Column: oorlog is voetballen!

‘Als je naar de banketbakker om de hoek loopt en dan om een lief Arnhems meisje of zo’n nieuw Amsterdams grachtenkoekje vraagt, helpt hij je vast verder. Zeeuwse rondjes en Fryske dumkes zijn trouwens ook lekker.’

uit: Ch.A. Cocheret, De voetbalwereld in karikatuur (1927)

‘Pap, weet jij een onderwerp voor mijn geschiedeniswerkstuk?’ vraagt mijn zoontje. ‘Schrijf  iets over namen van steden en namen van koekjes,’ roep ik schijnheilig terwijl ik de laatste Weesper mop in mijn mond stop. ‘Als je naar de banketbakker om de hoek loopt en dan om een lief Arnhems meisje of zo’n nieuw Amsterdams grachtenkoekje vraagt, helpt hij je vast verder. Zeeuwse rondjes en Fryske dumkes zijn trouwens ook lekker.’

IJverig holt hij weg. Stel je voor dat ook hij nog eens over dat stomme voetballen zou beginnen. Gek word je tegenwoordig van al die hypes. Dagen- en soms wekenlang hollen de media allemaal achter één- en hetzelfde sensationele nieuws aan, wanhopig op zoek naar nog weer een ander invalshoekje of vraaggesprekje. Wie nú nog een stukje over het WK wil schrijven, moet direct tbs krijgen. Alles weten we al. Ook wie de langste of de jongste speler is en zelfs wie de gay-hunk van 2010 is geworden. Van alle WK-wedstrijden waaraan Nederland sinds 1930 heeft meegedaan, zijn de doelpunten al eindeloos herhaald, evenals de gemiste strafschoppen en de arbitrale blunders.

Ook de ontstaansgeschiedenis van het voetbal is al vaak opnieuw doorgenomen. Ja, het huidige voetbalspel heeft zich tegen het einde van de negentiende eeuw vanuit Engeland over de rest van de wereld verspreid en HFC was de eerste Nederlandse club. Maar ook in de klassieke oudheid werden er al vergelijkbare spelletjes gespeeld. Sterker nog: 5000 jaar v. Chr. waren steppenvolkeren uit Oost-Azië ook al met hun voeten aan het ballen. Dat alles ongetwijfeld in het voetspoor van de Bijbelse Kaïn, die bozig tegen gevallen appels was gaan schoppen omdat hij door de schuld van zijn ouders nooit in het paradijs had mogen spelen.

Ook de beroepshistorici hebben zich niet onbetuigd gelaten in de voetbalhausse. En wie geen zin heeft in nog weer een artikel in een vakblad of nog weer een speciaal radio- of televisieprogramma, kan bijvoorbeeld gaan kijken naar de treurige voetbalbeelden uit de Tweede Wereldoorlog die het Verzetsmuseum op zijn website heeft gezet. Wie dan vervolgens ook iets wil weten over de situatie tijdens de Eerste Wereldoorlog, vindt daarover gegevens in een artikel van Gielt Algra dat al in 2008 op de site www.wereldoorlog1418.nl is geplaatst. Als je tijdens die oorlogsjaren even niet bezig was met het afvuren van kogels en granaten, kon je altijd nog proberen een voetbal zo ver mogelijk de vijandelijke linies in te schieten. En wanneer je had meegedaan met  het vriendschappelijke partijtje dat de Engelsen en de Duitsers tijdens het kerstbestand van 1914 tegen elkaar hadden gespeeld, kon je daarna bij een heuvelbestorming weer dapper je bajonet in een vijandelijke buik steken.  

Tot vervelens toe wordt al jaren lang opgemerkt dat voetbal eigenlijk oorlog is. Alleen  de terminologie spreekt al boekdelen. De in uniformen gestoken spelers gaan bijvoorbeeld in de aanval of in de verdediging, belegeren het vijandelijke doel, vuren schoten af en verslaan hun tegenstanders. Bovendien wordt de agressieve houding die de spelers op het veld aannemen, weerspiegeld door flinke vechtpartijen tussen legers van supporters.

Opvallend is dat er zowel bij voetbalkampioenschappen als bij oorlogen altijd een hevig en bijna onontkoombaar vaderlands gevoel oplaait. Een tijdlang worden wij dan allemaal samen wij en worden de anderen allemaal zij, want je vormt nu eenmaal pas een groep als er ook een andere groep bestaat. Het begint met lekker samen zingen en roepen, liefst met rare mutsen op en bonte kleren aan, met vooral vlaggen en toeters als attributen. Na een tijdje wordt het dan duwen, gooien en vechten, totdat er geen houden meer aan is, niet in het strijdperk zelf en evenmin daarbuiten. En altijd weer blijkt dat nationalisme gestimuleerd en uitgebuit te worden door een paar grote jongens, die zelf gedreven worden door een onstilbare honger naar macht en geld, wat in de praktijk meestal op hetzelfde neerkomt.

Opeens schiet me het rare liedje te binnen dat in 1988 werd gezongen na de wedstrijd Duitsland – Nederland (uitslag 1 – 2): In 1940 kwamen zij/ In 1988 kwamen wij/ Holadiee, Holadioo. Dan maken mijn gedachten een grote hink-stap-sprong en krijg ik een flits van inzicht. Wij moeten niet meer stil blijven staan bij de gedachte dat voetbal oorlog is, maar de zaken voortaan gaan omdraaien door van oorlogen voetbalwedstrijden te maken. Dus: hebben twee landen een conflict, dan gaan ze geen oorlog meer voeren, maar simpelweg tegen elkaar voetballen! Wie wint, heeft dan voor een periode van vier jaar gewonnen, waarna het spektakel eventueel opnieuw kan beginnen.

Het allergrootste voordeel van die nieuwe aanpak is natuurlijk dat er bij zulke oorlogen geen doden meer vallen. En met de blessures zal het dan ook wel loslopen. Bovendien heb je altijd een arbitraal trio klaar staan, dat tegen die tijd ook televisiebeelden mag raadplegen. Wie zich misdraagt, vliegt eruit en krijgt een taakstraf.

Terwijl ik zo zit weg te dromen, hoor ik ineens mijn zoontje de kamer binnenkomen. ‘Pap,’ zegt hij, een beetje schuldbewust, ‘vind je het heel erg dat het een patatje oorlog is geworden?’ O jee, dat wordt straks dus toch televisie kijken, met voetbalflitsen tussen de reclames door.

Ick Sing

Geef een reactie

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!