Column: Te wapen! Maar tegen wie?

moort tot zutphen prent1Als je in de week van de geschiedenis nadenkt over het thema oorlog en vrede, kan  het gebeuren dat je begint te bladeren in een bundel historische gedichten. En wat lees je dan al gauw?moort tot zutphen prent1Als je in de week van de geschiedenis nadenkt over het thema oorlog en vrede, kan  het gebeuren dat je begint te bladeren in een bundel historische gedichten. En wat lees je dan al gauw?

            Int jaer twelf hondert ende tachentich acht,
            Heeft den iersten Hertoghe Jan van Brabant
            Het heir van seven Heeren omgebracht,
            Al quamen zy thien tegen een ter hant;
            Door Godes hulp ende sine Brabanders vaillant
            Heeft hij om Limburch dezen strijdt aenveert [.]

Het leger van de Brabantse hertog, die zo vrolijk van harba lorifa kon zingen, was op een mooie junidag in 1288 inderdaad in de minderheid. Maar toch werd de Slag van Woeringen gewonnen en werd Brabant dus eeuwenlang de baas in Limburg. Tegenwoordig moeten we samen met onze minister-president figuurlijk aan de slag gaan, maar vroeger vatten machthebbers deze aansporing nog heel letterlijk op. Dan reden zij zelf met een vooruitgestoken lans op hun geharnaste tegenstander in en maakten zij het karwei zo nodig af met hun zwaard.

Dergelijke feodale veldslagen, met opvolgings- en handelskwesties als inzet, zijn heel bloedig geweest. Als je opzoekt wie de bondgenoten en wie de vijanden in 1288 waren, dan neemt de historische vervreemding alleen maar toe. Zo waren toen de graaf van Gelre en de aartsbisschop van Keulen gelegenheidsbondgenoten geworden en kregen zij bijvoorbeeld steun van de graven van Luxemburg, Nassau en Valkenburg. Maar de graaf van Berg, die in de buurt van Düsseldorf woonde, vocht weer mee aan de kant van hertog Jan, samen met plaatselijke boeren en inwoners van Keulen. Ook de graaf van Loon, die in het het huidige Belgisch-Limburg resideerde, stond aan die kant. Of er toen ook nog huurlingen meegedaan hebben, is onduidelijk. Maar dat had gemakkelijk gekund, want de Brabanciones waren in die tijd bekend en berucht.

Huursoldaten uit allerlei landen en streken waren al eeuwenlang een heel gewoon verschijnsel en bleven dat nog geruime tijd.  Tijdens de Tachtigjarige Oorlog, toen onze dappere voorvaderen onze vrijheid bevochten op de tirannieke Spanjaarden, konden beide partijen bijvoorbeeld nog niets zonder hen beginnen. Kieskeurig kon niemand daarbij zijn. Zo vertrouwde een bevriende archiefonderzoeker uit Warnsveld mij laatst op fluisterende toon toe, dat er aanwijzingen zijn dat de Spanjaarden die in 1572 onder leiding van Don Frederik het Bloedbad van Zutphen aanrichtten, voor een groot deel ingehuurde Friezen waren. Zij hielpen toen met het onder het ijs duwen van de soms met de ruggen tegen elkaar gebonden stadsverdedigers. Maar de troepen die in 1579 uiteindelijk tevergeefs Maastricht tegen de Spanjaarden verdedigden, bestonden voor een groot deel weer uit Fransen, Engelsen en Schotten. Het kon dus allemaal alle kanten op.

Ook tijdgenoten hadden het soms moeilijk met deze praktijken. Al bladerend kwam ik bijvoorbeeld bij de beroemde zeventiende-eeuwse dichter (en secretaris van de stadhouder) Constantijn Huygens terecht, die in een van zijn smalende sneldichten een huurling laat zeggen:

Siet, snollen, ick verhuer mijn vleesch tot slaen en kerven:
Wat hebt ghij lichter werck, die ’t uw maer en verhoert!

Nee, dan pakte Napoleon het later anders aan. Die voerde via een lotingsysteem de dienstplicht in, eerst in Frankrijk en later ook in de Nederlanden. En dan hoorde je wel wie de vijand was en waar je als voetvolk naartoe moest. Maar hoe zat het met de legeraanvoerders? Toen ik verleden week weer eens verdwaald was in Den Haag, kwam ik toevallig in de Tripstraat terecht, genoemd naar Albert Dominicus Trip van Zoudtlandt (1776-1835). In de trein naar huis pakte ik vlug mijn nieuwe laptop en vond ik hem al gauw in de Wikipedia. Trip bleek een hoge cavalerieofficier geweest te zijn, die kennelijk probleemloos van werkgever kon veranderen.

Nadat hij eerst de Republiek der Nederlanden had gediend, kwam hij via het leger van Lodewijk Napoleon al gauw terecht bij de Grande Armée van de grote keizer zelf. Terwijl de weinige overgebleven lotelingen na die rampzalig verlopen veldtocht in Rusland in 1812 terug naar huis moesten lopen, behoorde Trip als commandant tot de gelukkigen die per paard konden reizen. In het jaar daarna speelde hij tijdens de Volkerenslag van Leipzig nog een vooraanstaande rol in het Franse leger, maar tijdens de Slag bij Waterloo in 1815 konden zijn voormalige collega’s hem toch aan de kant van de Prins van Oranje zien strijden, dus tégen de teruggekomen keizer. Natuurlijk moest toen worden voorkomen dat die tiran weer aan de macht kwam. Maar dat die trouweloze Belgen zich rond 1830 los wilden maken uit het Koninkrijk der Nederlanden, was een uiteraard een heel ander geval. ‘Te wapen, op de dringende bede van Uw Vorst’, had de koning geroepen en dus was de inmiddels jonkheer geworden Trip aanwezig bij de beschieting van Leuven, al werd werd hij toen wel van zijn paard geworpen.

Ik begon een beetje moe te worden van dat reizen in de tijd met al die wisselende vrienden en vijanden. Misschien moest ik maar eens op een bankje in de tuin gaan zitten. Toch maar met een boek, om mezelf een houding te geven? Als ik nu eens de Lof der Zotheid van Erasmus pakte. Dat was nog eens een goed idee!

Ick Sing

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Schrijf je in voor TOEN!