Donderdag 17 mei 2012
Histocasa | Contact | Colofon
De donkere dagen van Doenitz  

donitz1

Doenitz met enkele officieren. Bron: www.uboat.net

 het hoogtepunt van de Slag op de Atlantische Oceaan

De Slag op de Atlantische Oceaan is een onderbelichte slag in de annalen van de Tweede Wereldoorlog. Dat de aandacht ergens anders ligt is enigszins logisch wanneer we in acht nemen dat miljoenen soldaten bitter vochten op de uitgestrekte landmassa´s van Europa en Afrika. Toch is de ondergeschoven positie niet helemaal terecht, want als er één front was waarop de Duitsers jarenlang uitzicht hadden op een zege, was het wel op de onvergeeflijk kille baren van

de wereldzeeën. Zeker in de eerste oorlogsjaren was een Duitse militaire zege op zee erg reëel en bovendien kon op dit strijdtoneel de oorlog een beslissende wending gegeven worden – de Duitsers hadden Groot-Brittannië uit de oorlog kunnen stoten en wie weet hoe de Tweede Wereldoorlog dan had kunnen verlopen?

De Britse premier Winston Churchill was zich als voormalig marineminister (nota bene tijdens de Eerste Wereldoorlog toen de Duitsers ook al met behulp van onderzeeboten geprobeerd hadden Engeland te verstikken) ernstig bewust van de dreiging die de `grijze wolven´ vormden en hij zei en schreef dan ook over de oorlog dat “niets mij meer angst inboezemde dan het gevaar van de U-boten”.

Toch waren het niet de Duitsers die aan het langste eind trokken. Sterker nog, zij leden een nederlaag die nog meer afgetekend was dan de nederlagen ter land en in de lucht. Zelfs de beziellende leiding van (uiteindelijk) grootadmiraal Karl Doenitz kon het tij niet keren. Het keerpunt kwam in mei 1943, maar hoe was het zover gekomen?

1  De onderzeeboten trekken ten strijde

Hoewel er vanaf 3 september een staat van oorlog bestond tussen Engeland, Frankrijk en hun tegenstander Duitsland, duurde het lang eer er echte gevechtshandelingen plaatsvonden. Er was echter één front waarop de Duitsers zich meteen met de Engelsen konden meten: op zee. Enkele onderzeeboten waren reeds op patrouille en begonnen met oorlogshandelingen zodra admiraal Doenitz het codewoord had doorgeseind. Vanaf 3 september 1939 stond de zee in vuur en vlam.
In de nauwe torpedokamer worden twee torpedo’s gecontroleerd. Op de achtergrond zijn de vier luiken van de voorwaartse torpedobuizen goed te zien. De torpedokamer diende tevens als slaapplaats. Bron: www.uboat.net

In de nauwe torpedokamer worden twee torpedo’s gecontroleerd. Op de achtergrond zijn de vier luiken van de voorwaartse torpedobuizen goed te zien. De torpedokamer diende tevens als slaapplaats. Bron: www.uboat.net

De onderzeebootdienst (afgekort BdU, naar Befehlshaber der Unterseeboote, de titel van Doenitz) was erg klein, met slechts 57 boten. Doenitz en zijn meerdere, grootadmiraal Erich Raeder (opperbevelhebber van de Kriegsmarine), waren bijzonder teleurgesteld in Hitler: deze had beloofd dat het nog tot ongeveer 1944 zou duren eer er oorlog zou komen. De Kriegsmarine was nog aan het herbewapenen volgens het Z-plan, wat voorzag in een immense oppervlaktevloot (een vloot bestaande uit grote eskaders van slagschepen, kruisers en torpedobootjagers ondersteund door vliegdekschepen) en zeker 200 onderzeeboten. Het plan zou echter pas in 1944 voltooid zijn en in 1939 was de Kriegsmarine nog zo klein dat deze volgens Erich Raeder niets anders kon doen dan tonen “hoe zij waardig ten onder kon gaan”.

In het begin van de oorlog waren er veel te weinig zogenaamde Frontboote. Dat zijn U-boten die voor gevechtsacties bestemd zijn. Een gedeelte van het totale aantal boten was namelijk nodig voor opleidingsdoeleinden. Groot-Brittannië importeerde ongeveer 60 miljoen ton per jaar en als de Duitsers dat konden reduceren door de Britse koopvaardijvloot van 3.000 handelsschepen te vernietigen, kon het eiland door uitsterving uit de oorlog worden gestoten. De U-boten waren een blokkademiddel.

1.1 Problemen in het begin van de strijd

Bijzonder nadelig voor de Duitsers gedurende de eerste oorlogsjaren was het falen van de magnetische torpedo. Deze was al voor de oorlog het voornaamste wapen, maar was relatief slecht getest en bleek ernstige fouten te bevatten die pas na lange tijd opgelost konden worden. Zo explodeerde de torpedo vaak te vroeg en was de dieptemeter niet accuraat: torpedo´s liepen al gauw bijna twee meter dieper dan ze ingesteld waren zodat vele schepen in 1939-1940 de dans ontsprongen. De theorie achter een magnetische torpedo is dat deze tot explosie wordt gebracht door een schommeling van het magnetische veld boven de torpedo. Dus als een magnetische torpedo onder een schip door zou gaan, dan zou het magnetische veld van dat schip de torpedo doen exploderen, als een vroege vorm van `slimme wapens´. Bij zo´n explosie zou de kiel –de ruggengraat van het schip– breken zodat er meer schade werd gedaan dan wanneer er via een contacttorpedo aan de zijkant van het doel een treffer werd gescoord. Tijdens de verovering van Noorwegen in het voorjaar van 1940 liet de defecte torpedo zich gelden: belangrijke Engelse vlootdelen (waaronder slagschepen) ontsnapten ternauwernood aan de kabeljauwskelder door de falende torpedo´s. Uiteindelijk duurde het tot in 1942 eer de problemen met magnetische torpedo´s werden opgelost. Het gebrek aan Frontboote en de falende torpedo maakten het voor de Duitsers onmogelijk om in de eerste twee jaar een beslissende voorsprong te nemen.

De Engelsen maakten ook fouten. Zij kopieerden hun strategie van de Eerste Wereldoorlog en daarmee de zogenaamde offensieve patrouilles. Het was de bedoeling dat groepjes torpedobootjagers actief de zeeën zouden afstropen om op U-boten te jagen. De technologie om effectief jacht te maken bestond in 1940 nog niet en dit was een nutteloze inzet van middelen. Er waren slechts 180 schepen met ASDIC (Anti-Submarine Detection Investigation Committee, een detectieapparaat wat later bekend zou worden onder de Amerikaanse naam Sonar) uitgerust. Sterker nog, deze jagers konden niet als escorte ingezet worden, waardoor konvooien slechter beschermd werden. Daarnaast waren de Engelsen laks in het organiseren van konvooien. Schepen die trager waren dan 9 knopen of sneller dan 13 moesten onafhankelijk varen en zodra een konvooi het uiterste punt (wegens brandstof) van het escorte had bereikt, dienden de schepen zich te verspreiden en onafhankelijk naar de bestemming te gaan. Het gevolg was dat er veel losse doelwitten op zee rondzwierven – prooien voor de U-boten.

Engeland had een tekort aan vliegtuigen en de Duitsers buitten dit gelukje zoveel mogelijk uit, door aan de oppervlakte te varen. Wanneer er een vliegtuig verscheen dook de U-boot meestal onder. Niet omdat vliegtuigen in de eerste jaren van de oorlog U-boten direct konden bedreigen, maar omdat het vliegtuig wel via radio de positie van een U-boot aan de oppervlakte kon bekendmaken. Geen enkele Kapitän zat te wachten op een bezoekje van torpedobootjagers… Natuurlijk wierpen vliegtuigen bommen, maar het zou tot 1942 duren eer deze aanvallen levensbedreigend werden. Vanaf 1942 werd het vliegtuig echt de schrik van onderzeebootbemanningen. Langeafstandstoestellen vergrootten de dekking aanzienlijk en toen de geallieerden eenmaal (kleine) vliegdekschepen (escort carriers) voor konvooibewaking gingen inzetten, konden U-boten moeilijk aan de oppervlakte blijven.

2 De opkomst van de geallieerde onderzeebootbestrijding

De geallieerden investeerden veel in vliegtuigen en wetenschap. Hier zien we een B-24 Liberator, aangepast tot onderzeebootjager. Onder de neus zit een radar in een koepel, terwijl aan elke zijkant een raketinstallatie hangt, waarmee in een duikvlucht op onderzeeboten kon worden gevuurd. Het bommenruim bevatte dieptebommen. Bron: www.uboat.net

De geallieerden investeerden veel in vliegtuigen en wetenschap. Hier zien we een B-24 Liberator, aangepast tot onderzeebootjager. Onder de neus zit een radar in een koepel, terwijl aan elke zijkant een raketinstallatie hangt, waarmee in een duikvlucht op onderzeeboten kon worden gevuurd. Het bommenruim bevatte dieptebommen. Bron: www.uboat.net

De schaal en mentaliteit waarmee de strijd om de Atlantische Oceaan gedirigeerd werd, verschilde nogal. Groot-Brittannië liep hierin ver voor op Duitsland en we mogen wel stellen dat vooral de verschillen in mentaliteit en schaal de geallieerde zege verzekerd hebben. Nu had Doenitz het wat dat betreft niet gemakkelijk: Adolf Hitler was een erkende landrot. Hij gaf dat ruiterlijk toe, maar daarmee kregen zijn admiraals niets cadeau. De Führer begreep weinig van maritieme strategie en miste aldus het inzicht om deze strijd de juiste aandacht te geven. Churchill daarentegen was zich als voormalig minister van marine terdege bewust van de noodzaak om de Engelse communicatielijnen intact te houden. Hij bemoeide zich persoonlijk in de strijd door de juiste leidinggevenden te benoemen en door opdracht te geven voor de oprichting van allerlei speciale organisaties die de strijd op de Atlantische Oceaan een beslissende wending zouden geven. In Engeland werd er bijvoorbeeld een bureau opgericht dat zich bezig hield met het bedenken van allerlei gerechten en menu’s op basis van typisch Engelse voedselproducten, om de afhankelijkheid van geïmporteerd voedsel te verminderen – dat hoort ook bij de strijd tegen de U-boten!

2.1 De wetenschap in de strijd

Maar Churchill liet ook andere diensten instellen: er werd een centrum opgericht waar marine- en koopvaardijpersoneel werd opgeleid om als escorte of konvooideelnemer te varen. Er werden konvooislagen gesimuleerd en de commandant van dit centrum deinsde er niet voor terug om veel hogere officieren uit te kafferen als ze verkeerde keuzes maakten! Het werd geaccepteerd omwille van de strijd. Dan was er nog een speciale dienst die zich bezighield met het kraken van de Duitse Enigmacode waarmee de U-boten communiceerden, genaamd Ultra op Bletchley Park (een geheim project dat pas in de jaren zeventig bekend raakte). Een andere dienst bestond uit intellectuelen, onderzoekers en statistici die elke snipper aan inlichtingen onderzochten en informatie uit alle hoeken van de wereld vergaarden. Dit was het zogenaamde `Operational Research´. Een interessante conclusie van deze dienst, was dat het resultaat van een konvooislag afhing van de verhouding in aantallen tussen de aanvallende U-boten en de verdedigende escorteschepen, maar dat de grootte van het konvooi zelf niets uitmaakte. Daarom werden de konvooien omvangrijker omdat grotere konvooien op basis van dit principe procentueel minder verliezen zouden lijden. Bovendien bewees deze dienst dat individuele schepen een veel hogere kans hadden om slachtoffer te worden dan schepen die in konvooi voeren, zodat de geallieerden nog meer schepen aan konvooien toevoegden. Dit waren ingrijpende wijzigingen: de konvooien bestonden nu doorgaans uit 50 tot soms wel 70 schepen, waardoor er minder konvooien op zee waren en die bovendien een betere bescherming genoten. Eerder in de oorlog werden de beschikbare escorteschepen verdeeld over een hele schare kleine konvooien, maar nu konden er per konvooi relatief veel verdedigers worden meegezonden.

Een konvooi werd op een bepaalde manier ingedeeld, namelijk in banen en rijen, zodat er een doosachtige (rechthoekige) vorm ontstond. De escorteschepen werden hier dan omheen gestationeerd. Het werd statistisch aangetoond dat het verhogen van het aantal escorteschepen van zes naar negen, het verliespercentage van handelsschepen in konvooien met 25% zou verminderen. Daarnaast werd al snel duidelijk dat coördinatie van de verdediging belangrijker was dan het aantal verdedigers. Al deze bevindingen werden bovendien opgevolgd met concrete maatregelen, zoals TBS (Talk Between Ships) waarmee de schepen op zee hun pogingen coördineerden en speciale opleidingen voor konvooideelnemers. Dit soort wetenschappelijke en allesomvattende benaderingen, ontbraken in Duitsland. Er gebeurde wel wat, maar het was vaak gefragmenteerd en kleinschalig.

2.2 Productie en prioriteiten

Met de beperkte productiecapaciteit moest Duitsland lastige keuzes maken. Hitler was daar eigenlijk vrij slecht in: hij wilde iedereen tegelijk tevreden houden. Dat was ondoenlijk en het resultaat was dat zowel de land-, lucht- en zeemacht tegelijk om het kostbare staal bedelden. Zo wisselde de prioriteit elke zoveel maanden. Van een algehele strategie leek geen sprake. Eind 1939 sprak Raeder met Hitler af dat er voortaan 29,5 onderzeeboten per maand zouden worden gebouwd. In werkelijkheid gaf Hitler tegelijkertijd prioriteit aan het leger zodat er tot april 1940 slechts 13 nieuwe boten werden gebouwd – een aantal dat nog niet eens genoeg was om de geleden verliezen te compenseren! Doenitz had berekend dat hij bij een eventuele oorlog 200 Frontboote nodig had voor een succesvolle blokkade. Pas in november 1942 -ruim drie jaar na het begin van de oorlog- waren er 200 boten beschikbaar voor operaties, maar de geallieerden hadden allesbehalve stil gezeten.

Nu was natuurlijk elk onderdeel van vitaal belang, zodat het moeilijk was om één onderdeel achter te stellen. Het probleem lag op de eerste plaats bij het onvermogen om tijdig de economie op oorlogsniveau te brengen. Sterker nog, dat is nooit gelukt: toen de geallieerden in 1945 Duitsland binnentrokken troffen zij tot hun verbazing productiecentra aan waar piano´s en andere luxegoederen gemaakt werden! Op de tweede plaats lag het probleem bij de ondergeschikte rol die de marine in de ogen van Hitler had. Dat Hitler geen maritiem strateeg was, bleek uit de persoonlijke ingrepen die hij deed: zo moesten er U-boten teruggetrokken worden uit de strijd op de Atlantische Oceaan om het Afrika Korps van Rommel vanuit de Middellandse Zee te ondersteunen (1941), om de Moermanskroute te bestrijden (1941; het was de bevoorradingsroute tussen Engeland en de Sowjetunie) en om Noorwegen tegen een mogelijke invasie te beschermen. Deze plannen van Hitler leverden weinig tot niets op, maar er werden wel boten onttrokken aan de enige plaats waar ze van beslissend belang konden zijn. Door het trage bouwprogramma en Hitler’s strategische missers waren er zelden meer dan een handvol boten in de strijd. Dat zij nog zo succesvol konden zijn was een knappe prestatie. De vraag wat er gebeurd was als Duitsland meteen veel meer boten had kunnen inzetten, komt op – wellicht dat er dan genoeg druk kon worden uitgeoefend op een moment dat Engeland nog niet voorbereid was.

Echter, tegen de tijd dat de maandelijkse productie van U-boten een degelijk niveau bereikte, was de Engelse superioriteit op zee dusdanig sterk dat de toevoeging van meer boten niet meer automatisch tot meer succes leidde. Deze kans was verkeken.

Deze schijnwerpers, de zogenaamde “Leigh Lights”, werden onder de vleugels gemonteerd om ’s nachts U-boten te verrassen. Wanneer zo’n vliegtuig op de radar een onderzeeboot oppikte, dook het er bovenop en zette op het laatst de lichten aan: de onderzeebootbemanning werd vaak verrast en verblind en zo zijn er velen tot zinken gebracht. Bron: www.uboat.net

Deze schijnwerpers, de zogenaamde “Leigh Lights”, werden onder de vleugels gemonteerd om ’s nachts U-boten te verrassen. Wanneer zo’n vliegtuig op de radar een onderzeeboot oppikte, dook het er bovenop en zette op het laatst de lichten aan: de onderzeebootbemanning werd vaak verrast en verblind en zo zijn er velen tot zinken gebracht. Bron: www.uboat.net

De geallieerden slaagden erin om veel zaken praktisch en direct aan te pakken. In het begin van de oorlog waren er te weinig escorteschepen zodat er direct een bouwprogramma van een gestandaardiseerd ontwerp gestart werd. Daarnaast werd er een betere scheepsradar ontwikkeld omdat de Duitse U-boten veelal in het donker aanvielen: escorteschepen waren dan zo goed als blind omdat het ontwaren van een onderzeeboot in het donker bijna onmogelijk was. Toen bleek dat de U-boten zich gingen ophouden in het deel van de Atlantische Oceaan waar geen luchtdekking was, deden de geallieerden er alles aan om op Groenland, IJsland en allerlei kleine eilandengroepen vliegbases te bouwen en er langeafstandstoestellen te plaatsen. Bovendien werden vliegtuigen vanaf 1942 steeds offensiever ingezet door de U-boten te hinderen bij hun oversteek van en naar de Franse westkust, waar de meeste bases waren. In het donker konden ze echter niets zien, dus werd er een radar voor vliegtuigen ontwikkeld en kwamen er zogenaamde Leigh Lights, schijnwerpers die onder de vleugel gemonteerd waren. Als een vliegtuig een U-boot op de radar had, kon het in het donker zomaar op de juiste plek opdoemen en met de schijnwerpers de boot verlichten. Zo werd de overtocht van U-boten zelf al levensgevaarlijk. Niet voor niets zouden vliegtuigen tegen het einde van de oorlog zo ongeveer de helft van alle tot zinken gebrachte onderzeeboten voor hun rekening nemen.

De grootste zege van de geallieerden in de inlichtingenoorlog, was het kraken van de Enigmacode in 1941, waarna zij al het Duitse radioverkeer konden lezen. Tijdens 1942 was er een periode van een paar maanden waarin de Duitsers de code extra moeilijk maakten, maar tegen het eind van dat jaar was deze nieuwe variant al gekraakt. Het gevolg was dat de geallieerden steeds hun konvooien konden omleiden – om de U-boten heen.

Kortom, de geallieerden slaagden er steeds in de problemen te analyseren en de juiste maatregelen te bedenken en te implementeren. Zij gaven dit probleem de juiste prioriteit.

3 Nog meer Duitse fouten

Doenitz verzamelde een schare getrouwen om zich heen, vaak niet meer dan een handvol. Tezamen regisseerden zij de onderzeebootoorlog vanuit hun hoofdkwartieren in Frankrijk en later Duitsland. De meesten van deze stafofficieren waren voormalige onderzeebootcommandanten die de `goede´ jaren van de strijd hadden meegemaakt – één ervan was zelfs de schoonzoon van Doenitz. Zij namen veel ervaring mee, maar het blijft de vraag of zij wel in staat waren om een radicale wijziging in de strategie en tactiek in te voeren toen de situatie daarom riep. Ze hadden voornamelijk ervaring uit de goede tijden, niet uit de slechte, terwijl de omstandigheden en moeilijkheden waarmee de kapiteins vanaf 1942 geconfronteerd werden, beduidend zwaarder waren dan in het begin van de oorlog.

3.1 Het verschil laat zich voelen

Doenitz had bovendien de neiging om gelijkgestemde geesten in zijn directe omgeving te benoemen. Daarmee bleven kritische geluiden vaak uit en eindigden discussies met consensus. Het zal Doenitz een goed gevoel hebben gegeven toen hij zag dat zijn jongens zijn denkbeelden weerspiegelden of zelfs overnamen, maar toen de oorlog in een kritieke fase raakte, kon dit groepje onvoldoende verandering bewerkstelligen om de bemanningen op zee een kans te geven. Ze konden zich sommige zaken simpelweg niet inbeelden. Ondanks vermoedens van Duitse kapiteins en andere aanwijzingen weigerden Doenitz en zijn staf te geloven dat de vijand vanaf het midden van de oorlog alle communicatie tussen BdU en de U-boten kon afluisteren.

En daarmee zien we weer een groot verschil tussen de oorlogvoerende landen. In Duitsland had de verantwoordelijke Befehlshaber der Unterseeboote een staf van gemiddeld zes (!) officieren die de hele strijd dirigeerden. Met name hun Engelse, maar ook hun Amerikaanse, tegenhangers beschikten over grote staven, meerdere hoofdkwartieren, opleidingscentra en allerlei speciale diensten –inclusief civiele– die zich met van alles bezighielden om de strijd op zee te winnen. Het ging om duizenden mensen. Natuurlijk leverden Duitse wetenschappers en spionagediensten grote bijdragen aan de strijd, maar ook hier is de schaal waarop beslissend. De wetenschappers van Duitsland moesten hun aandacht over zoveel projecten verdelen, dat zij zelden konden opboksen tegen de massale inzet van geleerden door de geallieerden. Dat lag natuurlijk onder andere aan de politieke leiding, die in samenspraak met de militaire top prioriteiten vaststelde. Winston Churchill was een erkend `watermens´, al was hij niet zonder fouten. De top in Berlijn was overwegend geneigd om de marine tot het ondergeschoven kindje te maken.

Doordat de technologie steeds bepalender werd voor het verloop van de strijd, raakte Duitsland steeds verder achterop. Amerikaanse en vooral Engelse wetenschappers bedachten keer op keer oplossingen voor elk praktisch probleem dat de kop opstak. Duitse wetenschappers deden hun best om mee te blijven doen, maar zij konden ten eerste nooit concurreren met de hoeveelheid middelen (mankracht, materialen, testfaciliteiten etc.) en ten tweede waren zij gedwongen te reageren op de geallieerde zetten. Centraal hierin staat de ontwikkeling van sonar, maar vooral radar- en radardetectietechnologie. We zien hierin een constante strijd, waarbij de geallieerden een betere radar ontwikkelen en als tegenzet de Duitsers zo snel mogelijk een nieuw radardetectieapparaat ontwikkelen Zo´n toestel is een belangrijk waarschuwingsmiddel: het geeft een waarschuwingssignaal wanneer radargolven gedetecteerd worden. Het is als een moderne verklikker: door het geluid weet je dat er een geallieerd schip met radar in de buurt was – meteen duiken was het devies! Het belang van de ontwikkeling van radar en radardetectie kan niet genoeg benadrukt worden, want radar is –hoe gek dat ook klinkt– het belangrijkste bestrijdingsmiddel tegen onderzeeboten gebleken. Door de opkomst van radar konden U-boten niet langer vrij aan de oppervlakte varen en verloren zij hun snelheid. Tevens werden de succesvolste konvooislagen (1940-1941) ‘s nachts aan de oppervlakte uitgevoerd. Britse radar beroofde de U-boten van hun nachtelijke onzichtbaarheid.

De Duitsers werden op het wetenschapsfront compleet overlopen. Hoewel zij erin slaagden nieuwe onderzeeboottypen te ontwikkelen, konden zij hun bestaande vloot nooit vrijwaren van geallieerde aanvallen.

3.2 Onzichtbare golven doemen de U-boten

De Duitse spionagedienst leverde af en toe uitstekende prestaties. Een onderdeel daarvan, B-dienst was belast met o.a. cryptologie (het breken van codes) en kon tot diep in 1943 veel Britse communicatie lezen en zodoende inlichtingen van onschatbare waarde aan de onderzeeboten doorspelen, zodat het onderscheppen van doelen makkelijker werd. Daar tegenover stond de Britse dienst Ultra die de Duitse Enigmacode gekraakt had en zo kon bepalen waar de U-boten lagen. Dientengevolge konden veel konvooien veilig om de onderzeeboten geleid worden. Het was een strijd van onzichtbare golven.

In 1942 en begin 1943 stonden Duitse commandanten steeds vaker voor een mysterie: vijandelijke jagers wisten hun onderzeeboten vaak feilloos te vinden. In het begin van de oorlog was het vaak toeval, maar rond het begin van 1943 moest een commandant echt vrezen voor zijn boot en bemanning wanneer een escorte met `hoek inzien nul´ werd gerapporteerd (als de hoek van inzien nul is, komt de vijand recht op de boot af). BdU bouwde op basis van Engelse communicatie en rapporten een beeld op van wat de Engelsen wisten van de onderzeeboten in de oceaan en tot hun grote schrik zagen de Duitsers dat de Engelsen verdraaid goed wisten waar de Duitsers hun boten hadden liggen. Als experts op het gebied van codering en ontcijfering, werd B-dienst gevraagd hoe groot de kans was dat de geallieerden de Duitse Enigmacode gekraakt hadden. Ondanks het vermoeden onder commandanten dat ze wel degelijk afgeluisterd werden, ontkende men de mogelijkheid dat de Duitse code gekraakt was. Het werd gewoon afgedaan als onmogelijk.

Vervolgens gingen twee voormalige topcommandanten, Adalbert Schnee en Günter Hessler, alle informatie die ze uit Engelse bronnen haalden, analyseren. Het breekpunt was de zogenaamde `radio located´ boodschap die in de Engelse rapporten steevast terugkeerde. Dat betekende dat het radioverkeer van de onderzeeboot in kwestie door een speciaal apparaat was gepeild, zodat escorteschepen wisten in welke richting en op ongeveer welke afstand er zich een U-boot moest bevinden. Het apparaat heette Huff-Duff en komt van de afkorting HFDF, wat staat voor `High Frequency Direction Finding´. Het werkte op korte afstand, maar dat was geen belemmering voor het succes van dit ingenieuze apparaat.

De staf van BdU was goed op weg om de zaak te analyseren, maar zij maakte een cruciale fout: zij waren van mening dat de Engelsen deze peilingen deden met behulp van sterke radiostations aan de kusten. Daar konden de Duitsers feitelijk niets tegen beginnen, dus werd de zaak niet verder onderzocht. Dit was een breekpunt, maar dat werd pas na de oorlog ontdekt. Door niet groot te denken, werd het lot van duizenden bemanningsleden beslecht.

4 Kritieke fase

De periode vanaf eind 1942 tot en met mei 1943 was de kritieke tijd op zee, de tijd waarin de strijd om de Atlantische oceaan beslist werd. November 1942 was het hoogtepunt. In die maand werd er een record aan geallieerde scheepsruimte (uitgedrukt in Bruto Register Ton) tot zinken gebracht: 802.160! Het leek er even op alsof alle geallieerde investeringen voor niets zouden zijn geweest. Groot-Brittannië had in 1942 maar 30 miljoen ton aan goederen geïmporteerd – de helft van het benodigde! Allerlei reserves van strategische materialen zoals brandstof begonnen kritiek te raken. Het was als een dubbeltje op zijn kant.

Maar dat was slechts schijn. De geallieerden hadden met verve de strijd naar hun hand gezet en waren op elk front verbeterd qua organisatie, technologie en aantallen mensen, (nieuwe) schepen en vliegtuigen. Waarin waren de Duitsers verbeterd? De U-boten hadden steeds betere luchtafweer gekregen, wat verbeterde, slimmere torpedo´s en radardetectieapparatuur. Waar de Engelsen speciale nieuwe scheepstypen ontwikkeld hadden voor de strijd, waren de Duitsers nog steeds aangewezen op hun oude getrouwen, de boten van de typen VII en IX. In de nieuwe arena waar technologie een beslissende factor was, waren deze boten hopeloos verouderd. Ze konden nauwelijks meer aan de oppervlakte blijven door de zwermen met radar uitgeruste geallieerde vliegtuigen en schepen. Bovendien schoot de snelheid onderwater tekort om vijandelijke konvooien te onderscheppen.

4.1 Mei 1943  de cijfers vertellen het verhaal

Mei 1943 betekende het hoogtepunt in de strijd op de Atlantische Oceaan. Alles wat de afgelopen jaren gebeurd was, wat geleerd was, wat ontwikkeld was – alles zou zich deze maand laten gelden. Het was een volledige en pijnlijke nederlaag voor de Duitsers. Hoewel Doenitz een indrukwekkend aantal Frontboote (240 van 420 totaal) onder zijn commando had, moest hij erkennen dat de strijd hopeloos was: op 24 mei annuleerde hij alle offensieve operaties van de U-boten. De vijand had overduidelijk de overhand en de onderzeebootdienst had dat met 41 verloren gegane boten moeten bekopen. Het was een negatief record en betekende een reductie van één zesde in een tempo dat alleen kon leiden tot de volledige vernietiging van het onderzeebootwapen. Er werden meer boten vernietigd dan er in Duitsland gebouwd werden. Erger nog, bemanningen konden nooit zo snel opgeleid worden om deze verliezen het hoofd te bieden.

Het waren voor Doenitz de donkerste dagen van zijn leven. Al zijn bezieling, zijn leiderschap, zijn intelligentie en zijn band met zijn bemanningen – het telde voor niets. Het pijnlijkste verlies leed hij op de 19e: een Engels vliegtuig bracht de U-954 tot zinken met aan boord zijn jongste zoon Peter.

Epiloog

Toen Doenitz in mei 1943 zijn boten terugtrok, deed hij dat in de overtuiging dat het slechts om een tijdelijke terugtocht ging. Hij hoopte dat de introductie van nieuwe wapens en tactieken de onderzeebootdienst opnieuw tot een doeltreffend instrument zou transformeren. Hij zat er ver naast.

De nieuwe wapens bestonden uit een primitieve akoestische torpedo, de Zaunkönig en versterkt luchtdoelgeschut. Met behulp van deze wapens zouden de U-boten zich voortaan door het kordon van escorteschepen en vliegtuigen moeten vechten. In september 1943 kwamen de U-boten weer massaal op zee. Tijdens het eerste konvooigevecht leek de nieuwe methode vruchten af te werpen, maar de illusie van succes duurde slechts dagen: de resultaten en de kracht van de Zaunkönig werden schromelijk overschat en de geallieerden hadden binnen de kortste keren hun tactieken aangepast en nieuwe maatregelen tegen de akoestische torpedo’s geïntroduceerd. De resultaten van deze nieuwe fase waren een drama: het tot zinken gebrachte tonnage zou zakken tot enkele tienduizenden per maand. En dan te bedenken dat sinds de Verenigde Staten meededen aan de oorlog, de Duitsers ongeveer één miljoen Bruto Register Ton per maand moesten zinken om te kunnen winnen… Wat niet veranderde, was de kwetsbaarheid van de U-boten. De geallieerden bleven met groot gemak boten tot zinken brengen. Door de radiozenders af te luisteren en te peilen, door puike radarsystemen en door slimme coördinatie van torpedobootjagers, konden U-boten met een grote mate van succes worden bevochten. Ze werden er zo goed in dat er zelfs jachtgroepen geformeerd werden – precies datgene wat tot nog toe steeds mislukt was. Zodra een U-boot eenmaal gepeild was, was ontsnappen bijna onmogelijk. Veel boten werden op hun eerste reis al gesnapt… Doenitz bleef U-boten naar zee sturen, om de geallieerden bezig te houden. Als de boten niets zouden doen, zouden de geallieerden tienduizenden zeelieden en vliegeniers ergens anders kunnen inzetten.

Onderwijl zette Doenitz alles op alles om de nieuwe zogenaamde electroboten operationeel te krijgen. Deze nieuwe typen waren echte onderzeeërs: zij konden door een snorkel weken- of zelfs maandenlang onderwater varen en door hun extra grote accu’s konden ze onder water bijna net zo snel varen als de verouderde typen VII en IX aan de oppervlakte, zodat onderschepping onder water mogelijk werden. Helaas voor Doenitz kwamen deze boten ruimschoots te laat. Door vertragingen in het ontwerp en de constructie waren er maar een handvol missies mee uitgevoerd.

Allemaal veel te laat: na mei 1943 ging de zon niet meer op voor Doenitz en zijn U-boten.

Bronnen
V.E. Tarrant, The U-boat offensive 1914-1945 (Londen 2000, 1e druk 1989)
A. Williams, The Battle of the Atlantic (Londen 2002)

Het eerste boek geeft een uitstekend overzicht van de strijd op de oceanen in beide wereldoorlogen, met goede argumentatie en feitelijke onderbouwing.

Het tweede boek hoort bij een documentaire van de BBC uit 2002 over de slag op de Atlantische Oceaan gedurende de Tweede Wereldoorlog en gaat dieper in de bredere aspecten van de strijd met meer persoonlijke ervaringen van deelnemers. Daarnaast wordt er een kijkje genomen achter de schermen voor wat betreft de belangrijkste ontwikkelingen in de strijd.

De beste en bekendste website over U-boten is www.uboat.net, wat absoluut de eerste plaats is om meer informatie op het net te vergaren.

Op deze YouTube link, http://www.youtube.com/watch?v=ew7_2PNOyH0, is een propagandafilm te zien met als hoofdrolspeler Engelbert Endrass, de commandant van U-48 en U-567. De film is van 17 oktober 1941, uit de nog relatief goede tijd voor de onderzeeboten. Endrass was een topcommandant, die op nummer 23 van de lijst van succesvolste commandanten zou eindigen. Hij werd onderscheiden met het Ridderkruis met Eikenloof. Op deze film is hij rond het hoogtepunt van zijn roem en kunnen. Kort hierna, op 21 december 1941, verging hij met man en muis. Het filmpje geeft een beknopte en geromantiseerde indruk van een geslaagde oorlogspatrouille.

Bookmark and Share
Meer artikelen door Reinout Hubbers: