Charles Darwin en de eugenetische beweging

Darwin stelde impliciet dat ook de mens het product was van natuurlijke selectie. Dat idee beïnvloedde zijn neef Francis Galton tot de theorie van “eugenics” (‘goede wording’).

Reflecties over de oorsprong van de mens en de wereld waarin hij leeft zijn waarschijnlijk al zo oud als de moderne mens zelf. Vanaf het moment waarop de geschiedenis zijn aanvang nam, met de introductie van het schrift, zijn hier al bewijzen voor te vinden. Sommige van de inzichten die de mens in vroegere tijden ontwikkelde, doen verrassend modern aan. De Griekse wijsgeer Anaximander bijvoorbeeld, die rond 600 voor Christus leefde, meende volgens de overlevering dat de wereld, die vrij in de ruimte zou zweven, eerst in vloeibare toestand verkeerde en daarna geleidelijk droog werd. Tijdens dit proces werden de levende wezens gevormd, die eerst in het water leefden en pas daarna ook op het land.

Nadat het Christendom in Europa vanaf de late antieke tijd de dominante religie was geworden, werd de uitleg die de Bijbel gaf over het ontstaan van de natuur het gangbare verklaringsmodel. De mens en de rest van de levende natuur waren hierin in een aantal dagen door God geschapen en deze uitleg vond bij het overgrote deel van de bevolking instemming. Zelfs de fossiele dierenwereld, die vanaf de vroegmoderne tijd werd ontsloten en waarover niets in de Bijbel te vinden was, zette het scheppingsverhaal niet hevig onder druk.

Dit veranderde in de achttiende eeuw. De natuurbeschouwing werd nog wel gedomineerd door het dogma van de onveranderlijkheid der soorten, zoals dat in Nederland werd gepropageerd door Jan van der Hoeven en Herman Schlegel, een klein aantal geleerden begon hierbij echter kanttekeningen te plaatsen. Op basis van nieuw verworven inzichten opperden ze dat de verschillende soorten in de natuur zich wellicht langzaam konden transformeren. Een van de eersten die deze mening was toegedaan was de directeur van de Parijse plantentuin, Monet Lamarck (1744-1829) maar ook Goethe en in Nederland de Utrechtse hoogleraar Donders, konden zich niet meer met het statische soortenbeeld verenigen. Met hun opvattingen bestond echter vrijwel geen instemming.

In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam de constructie van een betrekkelijk stabiele goddelijke schepping van de levende natuur toch hevig onder druk te staan. Grondwerkers vonden in 1856 in het Neanderthal nabij Düsseldorf een fossiele schedelkap van een onbekend menstype, dat anatomisch sterk van de moderne mens verschilde. Niet veel later toonden Engelse geologen aan dat de mens zich al tijdens de IJstijden op aarde rondbewoog en werden in Frankrijk fossiele resten van de Cro-Magnon mens, de voorloper van de moderne mens, ontdekt. Deze en soortgelijke ontdekkingen droegen bij aan de geboorte van nieuwe wetenschappelijke disciplines zoals de prehistorische archeologie, de fysische antropologie en de ethologie.

Daarnaast werd er in een aantal vormen van wetenschap een nieuw, dynamisch axioma dominant, namelijk dat van het positivisme. De natuurlijke wereld, zo was in de voorbije eeuwen gebleken, was aan verschillende onveranderlijke wetmatigheden onderhevig. Natuurkundigen gingen zich hierdoor sterk richten op het ontsluiten van andere wetmatigheden, in de hoop op deze manier ooit de gehele natuur te kunnen doorgronden.

Dit had ook zijn weerslag op de beoefenaars van de verschillende menswetenschappen, die op zoek gingen naar wetmatigheden in de leefwereld van de mens. De Duitse filosoof Hegel bijvoorbeeld, beschreef met zijn dialectische systeem als een van de eersten een “wetmatig” ontwikkelingspad voor de mens en mensheid. De positivistische menswetenschappers van de negentiende eeuw hadden een sterk deterministische en progressieve inslag: ze meenden dat het pad dat door de mens werd belopen onontkoombaar was en tot vooruitgang leidde.

In de nieuw ontstane wetenschap van de sociologie waren Karl Marx en Herbert Spencer belangrijk in de uitwerking van dit uitgangspunt tot een evolutionistische maatschappijtheorie. Beiden werden geconfronteerd met een snelle verandering in de hun bekende maatschappij door de om zich heen grijpende industrialisatie. Beiden formuleerden op basis hiervan een stelsel waarin de evolutie van de maatschappij een duidelijke richting en einddoel had. In tegenstelling tot vroegere vormen van maatschappijtheorie waren Marx en Spencer niet langer bezig met het verklaren (of legitimeren) van een betrekkelijk stabiele orde, maar beschreven ze een proces van voortgaande transformatie. Ook de synthese die uiteindelijk als verklaringsmodel zou gaan dienen voor het mechanisme waaraan al het leven in onze wereld onderhevig is, was een combinatie van de Ideeën die er in de negentiende-eeuwse mens- en natuurwetenschappen bestonden ten aanzien van transformatie en wetmatigheid.

De ontdekker ervan, Charles Darwin (1809-1882), kwam hiertoe naar aanleiding van het bestuderen van de Zuidamerikaanse flora en fauna, tijdens een langdurige bootreis die hij als natuuronderzoeker maakte. Na meer dan twintig jaar over zijn observaties nagedacht te hebben, meende hij dat de tijd gekomen was om zijn baanbrekende conclusies openbaar te maken. In November 1859 ontvouwde hij zijn zogenaamde evolutietheorie dan ook in het boek “On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the preservation of Favoured Races in the Struggle for Life”.
Direct in de inleiding vatte hij de strekking ervan als volgt kort samen:
“Aangezien er veel meer individuen van elke soort worden geboren dan mogelijkerwijs in leven kunnen blijven, en omdat er ten gevolge daarvan sprake is van een regelmatig terugkerende strijd om het bestaan, volgt daaruit dat elk wezen, als het ook maar een heel klein beetje varieert op een wijze die voor hem voordelig is, onder de complexe en soms veranderende levensomstandigheden een betere kans krijgt om te overleven, en dus natuurlijk geselecteerd wordt. Als gevolg van het krachtige principe van erfelijkheid, zal elke geselecteerde variëteit ertoe neigen zijn nieuwe en gemodificeerde vorm voort te planten.”Hierna volgde een gedetailleerde uiteenzetting van de feitelijke werking van het evolutiemechanisme, op basis van een groot aantal voorbeelden. Levende wezens, zo betoogde hij dus, bezaten geen onveranderlijke grondvorm, maar waren het resultaat van een oneindige aanpassing. Alle soorten van plantaardig en dierlijk leven op aarde waren onderhevig aan de werking van dit mechanisme. Darwin verwees ook het scheppingsverhaal naar het rijk der fabelen toen hij expliciet stelde dat zijn theorie algemeen geldend was. De minder bekende Engelsman Wallace kwam op hetzelfde moment tot ongeveer dezelfde conclusies als Darwin en hun werk kreeg al snel grote bekendheid.

De eerst druk van “On the Origin” was in Engeland al dezelfde dag uitverkocht en vele herdrukken volgden, in verschillende talen, waaronder de Nederlandse in 1860. Vrijwel direct ontstond er een grote polemiek rond de nieuwe evolutietheorie, die zich tot het begin van de Twintigste Eeuw uitspon. In Nederland was Dr. Abraham Kuyper, protestants leider van de Anti-Revolutionaire Staatspartij (ARP) de aanvoerder van de felste tegenstanders van de evolutieleer. Het katholieke volksdeel had iets minder weerstand tegen het concept van evolutie.

Darwins strikt mechanische en materialistische natuuropvatting, was een van de laatste stappen in de ontmythologisering van het wereldbeeld, die sinds de vroegmoderne tijd, en met name door de wetenschappelijke revolutie, op gang was gekomen. Uiteindelijk werden Darwins ideeën, in ieder geval in de natuurwetenschappelijke hoek, aan het begin van de vorige eeuw vrijwel algemeen aanvaard. Vijftig jaar na het verschijnen van “On the Origin” was het boek voor velen dan ook zo belangrijk dat het, in de woorden van A.A.W Hubrecht in De Gids in 1909, “een richtsnoer is kunnen worden voor hunne gedachten over de doode en de levende natuur, ja zelfs over den mensch en zijn plaats in het heelal. Daarmee is een voorjaarsschoonmaak gehouden op de achterzolders en in de woonkamers van het menschelijk denken, die in beteekenis en omvang ongetwijfeld degene overtreft, die in de tweede helft der achttiende eeuw door de Fransche encyclopedisten werd ingeleid.

Darwin en de mens
Met “On the Origin” stelde Darwin impliciet dat ook de mens het product was van natuurlijke selectie. In 1871 ontvouwde hij zijn visie op de aard van de mens uitgebreider, in een geschrift getiteld: “the Descent of Man”. Hierin maakt hij duidelijk dat er een gerede kans bestond, dat de mens in de moderne maatschappij zou gaan degenereren door een slecht functionerend natuurlijk-selectiemechanisme. In zijn optiek waren het niet langer de best aangepasten die voor de meeste nakomelingen zorgden maar, integendeel zelfs, juist de minder geschikten. En als “the various checks do not prevent the reckless, the vicious, and the otherwise inferior members of society from increasing at a quicker rate than the better class of men, the nation will retrograde, as has occurred too often in the history of the world”, zo waarschuwde hij. Terwijl deze constatering Darwin niet erg hoopvol stemde, pleitte hij er toch niet voor het veronderstelde vastlopende selectiemechanisme door middel van directe inmenging weer zijn natuurlijke loop te laten nemen. En alhoewel hij graag zag dat de in zijn ogen minder geschikten ervan konden worden overtuigd zich vrijwillig niet voort te planten, achtte hij dit tezelfdertijd niet erg waarschijnlijk.

De opkomst van de eugenetische beweging
De neef van Darwin, Francis Galton (1822-1911), geïnspireerd geraakt door de evolutieleer, was echter minder pessimistisch. Hij was er zelfs van overtuigd dat degeneratie en regressie te voorkomen waren. Als de beesten door systematische selectie veranderd en verbeterd waren, dan moest dat bij de mens ook mogelijk zijn. Hiertoe ontwikkelde hij een programma dat hij “eugenics” (goede wording) doopte, in het Nederlands vertaald als “eugenetica”,”eugenetiek”, “eugeniek”en “eugenese”. Galton zette zijn opvattingen met name uiteen in de werken Hereditary Genius (1869) en Human Faculty (1884). Hij was daarbij een van de eersten die het onderscheid maakte tussen twee vormende elementen in de natuur, namelijk “nature” (aangeboren eigenschappen) en “nurture” (aangeleerd gedrag). De nieuwe leer der eugenese zou zich volgens Galton bezig moeten gaan houden met “various topics more or less concerned with that of cultivation of race” Dit betekende in de praktijk dat de aanhangers van eugenese ijverden voor het zuiver houden van de menselijke soort, door de “ongeschikten” (unfit) van voorplanting te weerhouden en de “geschikten” (fit) ertoe aan te zetten. Het voorkomen van voortplanting werd aangeduid als negatieve eugenese, het stimuleren ervan werd positieve eugenese genoemd. Omdat er algemeen werd aangenomen dat er nog te weinig kennis bestond om tot een systeem van positieve eugenese te komen, kwam de nadruk binnen de eugenetische beweging sterk op negatieve eugenese te liggen.
De populariteit van de eugenetische beweging greep in Engeland snel om zich heen. Vele eugenetische genootschappen werden opgericht en de voornaam Eugene kwam opeens in de mode. Onder invloed van geleerden als Ernst Haekel in Duitsland en Charles Davenport in de Verenigde staten, verspreidde de leer der eugenetiek zich als een olievlek over de wereld. In 1912 was het al zover gekomen dat in Londen het eerste Internationaal Eugenetisch Congres kon worden gehouden. Wereldwijd ontstonden er voor de Tweede Wereldoorlog zo”n dertig eugenetische verenigingen, zowel in Latijns Amerika, Japan, Noord Amerika als in Europa. Het verschil in de manieren waarop de verschillende bewegingen tot hun doel wilden komen, was echter zo groot dat de enige gemene deler bestond uit de wens betere mensen te kweken. De eugenetische beweging lijkt aan te sluiten bij de cultuurpessimistische en reactionair anti-democratische stroming die in de Westerse Wereld in het begin van de twintigste eeuw opgang maakte. Desalniettemin vonden eugenetische ideeën ook ingang bij intellectuelen aan de gematigde en radicale linkerzijde van de het politieke spectrum. Bij de socialisten appelleerde het aan de voorliefde voor planmatige ontwikkeling en bereidheid een groot deel van de individuele autonomie aan de staat over te dragen. Zowel onder democratische New Deal-politici in de Verenigde Staten als bij socialisten in Duitsland en in Bolsjewistisch Rusland, waren er dan ook voorstanders te vinden van eugenetische maatregelen. De historicus Hobsbawn ziet in de biologistische redeneringen die volgden uit de ontdekkingen van Darwin zelfs een centrale rol in de dominante bourgeois-ideologie van de negentiende eeuw. Hiermee konden racistische opvattingen van een onderbouwing worden voorzien, wat bijvoorbeeld handig was ten behoeve van het imperialisme, en werden maatschappelijke verhoudingen gelegitimeerd: “Biology was essential to a theoretically egalitarian bourgeois ideology, since it passed the blame for visible human inequalities from society to nature. The poor were poor because born inferior.”In het Westen waren het vooral Duitsland, Engeland, de Verenigde Staten en de Scandinavische landen, waar de eugenetica voortvarend ter hand werd genomen. Koploper was de Verenigde Staten, waar tussen 1910 en 1935 meer dan honderdduizend personen als gevolg van lokale en federale wetten werden gesteriliseerd. In Europa waren het aanvankelijk vooral de Scandinavische landen waar gedwongen onvruchtbaarmaking plaats vond, met Zweden als koploper, waar zestigduizend gedwongen sterilisaties werden verricht. De redenen om hiertoe over te gaan waren arbitrair, maar raakten met name de onderklasse. In Noorwegen was drankzucht, ziekte of werkloosheid van de echtgenoot al genoeg om gedwongen te worden gesteriliseerd. In Engeland, de bakermat van de eugenetiek, werd gedwongen negatieve eugenese nooit in wetgeving werd vastgelegd.De vatbaarheid voor eugenetische denkbeelden werd sterk beïnvloed door religie. Wetgeving met betrekking tot eugenetica kwam vooral tot stand in de geïndustrialiseerde protestantse landen. Daar waar de katholieke kerk veel invloed had, werd eugenetische wetgeving over het algemeen buiten de deur gehouden. Dit zeker nadat de plaatsvervanger van God op aarde, in de persoon van paus Pius XI, negatieve eugenese in 1930 verboden had in de Encycliek die in het Nederlands de naam Over het Christelijk Huwelijk kreeg.

De opkomst van de eugenetische beweging in Duitsland was sterk beïnvloed door de Anglo-Amerikaanse beweging, waarmee ook nauwe banden bestonden. Toen Hitler in 1933 de macht in Duitsland greep, volgde hij het Noord-Amerikaanse voorbeeld nog hetzelfde jaar met het afkondigen van de sterilisatiewetten, waartoe hij op de partijdag in Neuremberg in 1929 al profetisch had opgeroepen met de woorden: “Würde Deutschland jährlich eine Million Kinder bekommen und 700.000 bis 800.000 der Schwächsten beseitigt, dann würde am Ende das Ergebnis vielleicht sogar eine Kräftesteigerung sein.”Onder invloed van de Duitse beweging kwamen ook Zweden en Denemarken (1934), Finland (1935) Estland (1936) en Ijsland (1938) hierna tot het legaliseren van onvrijwillige sterilisatie. De eugenetische beweging in Engeland was vooral gericht op de stedelijke arbeidersbevolking, die zich hiertegen echter vanwege haar politieke macht kon verweren. Anders was dit in de Verenigde Staten, Canada en Duitsland, waar niet de arbeiders mikpunt waren, maar waar eugenetiek een sterk racistische inslag had. In Noord Amerika moesten vooral degenen het ontgelden die in het buitenland geboren waren. Vanwege eugenetische motieven werd hier in 1924 daarnaast ook nog de Immigration Restriction Act aangenomen, die de immigratie vanuit het zuiden en Oosten van Europa moest tegengaan. In Duitsland was vooral de joodse bevolking het slachtoffer. Vanwege de Oost-Europese afkomst die ze vaak hadden, konden ze door de eugenetische wetgeving vaak niet naar de Verenigde Staten vluchten.

Eugenese en de rassenleer
De meest vernietigende vorm van eugenetica kwam uiteindelijk tot stand in Nazi-Duitsland. Hier werden eugenetische denkbeelden gecombineerd met de rassenleer en een naar wens geïnterpreteerde oproep van Nietzsche om een Übermensch te vormen. De categorie “ongeschikten” werd hierdoor uitgebreid tot de hele wereldbevolking minus het zogenaamde “Noordras”.
De rassenleer, een interdisciplinaire pseudo-wetenschap, ook wel bekend onder de naam antroposociologie, ging uit van de veronderstelling dat de verschillende menselijke rassen sterk van elkaar verschilden. Dit zonder gebruik te maken van een al te precieze definiëring van het begrip ras. Vrijwel zonder uitzondering kwamen de auteurs die zich ermee bezig hielden tot de conclusie dat het eigen ras superieur ten opzichte van andere rassen was, iets wat ook in het begin van de Twintigste Eeuw al veel aanstoot gaf. De vervaardigers ervan waren veelal afkomstig uit kringen van teleurgestelde liberalen die op zoek waren naar nieuw houvast. De oorzaak van de drang tot racistische zelfdefiniëring was wellicht een vrij algemeen ervaren gevoel van onthechting, dat in de zich snel veranderende maatschappij sterk werd ervaren. Dit zelfde gevoel zou velen hebben gedreven in de richting van verschillende nationalistische en christelijke bewegingen. Door deel uit te maken van een ras, werd de mens in plaats van een loszwevend individu te zijn, immers opgenomen in een nieuwe grote familiale gemeenschap.In Nazi-Duitsland kreeg deze verbondenheid een sterk uitsluitend karakter. Er werd hier dan ook grote ernst gemaakt met de sterilisatie van degenen die het Germaanse of Noordras met slecht bloed zouden infecteren. Hiervan verdacht werden gehandicapten, alcoholisten, achterlijken, Joden, Zigeuners, homoseksuelen, mensen van Slavische afkomst en andere sociaal en politiek ongewensten. Naar schatting zijn er tussen 1933 en 1939 tussen de drie- en vierhonderdduizend mensen in Duitsland om eugenetische redenen gesteriliseerd. Deze “Ballastexistenzen” waren veelal zwakzinnig. Vanaf 1939 werd de negatieve eugenese tot zijn extreme consequenties doorgevoerd en werd ook de natuurlijke selectie een handje geholpen. Dit resulteerde uiteindelijk ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in de stelselmatige en grootschalige massamoord op de ongewenste groepen. Protest uit Duitse wetenschappelijke kringen tegen de eugenetische praktijken van de Nazi”s was, zeker na 1933 slechts incidenteel aanwezig. De Duitse eugenetici hebben integendeel juist een belangrijke rol gespeeld in de totstandkoming van de racistische Nazi-doctrine. Biologen waren van alle wetenschappelijke beroepsgroepen zelfs het sterkst vertegenwoordigd in de Nazi-partij, SS en SA.

Rassenleer en eugenetica in Nederland
Terwijl de Nederlandse wetenschap aan het begin van de vorige eeuw sterk op Duitsland gericht was, vonden de ideeën van de eugenetische bewegingen in Nederland toch weinig ingang. De toepassing ervan, zoals die werd waargenomen in het buitenland, werd in ons land over het algemeen afgekeurd, met name wanneer deze was gekoppeld aan de rassenleer. Uit onderzoek van Vlaamse en Nederlandse historici blijkt dat ook het wetenschappelijk karakter van de raswetenschap in de Lage Landen zeer ter discussie werd gesteld. Zwartgallig gestemde historici, zoals Bouwman en vooral Johan Huizinga, in die tijd de belangrijkste historicus van Nederland, zagen in de opkomst van de rassentheorieën zelfs een belangrijk symptoom van het verval van de kritische rede. Zo merkte Huizinga in zijn weinig opbeurende analyse van maatschappij en wetenschap In de schaduwen van morgen uit 1935 over de rassenwetenschap op, dat men te doen had met
“een merkwaardig geval van een populaire leer, die langen tijd en tot voor kort volstrekt beneden den drempel van erkend en kritisch beproefd cultuurgoed was gebleven. Van den beginne af door de ernstige wetenschap als onhoudbaar afgewezen, had [de rassenwetenschap] haar bestaan gedurende meer dan een halve eeuw voortgezet in een sfeer van vooze romantiek, totdat zij plotseling door politieke omstandigheden op een voetstuk werd geplaatst, vanwaar zij thans wetenschappelijke waarheid durft dicteeren”.De schaarse bijval die er in Nederland wel voor de rassenleer viel te horen, was afkomstig uit kringen van Nazi-symphatisanten. Pas toen de Duitsers ons land binnen waren getrokken werd de verspreiding van de rassenleer als onderdeel van de Nazi-politiek ook in Nederland ter hand genomen. De uitvoering ervan werd door de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) verzorgd.Buiten deze gedwongen toepassing was er in de jaren daarvoor dus bijna geen waardering voor eugenetische maatregelen waar te nemen geweest. De wetenschap der erfelijkheid, als onderdeel van de biologie, was vooral na de herontdekking van de wetten van Mendel ook in ons land een gerespecteerd vakgebied geworden. Eugenetiek daarentegen, werd net als de rassenleer door het grote merendeel van de intelligentsia beschouwd als iets wat slechts zijdelings met wetenschap te maken had. Zeker waar het negatieve eugenese betrof waren er in de Nederlandse samenleving dan ook nauwelijks voorstanders van een actieve eugenetische politiek te vinden. Desondanks is er over het onderwerp wel veel debat gevoerd en is er tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog veel over geschreven. De meeste Nederlandse auteurs benaderden het onderwerp vanuit een gematigde invalshoek. Eugenetiek werd niet omarmd, maar ook niet met vuur bestreden. Zoals dr. A.C. Hagendoorn het in Het Nederlands tijdschrift voor geneeskunst in 1933 verwoordde, was eugenetiek voor de meesten “op zichzelf vrij onschuldig zoolang er voldoende verstandige, bezadigde menschen in een land zijn om dwaze sterilisatiewetten verre van ons te houden.” In zekere zin valt er een parallel te trekken met de neutraliteitspolitiek die Nederland in het interbellum voerde en die eveneens de uitdrukking was van de verregaande angst in enige zin stelling te moeten nemen. Als de mens al zou degenereren, dan zou de Lieve Heer eerder uitkomst bieden, dan dat de mens aan zich zelf zou moeten gaan sleutelen.Zo schreef Frederik van Eeden bijvoorbeeld in 1921 in zijn dagboek:

“Alle soorten en geslachten zijn tijdelijk: gaan voorbij, sterven dus uit. Ook de mensch. Maar deze is [zich] bewust van [zijn] onsterfelijkheid en zoekt verlossing voor de fatale inzinking begint. Als dan de golf op zijn hoogste punt is, dan vormt de mens een brug als de reegenboog en zijn verlosser wijst de uitweg. Doet hij den sprong niet, dan zinkt hij met het ontaardende geslacht weer neer en sterft met het geslacht uit.” Terwijl de beweging tot verbetering van het menselijk ras in zijn algemeenheid dus niet voor al te heftige reacties zorgde, riep de gedwongen sterilisatie die bij negatieve eugenese hoorde bij veel auteurs wel grote weerstand op. In de bundel Erfelijkheid en Rasvorming uit 1938 bijvoorbeeld, werd gedwongen sterilisatie van zwakzinnigen door de auteurs gelijk gesteld aan een “genetische ketterij die tenvolle den naam der kwakzalverij verdient.” De Utrechtse promovendus Westerbeek van Eerten noemde negatieve eugenese in zijn dissertatie uit 1920 een “valsche leer”. Zoals Huizinga in de rassenleer een symptoom van cultureel verval zag, zo nam van Westerbeek van Eerten het eugenetisch streven waar als “een teken des tijds. Dit streven is een manometer, dat er iets niet in de haak is” en men moest dan ook ver blijven van “de voorbarige eugenetische wetten, en wetsvoorstellen, die de maatschappij nog meer zullen doen ineenstortten”.Wat de auteurs van de tijdschriftartikelen en monografieën over het onderwerp veelal gemeen hadden, was de afwijzing van negatieve eugenetica als een ongeoorloofde inmenging van de overheid in de individuele sfeer. De idee van afwezigheid van individuele keuzevrijheid ten aanzien van voortplanting werd in ons land algemeen afgewezen als een vorm van staatsterreur, waarbij veelvuldig misprijzende verwijzingen naar de Duitse situatie werden gemaakt. De afkeer van eugenetische maatregelen werd in Nederland door zowel het socialistische, katholieke als protestante volksdeel beleden. Terwijl de pauselijke afwijzing van eugenetica sommige protestanten in de Verenigde Staten had gesteund in hun overtuiging dat eugenetica rationeel en vooruitstrevend was (katholieken waren in hun optiek immers bijgelovig en reactionair) leek deze motivering in Nederland geen rol van betekenis te hebben gespeeld.

Dit betekende echter niet dat opgelegde onvruchtbaarmaking in Nederland niet plaatsvond. Uit een onderzoek onder alle psychiaters en chirurgen in Nederland, waarvan in 1935 verslag is gedaan door dr. J. Sanders, bleek dat de respondenten elf mannen met castratie behandeld hadden, waarvan er zeven om redenen van seksuele “abnormaliteit” als exhibitionisme, onzedelijk handelen met kleine meisjes, polymorphe perversiteit, satyriasis en homoseksualiteit”. Alhoewel het hier om schijnbare vrijwilligheid ging, werden “seksueele misdadigers” soms voor de keuze gesteld tussen onvruchtbaarmaking enerzijds en gevangenisstraf of ter beschikkingstelling van de Regering anderzijds. Tot in de jaren veertig zou castratie als laatste behandelmiddel van mannen met afwijkend seksueel gedrag worden toegepast. Alhoewel deze voorbeelden in het interbellum veelvuldig bediscussieerd werden in het eugenetisch debat, was er hier toch geen sprake van negatieve eugenese. Het doel van de behandeling was niet het voorkomen van de geboorte van minderwaardige nakomelingen, maar het beschermen van de andere leden van de maatschappij. De opvattingen van een enkeling buiten beschouwing gelaten, kunnen we dus constateren dat eugenetiek in Nederland een uitsluitend hypothetisch karakter had, waarbij er sprake was van een grote weerzin tegen daadwerkelijke eugenetische maatregelen.

1 Reactie op Charles Darwin en de eugenetische beweging

Geef een reactie

Schrijf je in voor TOEN!