Column: Aan de slag

Ministers en Kamerleden gaan niet alleen graag uitdagingen aan, maar willen ook voortdurend aan de slag gaan.

Ridder te paard, door Rik Poot, 1972 (Vlaams Parlement).

Ministers en Kamerleden gaan niet alleen graag uitdagingen aan, maar willen ook voortdurend aan de slag gaan. Als je met die trefwoorden in je hoofd gaat zoeken op het internet, vind je al gauw een paar honderd treffers of hits. Onmiddellijk zie ik dan allerlei ridders voor me, die hun harnas hebben aangetrokken en hun helm opgezet om te paard met hun lansen en zwaarden een persoonlijk duel uit te vechten of in groepsverband een vijandelijk leger het hoofd te bieden. Dat al die politici zo dikwijls dit ridderlijk gedrag vertonen, is niet vreemd voor mensen die bijna dagelijks vlakbij de ridderzaal vergaderen en maar een klein stukje hoeven te lopen om op het Tournooiveld terecht te komen. Ja, aan hun zorg voor de armen en zwakken ontbreekt wel eens iets, maar toch breken ze graag een lans voor iemand; bovendien gebruiken ze vooral in hun eigen ogen altijd steekhoudende argumenten en zijn ze heus niet gauw uit het veld te slaan. Soms moeten ze flink van leer trekken, maar het komt ook wel eens voor dat ze zonder slag of stoot hun zin krijgen. Daar staat dan tegenover dat ze af en toe iets in hun schild lijken te voeren of een beetje over het paard zijn getild. Bovendien moeten zij bijna allemaal wel eens hun blazoen oppoetsen.

‘Ik geloof er niks van dat de uitdrukking aan de slag gaan uit de ridderwereld stamt,’ zei een altijd tegensprekende collega tegen me toen ik hem en mijzelf na het werk op een biertje trakteerde. Maar wat dan wel de herkomst daarvan was, wist hij natuurlijk niet. Dus ging ik de volgende dag zelf in de bibliotheek zitten zoeken. Er stond een heel rijtje naslagwerken op het gebied van spreekwoorden en uitdrukkingen op de vierde verdieping en dus begon ik koortsachtig te bladeren, meestal tevergeefs. Maar wat stond er in Van Dale’s Idioomwoordenboek? ‘In deze uitdrukking betekent slag waarschijnlijk armslag, armbeweging. Toen de uitdrukking ontstond, was immers vrijwel alle arbeid handenarbeid.’ De twijfel begon helemaal aan me te knagen, toen Jenny van der Toorn-Schutte mij in haar overzichtelijke boekje Verhaal halen uitlegde dat ambachtslieden in lang vervlogen tijden ’s morgens al vroeg in hun winkel aan de slag gingen en dat hun armslag de ruimte was die zij beslist nodig hadden om de gewenste bewegingen voor hun handenarbeid te kunnen maken. Daar zat ik dan. Geen woord over de ridders op wie ik als kind al zo jaloers was geweest, omdat ze soms van een hartveroverende jonkvrouw een pluim op hun hoed of hun helm kregen.

Toen ik terneergeslagen naar het Centraal Station van Rotterdam liep, zag ik ineens een bordje staan dat de weg wees naar de waterbus. De waterbus, ja, daar had ik wel eens van gehoord. Kon je daarmee niet over de Merwede varen, eventueel helemaal tot aan Dordrecht? Dat leek me wel iets voor mijn zoontje, die nog steeds kapitein wilde worden. Ik leefde helemaal op, vooral toen bij het avondeten bleek dat zijn zusjes ook dolgraag mee wilden. En dus gingen wij in het weekend samen op reis, met een paar pakjes sultana’s en vier blikjes chocomel in een plastic tasje en onze OV-chipkaarten stevig in de hand. De waterbus was niet moeilijk te vinden en al gauw konden wij dus op die grote, overdekte boot stappen die om het halfuur vertrok. De zon scheen en tegelijkertijd waaide er een stevige wind, zodat wij op het open achterdek als echte zeelieden zachtjes op de golven heen en weer stonden te wiegen.

Bij iedere halte stapten er mensen in en uit. En toen we tot mijn verrassing bij het plaatsje Ridderkerk aankwamen, was ook ik niet meer te houden. ‘Jongens’, riep ik opgewonden, ‘mag pappa even naar die kerk van de ridders gaan kijken?’ Dat vonden m’n kinderen goed, want ook zij hielden erg van ridders en speelden graag allerlei spelletjes met hen op hun computer. Maar wat een tegenvaller… Ja, Ridderkerk is heus een mooi oud stadje, dat vaak tegen het water heeft moeten vechten en daardoor in de loop van de tijd een beetje is opgeschoven. Maar die plaatsnaam had niks met ridders te maken, behalve dan dat Sint Joris met de draak een soort patroonheilige van de kerk was. Nee, ooit had Ridderkerk Riederkercke geheten en ried betekende naar alle waarschijnlijkheid riet en leek dus te verwijzen naar een rieten kerk of een kerk met een rieten dak. Alweer naar alle waarschijnlijkheid.

Toen ik mijn kinderen geld had gegeven om ijsjes te halen, bleef ik met mijn kin op mijn vuisten zitten peinzen. Wat was dat toch tussen mij en die ridders. Overal ving ik bot en dat was vast geen heerlijke vis. Ineens wilde ik tot geen prijs meer een minstreel worden om in de nieuwe middeleeuwen uit naam van een dappere en edele ridder, die ik dan natuurlijk stiekem zélf was, prachtige hoofse liederen voor een gedroomde jonkvrouw te zingen. Thuis ging ik direct mijn lier aan de wilgen hangen. Mijn naam officieel laten veranderen, was jammer genoeg te moeilijk en vooral ook veel te duur.

Ick Sing.

1 Reactie op Column: Aan de slag

  • liesbeth schreef:

    Het is een paar jaar te laat, maar ik zocht ook, en ook vergeefs, en kwam zo aldus bij u uit, hier, omdat ik bij ” aan de slag gaan” meteen aan mijn nieuwste hobby denk: maaien met de zeis!!!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Schrijf je in voor TOEN!