Brexit! Niet het eerste Britse referendum over Europa

Het Britse volk heeft gestemd: er komt een Brexit. Een historische dag vandaag, met verstrekkende gevolgen. Toch is zo’n volksraadpleging er al eens eerder geweest: op 5 juni 1975 mochten de Britten zich uitspreken over de vraag of het Verenigd Koninkrijk lid zou blijven van de EEG. In dat jaar stemde het volk voor Europa.

Referendum over de EEG

Het referendum over Europa kwam tweeënhalf jaar na de Britse toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Over die toetreding hadden de Britten jarenlang getwijfeld. Ze waren afgehaakt bij de onderhandelingen over het Verdrag van Rome, waarmee de EEG in 1957 werd gevestigd, omdat ze meer economische voordelen in het eigen Britse Gemenebest zagen. Toen de Britten zich later bedachten, blokkeerde de Franse president Charles de Gaulle tot tweemaal toe de Britse toetreding, omdat hij vreesde voor een meer Atlantische oriëntatie van de EEG. Toen de Gaulle in 1969 aftrad, besloot de Britse Conservatieve premier Edward Heath een derde poging te doen. Hij hoopte dat het lidmaatschap van de EEG en de hieruit resulterende toegang tot de Europese vrijhandelszone de broodnodige impuls zou geven aan de kwakkelende Britse economie.

Landen toegetreden tot de EU sinds 1957. De voorganger van de EU heette, tot de ondertekening van het Verdrag van Maastricht in 1992, de Europese Economische Gemeenschap (EEG). (bron: Wikimedia)

Landen toegetreden tot de EU sinds 1957. De voorganger van de EU heette, tot de ondertekening van het Verdrag van Maastricht in 1992, de Europese Economische Gemeenschap (EEG). (bron: Wikimedia)

In 1970 begonnen de onderhandelingen. Die verliepen moeizaam. De Britten vreesden namelijk dat zij de dupe zouden worden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EEG. Binnen de EEG ontvingen boeren exportsubsidies en die subsidies werden betaald door importheffingen. Aangezien het Verenigd Koninkrijk zelf een relatief kleine landbouwsector had en veel invoerde (met name uit het Gemenebest), voorzagen de Britse onderhandelaars dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid nadelig zou uitpakken. Uiteindelijk was de regering-Heath van mening dat dit nadeel niet opwoog tegen de voordelen van toetreding. Ook het Britse parlement dacht er zo over en stemde na een marathonvergadering van driehonderd uur met een nipte meerderheid in. Op 1 januari 1973 trad het Verenigd Koninkrijk samen met Ierland en Denemarken toe tot de EEG.

Ongelijke strijd

Niet iedereen was voorstander van de voorwaarden waaronder het Verenigd Koninkrijk toetrad. Bovendien bleef de economische crisis aanhouden. Oppositiepartij Labour vond dat de Conservatieven de Britse belangen in de toetredingsonderhandelingen hadden veronachtzaamd en maakte dit tot een belangrijk onderwerp voor de parlementsverkiezingen van 1974. Onder leiding van Harold Wilson stelde Labour heronderhandelingen en een referendum over het resultaat in het vooruitzicht. Dit was niet alleen bedoeld om stemmen te trekken, maar diende vooral ook om de linkervleugel van Labour, die zelfs pleitte voor uittreding uit de EEG, binnen de partij te houden. Wilson koos in het Labour-verkiezingsprogramma voor ‘fundamentele heronderhandelingen’ als bezweringsformule.

Labour wist na een woelig politiek jaar met twee parlementsverkiezingen uiteindelijk in oktober 1974 een kleine meerderheid in het parlement te behalen. De kersverse premier Wilson kon gaan onderhandelen met de andere lidstaten van de EEG. Die bleken alleen bereid tot kleine aanpassingen en cosmetische veranderingen zolang die binnen de bestaande Verdragen gerealiseerd konden worden en geen grote wijzigingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid met zich meebrachten.

Britse politici waren in 1975 in meerderheid vóór deelname aan de EEG. Zowel de Conservatieve Edward Heath (premier van 1970 tot 1974, foto midden) als zijn politieke tegenstander Labour-leider Edward Wilson (premier van 1974 tot 1976, foto rechts) was vóór. Zelfs Margaret Thatcher (premier van 1979 tot 1990), hier in haar tijd als oppositieleider, was aanvankelijk pro-Europees.

Britse politici waren in 1975 in meerderheid vóór deelname aan de EEG. Zowel de Conservatieve Edward Heath (premier van 1970 tot 1974, foto midden) als zijn politieke tegenstander Labour-leider Edward Wilson (premier van 1974 tot 1976, foto rechts) was vóór. Zelfs Margaret Thatcher (premier van 1979 tot 1990), hier in haar tijd als oppositieleider, was aanvankelijk pro-Europees.

De heronderhandelingen werden afgerond in maart 1975. De Britse regering had er uitzonderingen voor de import van zuivel en suiker uit Gemenebestlanden uit weten te slepen en, belangrijker, de invoering van een ‘correctiemechanisme’ voor de afdrachten van importheffingen binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Wilson moest toegeven dat het geen fundamentele wijzigingen waren, maar hij sprak wel van ‘aanzienlijke en onverwachte successen op verschillende terreinen’. Een referendum durfde Wilson wel aan. Bijzonder was dat hij de leden van zijn kabinet vrij liet om zelf hun standpunt te bepalen. Bewindspersonen die tot de linkervleugel van Labour behoorden, voerden campagne tegen het Britse EEG-lidmaatschap, maar met zeven tegen zestien vormden zij een minderheid in het kabinet.

De campagne in aanloop naar het referendum was sowieso een ongelijke strijd. Het pro-kamp bestond uit de kopstukken van Labour – naast Wilson ook prominenten uit de rechtervleugel als Roy Jenkins, David Owen, Bill Rodgers en Shirley Williams – en bijna de gehele Conservatieve Partij onder leiding van oud-premier Heath en pas benoemd partijleider Margaret Thatcher. Het anti-kamp was een weinig geloofwaardige, halfhartige alliantie van de linkervleugel van Labour, de Communist Party en gelieerde vakbonden, enkele rechtse Conservatieve backbenchers, het extreemrechtse National Front en de Schotse, Welshe en Noord-Ierse nationalistische partijen.

Het anti-kamp kon op weinig sympathie rekenen. Niet alleen de Britse bevolking, maar vooral ook de gevestigde orde moest er weinig van hebben. Het zakenleven, voorop de Londense City, en de media schaarden zich volmondig achter het pro-kamp. Het gevolg was dat de voorstanders van het Britse lidmaatschap meer dan twintig keer zoveel geld te besteden hadden en een veel effectievere campagne konden voeren.

Onvolledig voorgelicht?

Op 6 juni 1975 werd de uitslag van het referendum bekendgemaakt. Met een ruime twee derde meerderheid waren 17 miljoen Britten voorstander van het Britse EEG-lidmaatschap, tegenover 8 miljoen tegenstanders. De opkomst was met 65 procent van de stemgerechtigden erg groot. Premier Wilson verklaarde: ‘Een oordeel is gegeven door een grotere stem, door een grotere meerderheid, dan door welke Britse regering dan ook ooit in parlementsverkiezingen is behaald. Niemand in Groot-Brittannië of de rest van de wereld kan twijfelen over de betekenis ervan. Het was een vrije stemming, constructief en zonder rancune uitgevoerd. Hiermee komt een einde aan een nationale discussie van veertien jaar.’

Het tegendeel bleek waar. Het door de regering-Wilson heronderhandelde compensatiemechanisme voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid bleek in de praktijk niet het gewenste resultaat op te leveren. Pas in 1984 wist Thatcher als premier tijdens de Europese Top in Fontainebleau een speciale terugbetaling af te dwingen. Thatcher was niet meer zo pro-Europees als ze ten tijde van het referendum was geweest. Ze wilde ‘haar geld terug’, en ze kreeg het.

Op langere termijn wist het referendum ook het door Wilson gevreesde schisma in zijn partij niet te voorkomen. De pro-Europese rechtervleugel hield het in 1981 niet langer uit met de anti-Europese linkervleugel. Jenkins, Owens, Rodgers en Williams splitsten zich af en vormden de Social Democratic Party, die in 1988 samen met de Liberals opging in de Liberal Democrats. De linkervleugel verlegde ondertussen de koers van Labour: tijdens de regeringsjaren van Thatcher pleitte de partij onverholen voor een vertrek uit de EEG, zonder referendum.

In de publieke opinie heerste ondertussen de gedachte dat de Britse bevolking was misleid of op z’n minst onvolledig was voorgelicht over het referendum. De EEG bleek al snel over meer te gaan dan alleen vrijhandel en de gemeenschappelijke markt. De pro-campagne had toekomstplannen als de Europese Unie en de Economische en Monetaire Unie, en het feit dat Europees recht boven het nationaal recht stond, voor het gemak achterwege gelaten. De overdracht van bevoegdheden aan Brussel werd slechts in bijzinnen genoemd. De anti-campagne overdreef juist schromelijk door te stellen dat de gemeenschappelijke markt de opmaat was voor de vorming van een Europese superstaat.

Achteraf bezien gaven de Britten tijdens het referendum in het stemhokje waarschijnlijk niet zozeer antwoord op de voorliggende vraag, dan wel dan op de vraag welke politici ze het meest vertrouwden. Toen Jenkins werd gevraagd naar een verklaring voor de uitslag van het referendum, zei hij: ‘De Britten hebben het advies gevolgd van de mensen die ze gewend waren te volgen.’

Dit artikel is tot stand gekomen met dank aan onze collega’s van Kennislink

Schrijf je in voor TOEN!