens Taylor buitengewoon summier. Hij claimt in zijn autobiografie dan ook dat hij zijn werkwijze als historicus geheel op eigen kracht heeft moeten vormgeven. Dat Pribam hier weinig aan kon bijdragen, was volgens Taylor ook echter niet verwonderlijk. Want, zo meent hij, “I didn’t even know he had a method or outlook”.

Pribam had echter weldegelijk een visie ten opzichte van de geschiedenis en de geschiedbeoefening. Zijn ideeën zouden duidelijk terug te vinden zijn in Taylor’s eerste boek. Pribam had Taylor allereerst het belang van een grondige bronnenkritiek duidelijk gemaakt. Alle documenten, zo meende hij, moesten argwanend worden benaderd. Vooral de geschriften die enkele tijd na een gebeurtenis waren vervaardigd. Alle weergaven van historische evenementen waren namelijk, bedoeld of onbedoeld, bevooroordeeld en dus subjectief.

Een voorzichtige en kritische benadering van historische bronnen, werd in het Duitse taalgebied al in de vorige eeuw zeer belangrijk geacht. Deze zogenaamde kritisch-filologische methode, was tot stand gekomen onder leiding van de Duitse historicus Leopold von Ranke. Deze les nam Taylor ter harte. Daarnaast meende Pribam dat de historicus zich moest onthouden van waardeoordelen. Want, zo schreef hij:

“Science is a stern mistress who will not condone the opinion of the day. He who, through weakness or for ulterior reasons, yields to this themptation, breaks faith with her”.

Ondanks deze pretentie, hing de kern van Pribam’s geschiedfilosofische benadering echter nauw samen met de tijd waarin hij leefde. Zijn methode was zeer deterministisch. Het internationale diplomatieke proces werd volgens hem namelijk gestuurd door een aantal, vrij statische, specifieke nationale belangen. De eigenaardigheden van de individuele diplomaten en staatslieden, konden dit proces wel marginaal, maar niet structureel beïnvloeden. Deze benadering van de geschiedenis, was overigens niet uitzonderlijk voor historici in de negentiende en twintigste eeuw. Zulke historici, die meestal als positivisten aangeduid worden, probeerden, geïnspireerd door de natuurwetenschappen, ook in de geschiedenis wetmatigheden te ontdekken.

Na een verblijf van twee jaar in Wenen, waarin hij vloeiend Duits leerde spreken, keerde Taylor terug naar Engeland. Hier kreeg hij, op voordracht van Pribam, een aanstelling aan de universiteit van Manchester. Taylor bleek een buitengewoon grote aanleg te hebben voor het spreken in het openbaar, waarbij zijn enige ondersteuning enige kaartjes met citaten vormden. Zijn colleges trokken dan ook al snel grote hoeveelheden enthousiaste studenten aan.

In 1934 kwam zijn eerste boek uit, dat gebaseerd was op zijn Weense onderzoek, getiteld The Italian problem in European diplomacy, 1847-1849. Ondanks dat Taylor er nog steeds radicale politieke opvattingen op na hield, werd het geen Marxistische geschiedenis. Er was zelfs geen sprake van geëngageerde geschiedschrijving. Het boek leunde dan ook nog sterk op de geschiedkundige opvattingen van Taylors oude leermeester, Pribram. Ook Taylor meende dat de historicus zich afzijdig moest houden van morele oordelen. Hij vond dat het de taak van de historicus was om de tegenstellingen en misvattingen tussen staten en diplomaten naar boven te halen, niet ‘ to provide the appeal court, which had been lacking in real life’. Ook zijn centrale these ademde de geest van de leermeester. Het internationale diplomatieke proces, zo meende Taylor, werd gestuurd door een aantal axiomatische vooroordelen ten aanzien van de nationale aard en het nationaal belang. Verder was het boek een voorbeeld van nauwkeurige en vrij conservatieve geschiedschrijving. Het werd door de critici dan ook positief ontvangen.

In dezelfde tijd echter, begon Taylor een andere kijk op het historische proces te ontwikkelen, die ogenschijnlijk lijnrecht tegenover zijn deterministische opvattingen stond, maar die hij daar later mee zou laten versmelten. Omdat hij een cursus over de Nederlandse opstand gaf, besloot hij het werk van de Utrechtse historicus Pieter Geyl te lezen. Hier vond hij een element dat later zeer belangrijk in Taylor’s werk zou worden. Geyl, zo zegtTaylor: ‘in particular pleased me by his view, already unconscious mine, that most things in history happen by accident.”

In Manchester ging hij buiten zijn universitaire werk ook voor de krant de Machester Guardian schrijven. Hier beleefde hij een aantal rustige jaren. Ook zijn politieke voorkeur veranderde hier. Want hoewel zijn genegenheid voor Rusland, ook na de showprocessen van de jaren dertig, groot bleef, werd hij wel steeds afkeriger van de communisten in eigen land.

Zijn tijd in Oxford

Eind jaren dertig verliet hij Manchester en ging hij doceren aan Oxford, waar hij de rest van zijn carrière zou blijven. Ook hier publiceerde hij een aantal boeken, met name met betrekking tot de moderne Europese diplomatieke geschiedenis, zoals The Habsburg Monarchy 1809-1918 (1954), The Course of German History en The struggle for Mastery in Europe 1848-1914. Ook deze werken worden gekenmerkt door een sterk deterministische invalshoek. De Europese geschiedenis werd door Taylor vooral gezien als de poging van Duitsland om Europa te domineren en de inspanningen van de andere landen om dat te voorkomen . Zijn tegendraadsheid kwam nu ook steeds nadrukkelijker aan de oppervlakte. Het zou niet lang duren voordat ook zijn geschiedschrijving hierdoor beïnvloed zou worden. Zijn werk kreeg dan ook een steeds polemischer aard. Deze radicalisering kwam voort uit het feit dat er nogal wat zaken waren, waar Taylor zich kwaad over maakte. Hij hekelde de Engelse politiek inzake de Suez-crisis, verafschuwde de Koude Oorlog en was bovenal een fel tegenstander van de nucleaire wapenwedloop. Hij was dan ook een van de meest prominente actieve leden van de Beweging voor Nucleaire Ontwapening, met de naïeve veronderstelling dat als Engeland zijn nucleaire wapens van de hand zou doen, de rest van de wereld wel zou volgen. Het was niet de eerste, noch de laatste keer dat Taylor dacht dat Engeland meer invloed had, dan werkelijk het geval was. Per toeval, zoals hij in zijn autobiografie beschrijft, rolde hij in de jaren vijftig in de wereld van de massamedia. Hij werd dan ook een vooraanstaand intellectueel in Engeland, die in kranten en op de radio en televisie zijn tegendraadse meningen verkondigd. Het omver halen van conventies was voor hem bijna een doel op zich geworden en hij de staat waarin hij verkeerde omschreef hij dan ook als ‘in revolt as usual against my surroundings’

Niet iedereen kon Taylors werkwijze echter waarderen. Een groeiend aantal mensen, met name in de wetenschap, begon zich dan ook te ergeren aan Taylor. De kritiek was dat Taylor slechts een kunstje vertoonde, maar dat zijn intellectuele prestaties gering waren. Zoals de Amerikaanse wetenschapper Hans Morganthau opmerkte: “Tayloris essentialy a populizer who enjoys shocking people by expressing utterly onorthodox opinions”. Taylor trok zich weinig van de kritiek aan.

Zijn manier van handelen was op het eerste gezicht niet erg constructief. Toch heeft het er voor een groot deel aan bijgedragen dat Taylor door velen als de grootste Engelse historicus van zijn eeuw wordt gezien. Niet zijn methodologische vernieuwingen, maar zijn vermogen om andere wegen in te slaan en uitgangspunten te herformuleren, zorgde voor een grote dynamiek in het historische debat. Alhoewel Taylor menigmaal verklaarde niet geïnteresseerd te zijn in een theoretische grondslag voor zijn werk, keerden er in zijn manier van geschiedschrijven wel steeds een aantal elementen terug.

De belangrijkste hiervan waren determinisme, het belang dat hij aan toeval in de geschiedenis hechtte en een stijl die meestal als narratief gekenschetst wordt.

Een voorbeeld hiervan is zijn meest controversiële boek, dat ging over de totstandkoming van de Tweede Wereldoorlog, getiteld The Origins of the Second World War.

In de jaren vijftig was er in Engeland een breed gedragen beeld ontstaan over het karakter van de Tweede Wereldoorlog. Een centrale plaats had hierin het unieke en satanische karakter dat aan de persoon van Hitler werd toebedeeld. De oorlog was in dit beeld begonnen doordat Hitler daar doelbewust op aan had gestuurd in zijn pogingen het Derde Rijk te stichten. Daardoor lag de schuld van de oorlog niet zozeer bij andere staten of bij het Duitse volk. Deze waren slechts slachtoffer van Hitler’s kwade brein. Deze visie wordt ook wel de ‘Nuremberger these’ genoemd. Deze visie kwam de Westerse staten goed uit. De bondgenoot uit de Tweede Wereldoorlog, de Sovjet Unie, was immers de nieuwe vijand geworden en de Duitsers moesten door de publieke opinie als nieuwe bondgenoten worden geaccepteerd. Taylor meende dan ook dat de tegenstelling tussen de ‘goede Duitsers’ en de ‘slechte Hitler’, die door historici werd gemaakt, politiek geïnspireerd was.

Als oorzaak van de oorlog zag Taylor, net zoals hij dat ten aanzien van de negentiende-eeuwse diplomatie had waargenomen, de botsende nationale belangen van de Europese landen, en niet de doelbewuste opzet van individuele staatslieden.

In het geval van Duitsland ontwikkelde de geschiedenis zich dan ook richting dominantie in West en Midden Europa. Een ontwikkeling die vrij logisch voortvloeide uit zijn natuurlijke potentie. Hitler was hierin de traditionele Europese staatsman, die even schuldig was als zijn tegenspelers. In Mein Kamf, waarin Hilter zijn plannen over het Derde Rijk ontvouwde, zag Taylor geen blauwdruk voor een veroveringsoorlog. Eerder zag hij hierin het hardop dagdromen over een vage notie van wereldheerschappij. Als Hitler al iets wilde, dan was dat ergens in de toekomst een oorlog met de Sovjet-Unie. Verder meende hij dat Marinus van der Lubbe de Rijksdag in zijn eentje had ontstoken. Ook het Hossbach-memorandum, waarin de beruchte oproep tot Lebensraum stond, was niet gericht op een totale oorlog, maar was eerder een diplomatiek spel blufpoker. Daarbij was het memorandum slechts voor binnenlandse politieke consumptie bedoeld, als propagandamateriaal. Niemand van de Nazi-top, behalve Goering, was aanwezig bij de conferentie. En de Anschluss met Oostenrijk vond plaats in een opwelling, nadat de Oostenrijks kanselier Schussnigg, Hitler in zijn hemd had gezet met zijn voorstel over een volksraadpleging ten aanzien van de hereniging.

Daarnaast was er nog een aantal andere factoren, die de oorlog veroorzaakten. Hier meende Taylor dat de Tweede Wereldoorlog direct voortvloeide uit de Eerste Wereldoorlog, door het Verdrag van Versailles en de verkeerde uitvoering daarvan. De continuïteit tussen deze twee, was dus groter dan gebruikelijk werd aangenomen. Versailles had voor een explosieve situatie gezorgd, doordat Rusland werd buitengesloten, de Verenigde Staten een isolationistische politiek voerden, de nieuwe territoriale indeling niet door de grootmachten gewaarborgd werd, en de Duitsers het verdrag verwierpen. Taylor concludeerde dan ook dat er geen oorlog tussen totalitaire dictatuur en democratie was gevoerd, maar er sprake was van een ‘war between the three Western powers over the settlement of Versailles’

Dit was de deterministische kant van zijn stelling, waar de staatslieden gestuurd werden door de omstandigheden, die ze overigens soms zelf gecreëerd hadden. Dit was dus de oorzakelijke kant van het verhaal. De aanleiding van de oorlog verklaarde Taylor uit een ander perspectief, namelijk het toeval. Want, zo merkt hij hier over op: “The war of 1939, far from being premediated, was a mistake, the result on both sides of diplomatic blunders”. De eigenlijke oorlog kwam voort uit een cluster diplomatieke misverstanden over de Poolse kwestie. De enige keer dat Hitler een ultimatum stelde, vond pas een week voor de eigenlijke oorlog plaats. En toen nog kon de situatie afgewend worden. Als de Polen op 29 Augustus een representant naar Berlijn hadden gestuurd om te onderhandelen over de Poolse corridor en Danzig (kwesties met betrekking tot Versaillles) dan had de kwestie volgens Taylor opgelost kunnen worden. Hitler had namelijk liever op een diplomatieke manier zijn zin gekregen. De Poolse ambassadeur in Berlijn, vond het echter de moeite niet deze boodschap door te geven. Op deze manier kon Hitler zijn generaals niet meer weerhouden, aangezien hij een ultimatum had gesteld. Op dertig augustus brak dan ook de oorlog uit.

Naast deze inhoudelijke interpretatie van de Tweede Wereldoorlog, is er nog een ander, stilistisch, onderdeel in zijn werk. Dat was zijn narratieve methode. Dit element in zijn werk bestond eruit dat hij zeer wel op de hoogte was van het feit dat zijn geschiedschrijving niets anders dan een subjectieve, tijdgebonden interpretatie was. Hierom vond hij niet dat het zijn taak was om hevig te analyseren en te theoretiseren. Eerder probeerde hij het geschiedverhaal tot leven brengen, zoals ook uit zijn analyse van de Tweede Wereldoorlog blijkt. Hij wilde in een vloeiende stijl de gebeurtenissen chronologisch te beschrijven en van een uitleg te voorzien. Met deze methode probeerde hij het verleden tot leven te wekken. Dit vond hij de beste methode voor de historicus. Sterker nog, volgens Taylor was geschiedenis waarin geen verhaal werd verteld, geen geschiedenis, maar politieke of sociale wetenschap.

Naar aanleiding van Taylor’s analyse over de Tweede Wereldoorlog brak er een aantal hevige debatten uit. Ongeveer alles wat zeker was geweest over de oorlog stond nu immers op zijn kop. Ook de staten buiten Duitsland werden door Taylor medeschuldig geacht en als hij gelijk had, werd een herwaardering van de eigen nationale positie in de oorlog noodzakelijk. Taylor kreeg veel terechte en onterechte kritiek te verduren, nationaal en internationaal. De grootste kritiek kwam van de historicus Trevor-Roper. Taylor was niet onder de indruk, zoals hij op zijn karakteristieke wijze over zijn opponent opmerkte:

“He knows as much about twentieth-century history as I do about seventeenth-century history- which is not to say nothing at all”.

De constatering van Taylor in zijn autobiografie, dat zijn mening over de Tweede Wereldoorlog, nu de heersende mening is geworden, lijkt sterk overdreven. Bepaalde elementen daaruit, zijn echter zeer invloedrijk geworden.

Inmiddels was Taylor een bekende televisiepersoonlijkheid geworden, die in discussieprogramma’s ruzie maakte over de situatie in de wereld, maar ook veel voordachten op televisie gaf over de moderne Europese geschiedenis. De kroon op zijn werk kwam in 1965 toen hij voor de Oxford History of England het deel over de twintigste eeuw mocht schrijven.

Dit was zijn laatste serieuze werk. Hierna schreef hij nog een aantal populair-wetenschappelijke boeken en een boek over zijn vriend, Lord Beaverbrook, dat over het algemeen echter spottend aangeduid wordt als een werk van hagiografie (levensbeschrijving van een heilige).

In 1990 stierf Taylor op vierentachtigjarige leeftijd. Al snel kwam er een stroom publicaties op gang over zijn betekenis voor de Engelse geschiedschrijving. Behalve dat een generatie Engelsen via de radio en televisie met zijn visie op de wereld opgroeide, is er ook een generatie academici door zijn boeken beïnvloed. Zijn belangrijkste bijdrage aan de academische geschiedschrijving was echter, zoals duidelijk is geworden, zijn talent om een nieuwe wegen in te slaan. Zonder zelf bepaalde objectiviteitpretenties te hanteren, viel hij die van anderen aan. Daarmee kreeg het historische debat een nieuwe dynamiek. Zoals een biograaf opmerkt ‘ The most notable historical legacy that Alan Taylor has left is a deeply sceptical and often irreverent approach to even the most sacred of historical cows. This legacy has been taken up by historians of the Right as much, or even more than, historians of left-wing persuasion.

Besluit

A. J. P. Taylor wordt vaak als overgangsfiguur gezien. In zekere zin belichaamde hij ook de overgang van de negentiende-eeuwse studeerkamergeleerde naar de historicus die zich bewust bezig houdt met de samenleving waarin hij leeft. Door zijn activiteiten buiten de universitaire wereld, gebruikte hij zijn status om een uitermate geëngageerde publieke rol te spelen. Hierdoor sterk geïnspireerd door zijn socialistische levensbeschouwing. Zijn historische methode bleef, toen hij die had vormgegeven vrij onveranderlijk. De taak van de historicus lag volgens hem voor de hand: deze moest zich bezig houden met het geschiedverhaal. Taylor was dan ook afkerig van modieuze geschiedkundige ontwikkelingen. Daarbij was hij ervan weldegelijk van op de hoogte dat zijn werk geen eeuwigheidswaarde als objectief geschiedwerk had. Het meest prominente kenmerk van zijn werkwijze lag echter in Taylor’s aard opgesloten. Dat van de radicale non-conformist.

 

Geef een reactie

Schrijf je in voor TOEN!