Column: Historisme?

VredespaleisIn een van mijn mappen had ik nog de tekst van een anoniem straatliedje uit 1913 zitten, waarvan het slot als volgt luidt: Zoo doen nu die heren, in ’t Vredespaleis. Ze kletsen en smullen en krijgen een prijs, medaille of lintje tot hunne eer, en roepen voor leuze: geen oorlog meer…

Toen ik laatst een eindje ging lopen en moedig even van het wandelpad afweek, was het ineens of ik langzaam weg begon te zakken. Wat gebeurde er toch… Was ik misschien in Het moeras van de geschiedenis beland? Ik had nooit aan dat verleden jaar onder die titel verschenen boek van Herman Paul moeten beginnen. Jarenlang was ik vast overtuigd geweest dat regels, normen, opvattingen en andere culturele verschijnselen op een of andere manier altijd weer producten van historische ontwikkelingen blijken te zijn, ook al geloof je dat in het heden zelf meestal niet. En dat was toch de essentie van het historisme? Herman Paul onthoudt zich van een mening daarover en beperkt zich voornamelijk tot het bespreken van de debatten die vanaf het begin van de twintigste eeuw over het historisme zijn gevoerd. Niet alleen blijkt die term dan uiteenlopende betekenissen te hebben bezeten, maar in verband met de geschiedenis vooral als waarschuwing tegen het relativeren van een wereldbeschouwing te hebben gefungeerd. Pas op, nog één stap verder en je komt in het moeras van de geschiedenis terecht. Nee, ik had tijdens mijn wandeling dat bordje niet zien staan. Waar kon ik mij nu nog aan vasthouden. Vloog er misschien boven mijn arme hoofd ergens een drone waarnaar ik kon zwaaien? En bestond er een universeel zwaaiteken voor noodgevallen?

Hoe ik thuis ben gekomen weet ik niet meer. Je zult het allemaal wel gedroomd hebben, zeggen de mensen dan. Maar dat boek ligt hier wel op mijn bureau en aan de gele strookjes erin kan ik zien dat ik nog een heel eind was gekomen alvorens ik begon te verdwalen in allerlei twistgesprekken, vooral uit de kring van mensen die vast overtuigd waren én bleven van hun eigen overtuiging.

Gelukkig lag er nog een ander boek op mijn bureau: Het Vredespaleis (1988), geschreven door Arthur Eyffinger en met foto’s van Jan den Hengst. Dat paleis bestaat in augustus van dit jaar maar liefst honderd jaar en dus moest ik me langzamerhand gaan voorbereiden op een verslag van die viering, in de hoop dat mijn collegaatje niet met haar hakken in de bronzen deurmat zou blijven steken waarin ooit de namen van alle landen van de wereld zijn uitgeboord.

Albert Hahn, Van Mensch-aap tot Aap-mensch (1915).

Maar wat is er toch met mij aan de hand. Bij de gedachte aan het grote feest dat ons te wachten staat, moet ik er steeds aan denken dat een jaar na de opening van dat grote bouwwerk in Den Haag de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Cynischer kon het niet. In een van mijn ruim 377 mappen had ik nog de tekst van een anoniem straatliedje uit 1913 zitten, waarvan het begin en het slot als volgt luiden.

Daar zit de vretersschaar                           Zoo doen nu die heren
in vorstlijk ’s-Gravenhage                          in ’t Vredespaleis.
heel deftig bij elkaar.                                    Ze kletsen en smullen
Zij vullen hunne magen                                en krijgen een prijs
en drinken fijne wijn                                      medaille of lintje
en kletsen over vrede,                                   tot hunne eer,
maar houden ’t meest van gein                 en roepen voor leuze:
en fijn beschaafde zeden.                             geen oorlog meer.

Ik kan er niets aan doen, echt niet. Maar ik vermoed toch dat de viering van het honderdjarig bestaan van het Vredespaleis opnieuw gepaard zal gaan met een chic etentje voor héél hoge gasten uit alle hoeken van de wereld. Of er ook dan weer eretekens uitgereikt zullen worden, weet ik nog niet. Maar dat veel van de hooggeplaatste gasten op hun fraaie jasjes al een rijtje medailles en lintjes hebben zitten, staat vast. En het staat ook vast dat ik straks bij het lezen van het nieuws op teletekst direct weer nieuwe oorlogsberichten zal tegenkomen. Daar past inderdaad geen historisme bij. Want omdat mensen nu eenmaal groepswezens ofwel kuddedieren zijn, keren zij zich altijd en altijd weer tegen andere groepen: uiteraard steeds met het grootste gelijk van de wereld aan hun kant, na eerst gestreden te hebben om het leiderschap in eigen kring. Ging je daaraan twijfelen, ja, dan lag het moeras van de geschiedenis voor je klaar. Of niet.

My god, wat moest ik doen. Ik wilde naar buiten rennen en keihard roepen: ‘Help mij, help mij.’ Maar omdat ik, zoals ik laatst een vooraanstaande zakenman hoorde zeggen, over een heel stuk expertise en ervaring beschik, weet ik zeker wat er dan zou gebeuren. Er zouden mensen op mij afkomen met de vraag of zij misschien konden helpen, terwijl ze al 112 stonden te bellen. Even later zouden er dan hulpverleners komen aanrijden om mij verder te gaan helpen en dus mee te nemen. Als ik dan in een zorginstelling terechtkwam, gingen mijn verblijfskosten natuurlijk direct van mijn spaargeld af. Maar, maar. Zou ik op Kroningsdag een oranjeboven T-shirt en beslist geen republikeins wit overhemd moeten aantrekken als ik samen met mijn zorggenootjes naar de televisie wilde kijken? Ach, wat maakte het uit. Mijn lievelingssoaps vervielen dan toch.

Ick Sing

Schrijf je in voor TOEN!