|
Column: Historisch besef |
|
Het was een gedachtesprong, maar ineens stond ik tijdens het varen als leraar geschiedenis voor een klas met daarin ook veel leerlingen van buitenlandse herkomst. Ik raakte even met hen aan de praat, buiten alle projecten, zelfwerkzaamheden en groepstaken om. De aanleiding was de vraag waarom er behalve in Amsterdam ook in Zeeland een monument was opgericht om de slavernij te herdenken. Men was het er direct roerend over eens dat de Hollanders en de Zeeuwen zich vroeger schandelijk hadden gedragen door vanuit Afrika vele duizenden slaven naar de andere kant van de oceaan te transporteren, waar ze dan dwangarbeid op een plantage moesten gaan verrichten. Ik kon nu wel les gaan geven over de slavernij in de oudheid, maar misschien was het beter – nog steeds in mijn lerarenfantasie – een brug te slaan naar de actualiteit. Doordat een PowerPoint-presentatie uiteraard een fluitje van een cent voor mij was, liet ik aan de hand van een kaart uit een historische atlas zien hoe de situatie in het Midden-Oosten er bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog had uitgezien. Ja, het zieltogende Ottomaanse Rijk was toen veel groter dan het huidige Turkije en had het officieel voor het zeggen in steden als Bagdad, Beiroet, Damascus, Jeruzalem, Amman, Gaza en ook Mekka en Medina. Na 1918 voerden de Fransen en de Britten een tijdlang het mandaat over de gebieden die zij op de Turken hadden veroverd. Wie de huidige oorlog in de Gazastrook een beetje wilde begrijpen, voegde ik daaraan toe, moest eigenlijk ook weten op welke oude beloftes zowel de Israëli’s als de Palestijnen zich nu al bijna negentig jaar lang beriepen. Wie waren trouwens ooit allemaal oorspronkelijke bewoners van die gebieden geweest? En welke beroemde veldheren hadden in de loop der eeuwen, met hun wapenrusting nog aan, wel eens in Gaza overnacht? Wat ik ook kon doen was een stukje vertonen van een documentaire uit 1936, waarop je mannen en vrouwen ’s morgens vroeg naar hun werk zag gaan, meestal lopend of op de fiets. Wat dan direct opviel, was dat alle mannen toen ofwel een hoed ofwel een pet op hadden en dat alle vrouwen ofwel een hoed ofwel een hoofddoek droegen. Niet de godsdienst, maar rangen en standen bepaalden hoe je je hoofd bedekte. En natuurlijk hadden vrouwen toen nog geen broek aan, al moesten veel arbeiders wél eerst thuis hun loonzakje afgeven voordat zij in het café glaasjes jenever gingen zitten drinken. Terwijl ik zo had zitten dagdromen, had de rondvaartboot inmiddels de Mauritskade bereikt, die ook al ooit aan de rand van de stad gelegen bleek te hebben. ‘Ik zeg geen nee, tegen een nieuwe uitdaging in het veld, maar het moet wel leuk blijven’, verklaarde laatst een bekende prinses. Tja, ‘in het veld werken’ is vooral buiten het boerenbedrijf erg in zwang geraakt en ‘uitdagingen’ zijn nu populairder dan in de riddertijd. Bovendien moet je in ieder interview zeggen dat je je werk ‘heel leuk’ vindt en ook iedere opleiding dient allereerst ‘leuk’ te zijn. Geschiedenisleraren hebben gelukkig wel iets anders aan hun hoofd. Steeds als zij een goede ingeving krijgen, kunnen zij hun leerlingen immers een beetje historisch besef bijbrengen. Ineens krijgen die dan meer inzicht in hun eigen situatie en hun eigen opvattingen, plotseling zijn veel zaken niet zo vanzelfsprekend meer voor hen en neemt het relativerende begrip voor anderen toe. Iedereen komt wel een keertje aan de beurt en wordt dan wellicht behalve boos ook nieuwsgierig. Kun je je als leraar iets mooiers voorstellen? Ick Sing Meer artikelen door Redactie Historiën:
|
|
|
|
|
| |