Column: Interviews

Laatst vroeg m’n dochtertje mij of ze me mocht interviewen. Dat vond ik wel spannend. Onmiddellijk ging ze er flink tegenaan. ‘Pappa’, vroeg ze, ‘heb jij wel eens snoep gepikt?’ ‘Ja,’ zei ik. ‘Hoe dan?’ dressoirToen begon ik te vertellen over het dressoir van mijn ouders. Daarbovenop stonden een fruitschaal en een mooie plant. Daaronder kwamen er eerst twee laden en daaronder twee kastjes. In het rechter kastje stonden behalve de jam en de hagelslag ook de koekjestrommels, maar als mijn moeder wegging deed ze jammer genoeg juist dat kastje altijd op slot. Op een keer, vertelde ik, heb ik toen een heel slimme truc uitgehaald. Ik tilde de rechterlade, waarin het bestek lag, met wat duwen en wringen uit zijn hol en ging toen voorzichtig met mijn arm op weg naar binnen. Drie koekjes durfde ik te pakken: twee uit de ene en eentje uit de andere trommel. Terwijl mijn dochtertje stout stond te grinniken, ontdekte ik ineens dat haar moeder in de keuken stiekem meeluisterde. Dat was natuurlijk niet de bedoeling.

Eigenlijk boeien interviews me bijna nooit. Schandalen en ruzies kunnen heel interessant zijn, maar wanneer journalisten aan politici en andere leidende figuren vragen stellen, is het voornamelijk de bedoeling hen in het nauw te drijven, terwijl hun slachtoffers met allerlei trucs juist stug proberen hun kluisjes op slot te houden. De eindstand van zo’n wedstrijd is dus bijna altijd 0 – 0. En wil je bij interviews met prijswinnaars of zielige verliezers nu echt dolgraag weten ‘wat er door hen heenging?’ En waarom proberen presentatoren bij vraaggesprekken met schrijvers zo vaak te achterhalen in hoeverre hun roman autobiografisch is? Daar komt bij dat zelfs mensen die echt iets bijzonders te melden hebben, vrijwel nooit lang door mogen praten ‘met het oog op de tijd.’ Dat geldt ook voor al die praatprogramma’s waarin allerlei gasten aan een tafel mogen plaatsnemen en iedereen zo veel mogelijk leuk moet doen.

Laatst vroeg ik me ineens af hoe lang journalisten eigenlijk al interviews afnemen. De term zelf (vgl. het Franse entrevue) bestaat al eeuwenlang wist ik, maar dan vooral om min of meer ceremoniële ontmoetingen aan te duiden. Voor vraaggesprekken die de bedoeling hebben een breed publiek in te lichten, heb je echter media nodig. Al vanaf de oudheid werd er geprobeerd het actuele ofwel lopende nieuws te verspreiden door teksten op speciaal daarvoor neergezette borden te schrijven. Toen de boekdrukkunst eenmaal was uitgevonden, kwamen de vliegende bladen in zwang: d.w.z. door marskramers verspreide losse vellen papier, waarop actuele en liefst opzienbarende berichten stonden. Daaruit ontstonden in Nederland in de loop van de zeventiende eeuw op een bescheiden schaal de eerste gedrukte kranten, maar die bleven erg duur en bereikten dus geen groot publiek. Zouden daar dan al interviews in hebben gestaan? Hoe zou ik dat moeten achterhalen, want die oude kranten waren vast nog niet gedigitaliseerd. Op het internet kon ik wel gemakkelijk te weten komen dat de dagbladen zoals wij die tegenwoordig kennen, in Nederland pas vanaf 1869 ontstonden, omdat toen eindelijk de censuur van de overheid verdween en het afschaffen van het dagbladzegel een krant voor een breed publiek betaalbaar maakte. Maar veel verder kwam ik niet en dus moest ik maar eens naar de bibliotheek gaan.

Delpher openingsbeeld

http://www.delpher.nl

En: ja, hoor. Natuurlijk bestonden er studies die mij goed konden helpen. De eerste interviews bleken in de Verenigde Staten en Engeland pas in de jaren vijftig en zestig van de negentiende eeuw in allerlei kranten verschenen te zijn als een vorm van New Journalism, maar in Nederland bleef men nog een tijd aarzelen. Betekende het afnemen van een interview bijvoorbeeld immers niet teveel een inbreuk op het privéleven van mensen? En zouden lezers zich daaraan niet ergeren?

Rotterdamsch NieuwsbladOp 5 oktober 1881 kwam dan toch ook in een Nederlandse krant een interview te staan: in het Rotterdamsch Nieuwsblad, met een stoker van een trein die van de rails was afgeraakt. Ook het uitbreken van de Boerenoorlogen leidde tot veel interviews. Dus wie nu via Delpher, – de onvolprezen website met al ruim elf miljoen krantenpagina’s -, chronologisch naar vraaggesprekken zoekt, boekt pas bij het einde van de negentiende eeuw de eerste resultaten. Dat begreep ik nu.

Eigenlijk had ik hierboven naast kranten natuurlijk ook tijdschriften als plaats voor interviews moeten vermelden. Dat is waar. Maar terwijl ik een hele tijd heb zitten zoeken en piekeren over de periode die voorafging aan de tijd van de radio, de televisie en het internet, voelde ik ergens diep in mij dat ik eigenlijk toch veel meer van echte dagboeken houd: dus niet van reisverslagen, scheepjournaals of allerlei kronieken, maar van de aantekeningen die sommige mensen al sinds de romantiek maken over hun heel persoonlijke denken en voelen om ze daarna zo goed mogelijk te verstoppen. Wanneer zo’n dagboek dan soms na het overlijden van de maker een keer teruggevonden wordt, leer je andere mensen pas echt een beetje kennen, net als in een bewustzijnsroman. Maar ik ben bang dat echte dagboeken al een tijdje uit de mode zijn geraakt, ook al zou je die met heel veilige wachtwoorden gemakkelijk op je laptop kunnen opslaan. Want wat mensen tegenwoordig, misschien afgezien van een aantal bejaarden, liefst in allerlei praatprogramma’s over zichzelf vertellen… Ik zou bijna zeggen: ‘dat wil je niet weten’.

Ick Sing

Bronnen:
Piet Hagen, Journalisten in Nederland. Een persoonlijke geschiedenis in portretten, 1850-2000. Amsterdam, 2002.
Huub Wijfjes, Journalistiek in Nederland, 1850-2000. Beroep, cultuur en organisatie. Amsterdam, 2004.