Vorige week heb ik mij verdiept in het tegelijkertijd oude en nieuwe boek van F. Springer, getiteld Met stille trom. Eigenlijk had dat al in 1963 moeten uitkomen, een jaar nadat de auteur zelf was teruggekeerd uit het toenmalige Nieuw-Guinea.
Ook dit jaar hebben de media zich in mei weer beziggehouden met verhalen en beschouwingen rond de Tweede Wereldoorlog. Vaak keerde daarbij ook de vraag terug in hoeverre het voorbeeldig of juist erg afkeurenswaardig was geweest wat we toen gedaan en nagelaten hadden. Als je zo’n periode zelf niet hebt meegemaakt, vind ik dat woordje we vaak een beetje raar klinken. Ik kan me wel voorstellen dat je je achteraf sterk betrokken voelt bij het vroegere doen en laten van je ouders of andere naaste familieleden, maar in een overgeërfde collectieve verantwoordelijkheid geloof ik toch niet erg.
Wel betrap ik mezelf er nogal eens op dat ik mij bij het lezen over inmiddels al lang vervlogen tijden afvraag wat ik zelf gedaan zou hebben in een vroegere situatie én wat ik daar dan later, bij nader inzien, van zou vinden. Stel dat ik mij bijvoorbeeld in de loop van het jaar 1914 samen met een paar avontuurlijke vrienden had aangemeld voor het Vreemdelingenlegioen en een paar maanden later onverhoeds midden in de Eerste Wereldoorlog terecht was gekomen, zodat ik tijdens een steeds zinlozer loopgravenoorlog al schietend en schuilend de meest gruwelijke ervaringen had opgedaan. Hoe zou ik me dan voelen als ik daarna op 11 november mee mocht lopen over de Champs-Elysées, met een lapje voor m’n rechteroog en een medaille op m’n borst? En wat zou ik allemaal denken als ik jaren later op m’n eentje mijn aantekeningen uit die tijd nog eens zou overlezen?
Vorige week heb ik mij verdiept in het tegelijkertijd oude en nieuwe boek van F. Springer, getiteld Met stille trom. Eigenlijk had dat al in 1963 moeten uitkomen, een jaar nadat de auteur ‒ die eigenlijk C.J. Schneider heet ‒ zelf was teruggekeerd uit het toenmalige Nieuw-Guinea. Maar ofschoon hij de drukproeven al in huis had, zag hij ineens toch af van publicatie. Pas in 2011, een jaar voor zijn overlijden, kwam hij terug op dat vroegere besluit. Nadat hij zijn oude manuscript enigszins had bewerkt en er een voorwoord bij had geschreven, mocht een nieuwe uitgever zijn boek alsnog laten verschijnen: nu met de ondertitel Een journaal.
Toen ik begon te lezen, was ik zelf ook ineens tegen het einde van de jaren vijftig een bestuursambtenaar geworden in een laat ontdekt en afgelegen gebied in het midden van het toenmalige Nederlands Nieuw-Guinea. Wat een gedoe was het daar. Ja, het was duidelijk dat de Nederlanders zich, onder druk van Soekarno en de zijnen, binnenkort zouden moeten gaan terugtrekken uit het laatste gedeelte van het vroegere Nederlands-Indië waar zij het nog voor het zeggen hadden. Maar toch. Gedoe rond een collega die een inlander had afgetuigd, slechte verbindingen met Hollandia en het moederland, een tekort aan geld en middelen, de dreiging van een stiekeme liefdesaffaire, wrijvingen tussen de ambtenaren onderling, concurrentie tussen een dominee en twee paters bij het verkondigen van hun eigen christelijk geloof, problemen met het inlandse personeel, bezoek van Zwitserse bergbeklimmers. En terwijl er vaak berichten binnenkwamen over Indonesische infiltratiepogingen, laaiden de stammentwisten tussen de plaatselijke bewoners steeds weer op. En was die cynisch commentaar leverende Amerikaanse antropoloog nu inderdaad een malloot of had hij groot gelijk bij het stellen van de vraag waar de Nederlanders eigenlijk het recht vandaan haalden om zich op allerlei manieren te bemoeien met een totaal andere cultuur dan die van henzelf. Maar, betoogde de resident dan weer, het bleef hoe dan ook de plicht van de Nederlanders ‘een oervolk op te heffen uit zijn oertijd’ en verder te helpen op de weg naar de beschaving en het gewenste zelfbeschikkingsrecht. En het was diep treurig dat zij binnenkort met hun mooie, zinvolle werk zouden moeten stoppen.
Pas toen ik Springers boek uit had, ben ik ook zijn voorwoord gaan lezen. Daar kreeg ik opnieuw een dubbel gevoel bij. Wat hij aan het begin van de jaren zestig en kort na zijn eigen vertrek uit Nieuw-Guinea in zijn eigen boek las, was ‘geen heroïsche, aangrijpende beschrijving van het drama der Papoea’s die zo abrupt de Hollandse, vaderlijke arm om hun schouders moesten missen’, maar niet veel meer dan ‘het luchtig schetsen van enig lokaal gekissebis tussen bestuursambtenaren, zendelingen, en nog wat rare vogels, en een enkele blote krijger met peniskoker en pijl-en-boog voor de coleur locale.’ Bovendien waren de belangrijkste personages al te gemakkelijk herkenbaar. Maar, wat vond hij jaren later, in 2011, bij het overlezen van zijn manuscript van dat vroegere besluit? ‘Ik had juist toen de kans moeten grijpen om het publiek te laten weten hoe wij op onze onooglijke bestuurspostjes verbeten onze plicht tegenover de aan ons toevertrouwde Papoea’s bleven doen, al hadden de grote buitenwereld en ook het moederland ons allang opgegeven.’ En bovendien had hij vroeger nooit de bedoeling gehad wie dan ook met zijn geschrijf belachelijk te maken.
Ik wist het niet meer, ik was ieder houvast kwijt. Gelukkig had ik zelf geen dagboeken en ook geen brieven van vroeger bewaard en was ik nu een echte zzp-er. Maar overpeinzingen kun je nooit buiten de deur zetten, ook niet als je steeds weer laat geboren bent in de geschiedenis.
Ick Sing
Meer artikelen door Redactie Historiën:- Slavernij. Een geschiedenis
- Huygenscollectie in de Koninklijke Bibliotheek
- Column: Een andere Huygens
- Nederlanders in Sint Petersburg
- Laatste eeuw van Indië
- Dordrecht op de Kaart
- Van Toen tot Nu Canon
- Erelijst van Gevallenen 1940-1945 digitaal monument
- P1500 Monster:Hitler’s supertank
- Hitler’s monstertank: de Landkreuzer P.1000 ‘Ratte’
No related posts.
Related posts brought to you by Yet Another Related Posts Plugin.
Vind ons ook hier: