Column: De oorlog is overal

Van de Boerenoorlog naar het Engelse kamp in Groningen en het Westbroekpark in Den Haag. Het zijn slechts kleine stappen in de nieuwe column van Ick Singh.

omslag Boer_en_BritHet boek De Boerenoorlog, waarmee Martin Bossenbroek verleden jaar de Libris Geschiedenisprijs heeft gewonnen, lag nog ongelezen op mijn bureau. Toch kon ik mijn portemonnee niet in mijn zak laten zitten, toen ik bij een antiquariaat had staan bladeren in een bloemlezing uit 2001, getiteld Boer en Brit. Ooggetuigen en schrijvers over de Anglo-Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Het bijzondere van de Nederlands- en Afrikaanstalige teksten die Ena Jansen en Wilfred Jonckheere hebben verzameld, is dat lezers nu van dichtbij kunnen navoelen hoe allerlei mannen en vrouwen indertijd vanuit uiteenlopende gezichtspunten en op een persoonlijke manier de Boerenoorlog hebben beleefd. Maar wat mijzelf vooral frappeerde waren de groepsgevoelens die rond 1900 ook in Nederland in brede kring ontstonden.

Dat de Boeren zich tijdens de laatste decennia van de negentiende eeuw steeds nauwer aaneen waren gaan sluiten toen de Britten vanuit de Kaapkolonie oprukten naar de Oranje Vrijstaat en Transvaal, zal niemand verbazen. En ofschoon ook de Boeren zich toen meer dan eens ernstig misdroegen, valt het ook gemakkelijk te begrijpen dat de gewelddadigheden van de Britten in veel landen vaak felle protesten opriepen. Dieptepunten waren vooral het met vee en al grondig vernietigen van een groot aantal boerenbedrijven  en het afvoeren van zo’n 100.000 vrouwen met hun kinderen en bedienden naar ruim 50 kampen, waar de levensomstandigheden zo slecht waren dat er in totaal zo’n 28.000 geïnterneerden stierven.

Sinds de tijd dat veel kolonisten zich in Zuid-Afrika waren gaan vestigen nadat Jan van Riebeeck in 1652 bij Kaap de Goede Hoop een verversingsstation voor Oost-Indiëvaarders had gesticht, waren de banden tussen Nederland en Zuid-Afrika op den duur steeds zwakker geworden. Ook tijdens de Eerste Boerenoorlog (1880-1881) overheerste in Nederland nog de onverschilligheid en werd er af en toe minachtend over ‘die Boeren’ gesproken. Maar terwijl de regering om politieke redenen steeds bleef proberen om een neutrale indruk te wekken, werden diezelfde Boeren tijdens de Tweede Boerenoorlog (1899-1902) vanuit een oplaaiend patriottisme ineens als ‘verwaarloosde stamgenoten gezien’, als ‘verre neven met geuzenbloed in de aderen’, als ‘behorend tot ons ras’. Nee, nu ‘vergat het Hollandsch hart zijn broeders niet meer’.

Zelfs de dichters die zich rond 1880 waren gaan verzetten tegen hun betogende en moraliserende voorgangers en zich hartstochtelijk bezig hielden met het tot uitdrukking brengen van bijzondere zintuiglijke schoonheidsemoties met soms ook een metafysische lading, werden opeens bevangen door de nieuwe groepsgevoelens. Zo dichtte Albert Verwey bijvoorbeeld:

De stam van ’t volk doe nu zijn blaadren ruisen
En vreugd voor ’t minst is ’t ritselen all’ tezaam.
Te lang in stilt hing elk voor zich alleen.

Eén bloed is ’t al, hier kronklend, daar aan ’t bruisen,
Eén taal is de onze en de onze eenzelfde naam –
Eén is ons voelen, zij ’t ook in geween.

Overal werden er acties gevoerd om de Boeren te steunen en zelfs de jeugdige koningin Wilhelmina probeerde via een persoonlijke brief haar hoogbejaarde Engelse collega Victoria ertoe over te halen te bevorderen dat die wrede oorlog zou stoppen. Over de lonkende goudmijnen en de handelsbelangen werd veel minder luid gesproken dan over de stamverwantschap.  En wie stond er bij stil dat allebei de oorlogvoerende partijen gebruik maakten van grote groepen agterryers ofwel zwart en bruin gekleurde ‘hulpkrachten’? Kennelijk moesten de zaken een beetje overzichtelijk blijven.

Steeds opnieuw leert de geschiedenis hoe funest de gevolgen kunnen zijn van een eenzijdig en in vele opzichten bijna blind groepsdenken. Zodra mensen op een gedreven manier over wij beginnen te spreken, staan zij daar al gauw als vijanden tegenover. Gewapende conflicten blijven dan meestal niet lang uit, er ontstaan oorlogen binnen één land, vaak ook oorlogen tussen verschillende landen en meer dan eens echte wereldoorlogen. Gelukkig rinkelde opeens de telefoon toen ik zat te luisteren naar de laatste berichten over de ontwikkelingen in de Oekraïne en de Krim. Een vriend van mij vroeg of ik zin had om ’s middags mee te doen met een groepswandeling in Den Haag. Direct haastte ik mij naar het station.

Geïnterneerde Engelse militairen op bezoek bij een Haagse bierfabriek. (Rechten betaald bij de Haagse Beeldbank.)

Geïnterneerde Engelse militairen op bezoek bij een Haagse bierfabriek. (Rechten betaald bij de Haagse Beeldbank.)

Nadat we eerst hadden rondgelopen in het bomenrijke Park Sorghvliet kwamen we terecht in het prachtige Westbroekpark met zijn beroemde rozentuin en allerlei sprookjesachtige beelden. Maar opeens wees onze zorgzame gids de resten aan van bunkers uit de Tweede Wereldoorlog, die deel hadden uitgemaakt van de lange Atlantikwall waarmee de Duitsers toen de West-Europese kust hadden willen afschermen. Daar schrok ik erg van. En het kon bijna geen toeval meer zijn dat zij een kwartiertje later ook nog vertelde dat er op datzelfde terrein tijdens de Eerste Wereldoorlog een kamp had bestaan, waar de naar het neutrale Nederland uitgeweken Engelse militairen wat had moeten rondhangen tot de oorlog voorbij zou zijn. Alleen af en toe mochten zij een uitstapje maken. Maar had ik een paar weken geleden niet ingetekend op een nieuw boek van WO I-kenner Menno Wielinga dat Het Engelse Kamp: Groningen 1914-1918 heette? Ja, de oorlog was echt overal, altijd weer. En toen ik van de gids een stukje sugarcane kreeg om lekker op te zuigen, schoot het mij onmiddellijk te binnen dat die lekkernij behalve in het vroegere Nederlands-Indië ook in Zuid-Afrika nog steeds erg geliefd is.

Ick Sing

Schrijf je in voor TOEN!