Column: Tjalie Robinson, 1+1=3

Logo van Tjalie Robinson introSommige data horen van nature bij elkaar. Wanneer er op 15 augustus 1945 door de capitulatie van Japan ook in het vroegere Nederlands-Indië een einde komt aan de Tweede Wereldoorlog, is het ook al bijna 17 augustus 1945.Sommige data horen van nature bij elkaar. Wanneer er op 15 augustus 1945 door de capitulatie van Japan ook in het vroegere Nederlands-Indië een einde komt aan de Tweede Wereldoorlog, is het ook al bijna 17 augustus 1945: de dag waarop Soekarno en Hatta de Republik Indonesia uitroepen. En wanneer Marion Bloem dit jaar op 15 augustus bij het Indisch Monument in Den Haag haar voordracht houdt, kan het nauwelijks toevallig genoemd worden dat zij dan de presentatie van haar nieuwe roman Vervlochten grenzen net achter de rug heeft. De rode draad daarin is het verhaal van een vroegere KNIL-militair, die het op zijn sterfbed betreurt dat hij zestig jaar geleden niet gekozen heeft voor de onafhankelijkheid van het land waar hij is geboren.

In mijn hoofd begint de geschiedenis nu terug te gaan naar de laat-koloniale periode, waarin de Nederlandse gezagsdragers, behalve met door de communisten van de PKI en de nationalisten van de PNI aangemoedigde opstanden, ook te maken kregen met de gevolgen van de wereldwijde economische crisis. Dan doemen er in mijn hoofd episodes uit latere jaren op, ook doordat er in de kring van vrienden en bekenden nog steeds herinneringen voortleven aan de beruchte ‘Jappenkampen’, aan de politionele acties van 1947 en 1948, aan de problemen rond de repatriëring, aan het lot van de Molukkers. En in toenemende mate begin ik mij af te vragen hoe het allemaal geweest moet zijn voor iemand die dit hele tijdperk zelf heeft meegemaakt. Wat overkwam je alleen maar? Wat heb je zelf gewild en besloten? Welke houding heb je toen en toen aangenomen? En wat vond je daar later van?

Opeens vraagt mijn zoontje: ‘Pappa, wat zit jij te doen?’ ‘Ik zit een beetje te piekeren,’ antwoord ik. ‘Wat is dat: piekeren?’ ‘O, een beetje nadenken.’ Maar eigenlijk klopt dat antwoord niet helemaal. Op momenten dat je heel gelukkig bent, pieker je bijvoorbeeld nooit. Je begint er pas mee als je je iets gaat afvragen, als je ergens over inzit, als je naar houvast zoekt. En dat woord piekeren: kwam dat niet uit het Maleis? Ja, zegt mijn grote woordenboek op die kleine cd-rom: pikir = overleggen, overdenken. Maar dan blijkt pikir op zijn beurt via de Koran ooit ontleend te zijn aan het Arabische fikr. Ja, de geschiedenis zit overal.

Logo van Tjalie RobinsonIneens heeft mijn innerlijke lift nu eindelijk de gezochte etage bereikt: de Piekerans van een straatslijper. Van die vroeger drukgelezen, zowel verhalende als mijmerende schetsen van Tjalie Robinson heb ik er vroeger een aantal gelezen. En die Tjalie Robinson, die onder de naam Vincent Mahieu ook zulke prachtige verhalen heeft geschreven, maar officieel Jan Boon heette en leefde van 1911 tot 1974, heeft die hierboven slechts globaal aangeduide hoofdstukken uit de Indisch-Nederlandse geschiedenis allemaal heel bewust en van dichtbij meegemaakt. En over hem heeft de historicus Wim Willems in 2008 een bijna 600 pagina’s tellend en onlangs weer herdrukt boek gepubliceerd: Tjalie Robinson. Biografie van een Indo-schrijver.

Ademloos heb ik in die veelomvattende studie zitten lezen en er toen ook de Vincent Mahieu-verhalen en de verschillende piekerbundels weer bij gepakt. Het leven in Indië en later in Indonesië, in Nederland, in de Verenigde Staten en daarna opnieuw in Nederland. Gevoelens van heimwee, weemoed, onzekerheid en verontwaardiging, een sterke levensdrang en een niet aflatende strijdbaarheid, een afkeer van westers én oosters nationalisme, – nee, zo’n oeuvre is niet samen te vatten. Het thema waar het mij hier met name om gaat, hangt heel nauw samen met de omstandigheid dat Tjalie Robinson (zo noem ik hem nu maar) door zijn afkomst echt verstand had gekregen van het leven ín en tússen twee culturen. Met een Nederlandse vader en een van afkomst (deels) Indische moeder behoorde hij tot de zogenaamde indo’s; daardoor wist hij dus ook veel af van de ellende die gemakkelijk kan voortkomen uit etnische tegenstellingen en de meestal daaraan gekoppelde rang- en standsverschillen.

In zijn journalistieke werk en bij zijn andere activiteiten, waaronder het helpen opzetten van de Pasar Malam Besar, zette Robinson zich niet alleen in voor het behoud van het Indische erfgoed. Ook ging hij zich al meer en meer stelselmatig verzetten tegen de gedachte dat een ‘indo’ helaas voor de ene helft tot de ene en voor de andere helft tot een andere cultuur behoorde. In zijn ogen beschikten indo’s en andere mensen met ‘gemengd bloed’ niet over twee losse bagage-helften, maar over een dubbele bagage. En juist die eigen, zo bijzondere identiteit mochten zij in zijn ogen nóóit verloochenen. Want, formuleerde hij een keer kernachtig: ‘1+1=3.’ (Willems, p. 541).

Niet alleen door Willems zelf, maar ook door sommige recensenten is erop gewezen dat zo’n transnationale, kosmopolitische visie ook in onze eigen tijd weer actueel is, omdat veel landen nu immers te maken hebben met grote immigratiegolven en daardoor oplopende spanningen tussen verschillende bevolkingsgroepen. Misschien dat het jeugdcongres Twee culturen op een kussen, dat op 6 oktober 2009 in Amsterdam wordt gehouden, ook iets heeft aan de mooie rekensom van Tjalie Robinson, die het winnen van een jackpot onbelangrijk maakt.

Ick Sing

Tekening uit: Wim Willems Tjalie Robinson. Biografie van een Indo-schrijver (Amsterdam, 4e druk 2009).

Geef een reactie

Schrijf je in voor TOEN!