Donderdag 17 mei 2012
Histocasa | Contact | Colofon
China en de Nederlanders  

chinaendenederlanders.jpg‘China en de Nederlanders. Geschiedenis van de Nederlands-Chinese betrekkingen 1600-2007/2008′ (2007 volgens de kaft, 2008 volgens het titelblad) is een heruitgave van de studie ‘Tribuut aan China’ die prof. Blussé (sinoloog en historicus) in 1989 schreef naar aanleiding van het voorgenomen koninklijk bezoek van koningin Beatrix aan China. De studentenoproer op het Hemelse Plein gooide toen echter roet in het eten. Het voorgenomen bezoek kon pas in 1999 daadwerkelijk plaatsvinden.

Aan de twaalf hoofdstukken van Blussé zijn nog vier hoofdstukken van Floris-Jan van Luyn (journalist, filmmaker en voormalig correspondent in China) toegevoegd die een overzicht geven van de periode 1989-2008.

Het eerste, lange deel van de hand van Blussé (200 pag.) geeft een uitvoerig en gedetailleerd overzicht van de (handels)betrekkingen tussen Nederland en China.
De Enkhuizer ‘Dirk China’ was in 1584 de eerste Nederlander die China bezocht. Van meet af aan waren er grote cultuurverschillen, maar was er ook bewondering voor elkaar. Voor de Chinezen waren de Nederlanders ‘roodharige barbaren’ (Holland werd Helan, ‘het land der roodharige barbaren’) die ze desondanks in hun zakendoen bewonderden, gezien het volgende Chinese gezegde uit de achttiende eeuw: ‘Alle vreemdelingen zijn blind in het zakendoen, de Hollanders hebben slechts één oog, maar de Chinezen beschikken er over twee’.

Die fascinatie was overigens wederzijds. In Nederland (en elders in Europa) was China lange tijd in de mode. Thee en porcelein kwamen in grote getale naar Nederland. Het gezonken schip Geldermalsen (in 1986 herontdekt) vervoerde alleen al 239.000 stuks porcelein en 687.000 pond thee!
De Chinese invloed zagen we ook terug in de huizen. De Chinese kamer in Huis ten Bosch getuigt daar nog steeds van.

Blussé kijkt niet alleen naar de betrekkingen met de Chinezen in China, maar besteedt ook uitvoerig aandacht aan de betrekkingen met uitgezwermde Chinezen elders op de wereld, met name in Nederlands-Indië. Op gegeven moment maakte de Chinese bevolkingsgroep de helft van de bevolking van Batavia uit. De belastingen die de Chinezen in Batavia aan de Hollanders moesten betalen, maakte de helft van de jaaromzet uit.

De gedetailleerdheid van de verhalen en de vele prachtige afbeeldingen ten spijt komt het eerste deel van ‘China en de Nederlanders’ toch een beetje braaf over. Hoe anders is het tweede, kortere deel (38 pag.) van de hand van Van Luyn. Dit deel heeft vaart en kracht; dat zie je al aan de titels van de hoofdstukken (‘De schrik’, ‘De afkoop’, ‘De herijking’ en ‘De omarming’). Bij Van Luyn valt eindelijk het woord waarop je als lezer al lang zit te wachten en dat het eerste bij je opkomt als je aan het China van nu denkt: ‘mensenrechten’ (op pag. 221). In slechts enkele zinnen weet Van Luyn duidelijk te maken dat Nederlandse pogingen om de betrekkingen met China te laten verlopen op basis van ‘het gewraakte m-woord’ (zoals van Luyn de mensenrechten op pag. 234 noemt) gedoemd waren te mislukken. Elke verwijzing naar de mensenrechten werd door China meteen afgestraft door het teniet doen van handelscont(r)acten. Van Luyn maakt duidelijk dat China feilloos door heeft dat de koopman het in Nederland nog altijd wint van de dominee. Het enige dat je Van Luyn kunt verwijten is dat hij de mensenrechten in relatie tot de Olympische Spelen wel heel kort afdoet (één krappe pagina). Daar hadden we graag een wat diepgaandere analyse van gezien.

Over het geheel genomen mag toch worden geconcludeerd dat ‘China en de Nederlanders’ een aanwinst is voor de boekenkast een ook voor niet-historici interessante lectuur.

China en de Nederlanders, Uitgeverij Walburg Pers
ISBN: 978.90.5730.545.0
€ 29,95 – 256 pagina’s

Bookmark and Share
Meer artikelen door Harry de Ridder: