|
Column: Antilliaans heimwee |
|
Altijd als de Kamerleden met reces gaan ‒ wat heus niet zomaar hetzelfde is als op of met vakantie gaan! ‒ begin ik met het bijwerken van de lijstjes van hun specifieke taalgebruik. Eerst maar eens de rubriek ‘Alles dubbel zeggen’ aanvullen. Helaas. Mijn enige nieuwe vondst is de publieke openbare ruimte. Eens kijken of ik die nog een plaatsje kan geven in een van mijn verzamelzinnen. Mevrouw de Voorzitter, ik wil hier nogmaals herhalen dat er ‒ ook als ik voorbijga aan de al door mijn medecollega’s genoemde kleine details en mij hier dus beperk tot de grote hoofdlijnen ‒ toch sprake blijft van een moeilijk dilemma, zelfs als wij ons niet meer verschuilen achter valse voorwendsels en ook de aantasting van de openbare publieke ruimte als een mogelijke optie zien. Gelukt! Alleen jammer dat de boezem in eigen zak steken tot een andere rubriek behoort. Plotseling krijg ik een flits van zelfinzicht. Waar ben ik in godes- en in vredesnaam mee bezig. Ik moet er hoognodig eens een tijdje tussenuit, liefst naar een eiland. Onmiddellijk begint de hele wereldbol aan mijn geestesoog voorbij te draaien. De Balearen, de Hebriden, de Nicobaren of… ja, natuurlijk, de Antillen! Maar bij die eilandengroep krijg ik ineens een heel raar heimwee-achtig gevoel. Het heeft inmiddels in alle kranten gestaan: ook de Eerste Kamer heeft er op 6 juli mee ingestemd dat de Nederlandse Antillen met ingang van 10-10-2010 niet meer als apart land binnen het Koninkrijk der Nederlanden zullen bestaan. Vanaf die datum moet je dus gaan proberen te onthouden welke eilanden (naast Aruba) op zichzelf een land binnen dat Koninkrijk vormen en welke eilanden een bijzondere Nederlandse gemeente zijn geworden. Tja, om die nieuwe situatie echt te doorgronden moet je eerst een schriftelijke cursus staatsrecht gaan volgen. Maar hoe dan ook: de Nederlandse Antillen verdwijnen. Waar heb ik vroeger toch gelezen dat het de Portugezen geweest zijn die de toen nog hypothetische eilanden aan de andere kant van de wereld ooit hebben aangeduid als de Antilha’s, wat eilanden aan de horizon zou betekenen. Mooier kon het niet vind ik nu nog steeds. Eilanden aan de horizon, ergens ver weg aan de overkant… Van het allesomvattende gelukzaligheidgevoel dat daar te vinden moet zijn, kun je maar het beste levenslang op je eigen modderige kuststrook blijven dromen. Pas als je tijd hier op aarde er bijna opzit, dán mag je stilletjes en voorgoed wegzeilen naar het eiland der gelukzaligen, evenals de Kelten en andere oude volkeren dat ooit gedaan lijken te hebben. Vertrek je eerder, dan heeft het woordenboek van Van Dale gelijk. Een geluk(s)zoeker is iemand die zich met alle (ook oneerlijke) middelen fortuin en aanzien tracht te verwerven. En hoe vreselijk anderen onder dat gelukzoeken hebben moeten lijden valt goed na te lezen in de rijk geïllustreerde Geschiedenis van de Antillen die Leo Dalhuisen en zijn collega’s vorig jaar hebben laten verschijnen. Toen allerlei Europese volkeren zich in het botenspoor van Columbus en de zijnen met de Grote en Kleine Antillen gingen bemoeien, sloeg de hebzucht onmiddellijk toe. Zout was veel geld waard en goud natuurlijk nog veel meer. En toen het gezochte Oost-Indië ten slotte West-Indië werd genoemd, lagen speurtochten naar kostbare specerijen en vruchtbare plantagegronden eveneens voor de hand. Bij het zoeken naar goedkope arbeidskrachten kwamen ook de Kleine Antillen al gauw in beeld. Zo begonnen de Spanjaarden rond 1515 bijvoorbeeld indiaanse bewoners van toen nog weinig beloftevolle eilanden als Aruba, Bonaire en Curaçao naar Hispaniola te transporteren. Daarmee was de rode slavernij dan echt begonnen, ook al leidde dat wel eens tot protest bij sommige missionarissen, die zich graag neerbogen om aan oude en nieuwe inboorlingen het verschil tussen geloof en bijgeloof uit te leggen. De situatie werd er zeker niet beter op toen een eeuw later ook Hollanders en Zeeuwen verschillende Boven- en Benedenwindse Eilanden op de Spanjaarden veroverden en de West-Indische Compagnie ook daar steeds actiever werd. Het mensonwaardige verhaal is al vaak verteld: ook op de Kleine Antillen begon nu de zwarte slavernij een alledaags verschijnsel te worden. En de Arabische handelaren die aan de West-Afrikaanse kust slavenmarkten organiseerden, zagen hun nieuwe Nederlandse klanten graag komen. Ja, in 1863 werd de slavernij in de West-Indische koloniën officieel afgeschaft, maar daarmee was de ellende voor de gemengde inheemse bevolking natuurlijk nog lang niet voorbij. En wat te denken van de gevolgen die de komst van de grote olieraffinaderijen vanaf 1914 voor eilanden als Curaçao en Aruba begon te krijgen. Zelfs het nog weer later opkomende massatoerisme is op z’n minst omstreden gebleven. Zijn de Antillianen misschien op hun beurt ook wel eens gaan dromen van gelukseilanden aan een verre horizon? Ineens moet ik denken aan de dichtregels die de stamvader van de Antilliaanse literatuur, Cola Debrot, ooit heeft geschreven. ’t Wordt mij droef te moede, Ik loop nu zelf maar even naar mijn eigen kust toe om tegen de horizon tot ziens te zeggen. Ayo! Te aki ratu! Ja, ik houd van je. Mi ta stimabo! Ick Sing Meer artikelen door Redactie Historiën:
|
|
|
|
|
| |