De Eerste Wereldoorlog van binnenuit

Er bestaan al honderden boeken over de Eerste Wereldoorlog. Maar toch verschijnen er steeds weer nieuwe benaderingen van dit onderwerp. Een voorbeeld daarvan is de novelle 14 ‒ een kortere titel lijkt niet te bedenken! ‒ van de Franse schrijver Jean Echenoz: in 2012 verschenen en behalve in het Engels, het Duits, het Spaans, het Catalaans en het Pools nu onlangs ook in het Nederlands vertaald.

omslag14Echenoz, die al een heel oeuvre op zijn naam heeft staan en ook door het in 1999 winnen van de Prix Goncourt een uitstekende reputatie als schrijver heeft opgebouwd, kreeg toevallig dagboekaantekeningen van een soldaat in handen en is zich toen verder gaan verdiepen in de jaren 1914-1918. Het was hem er vooral om te doen het wezen van die gruwelijke oorlog als het ware van binnenuit weer te geven.

Centraal in zijn beschrijving staan daarom een paar heel gewone, met elkaar bevriende soldaten uit de Vendée. Als in augustus 1914 ook in hun stad de stormklok luidt als signaal dat ook in Frankrijk de mobilisatie een feit is geworden, is er geen ontkomen aan. De vrienden moeten zich allemaal aanmelden, worden ingedeeld bij een regiment, krijgen een uniform aan en vertrekken dan per trein vanuit Nantes naar de Ardennen. Plezierig is dat uiteraard niet, maar zij worden bewonderd en toegejuicht door hun achterban en denken vast bij elkaar te kunnen blijven. Trouwens: veel langer dan een paar weken zal de oorlog volgens hen zeker niet duren.

Dat valt allemaal natuurlijk zwaar tegen, maar zichzelf van alles afvragen en protesteren heeft geen enkele zin. In hun ogen zit er dus niets anders op dan gelaten hun lot te ondergaan. In een hoog tempo leren zij een beetje hoe zij zich moeten gedragen en wat zij zoal in hun zware ransel mee moeten sjouwen. Maar voordat zij het weten zitten zij direct al midden in het oorlogsgeweld. Er breekt dan een verschrikkelijk periode aan, vol ontberingen en angsten. Dagelijks vallen er aan het front duizenden doden en gewonden, nog afgezien van de burgerslachtoffers.

Echenoz probeert geen totaalbeeld te schetsen geven van de belangrijkste gebeurtenissen tijdens de jaren 1914-1918 en de achtergronden daarvan. Hij beperkt zich tot een paar plaatsaanduidingen in Picardië en Champagne-Ardennes en legt het accent op de eerste twee oorlogsjaren. Bovendien ontbreekt iedere vorm van partijdigheid. De Engelse bondgenoten worden niet genoemd en de Duitsers worden hooguit in het voorbijgaan even aangeduid als ‘die van de overkant’. Kennelijk moet de lezer denken dat alles wat de vijf militaire nieuwelingen uit Frankrijk zoal meemaken, representatief is voor alles wat de doorsnee soldaten uit allerlei landen aan het Westelijk Front konden meemaken.

Een van de vrienden, Charles geheten, die onderdirecteur van een schoenenfabriek was en zich soms nogal uit de hoogte tegenover zijn kameraden gedraagt, heeft dankzij de bemiddeling van zijn vriendin Blanche een plaatsje gekregen bij de sinds kort bestaande luchtmacht. Dat lijkt een veilig baantje te zijn, maar al tijdens zijn eerste vlucht in een op een grote vlieg lijkende tweepersoonsdubbeldekker wordt hij vanuit een passerend vijandelijk vliegtuigje doodgeschoten. Een tweede vriend, die vilder was, wordt uit elkaar gereten door een granaat. De hoofdfiguur van de novelle, Anthime, is een jongere broer van Charles en was boekhouder. Hij mag in de loop van het tweede oorlogsjaar al terug naar huis en wordt daarmee van alle kanten gefeliciteerd; maar… de reden voor zijn ontslag is dat hij zijn rechterarm is kwijtgeraakt. In zijn woonplaats ontmoet hij op den duur een andere overlevende, een slagersjongen die tijdens een gifgasaanval blind geworden blijkt te zijn. De laatste van het vijftal, een zadelmaker die zich begin 1917 nog aan het front bevond en toen een keer zomaar een eindje ging wandelen, werd aangezien voor een deserteur en daarom geëxecuteerd.

Dwars door al die verhalen heen loopt ook een ingewikkelde liefdesgeschiedenis. De al eerder genoemde Blanche, behorend tot de familie die eigenaar was van de plaatselijke schoenenfabriek, merkte pas na het vertrek van haar snel gesneuvelde vriend Charles dat die haar zwanger had gemaakt. Omdat er tussen haar en Anthime al voor het uitbreken van de oorlog ook een zekere aantrekkingskracht had bestaan, konden zij na diens terugkeer naar huis samen de zorg voor haar opgroeiende dochtertje gaan delen, ook al kreeg hij op den duur door het verlies van zijn arm veel last van fantoompijnen.

DE HOUDING VAN DE VERTELLER

De alwetende verteller beschrijft het gruwelijke en tegelijkertijd zinloze oorlogsgeweld op een zakelijk-precieze en afstandelijke manier, maar tegelijkertijd ook zonder reserves. Vooral het onophoudelijke mitrailleur- en kanonvuur, het van dichtbij gebruiken van vlammenwerpers, messen en bajonetten, de overal ontploffende granaten en inslaande bommen en niet in de laatste plaats ook de afschuwelijke gifgasaanvallen komen soms pagina’s lang heel direct in beeld.

Heel opvallend in dit kader is een passage op p. 52 waarin de meestal heel terughoudende verteller plotseling zelf het woord neemt. Wat hij dan opmerkt klinkt mij cynisch in de oren, temeer daar vormen van ironie hem niet vreemd lijken te zijn. Maar waarschijnlijk wil hij eenvoudigweg niet dramatiseren. Ik citeer:

‘Dat alles is al duizend keer beschreven, dus misschien is het niet de moeite om nog langer bij stil te staan bij die smerige, stinkende opera. Misschien is het ook niet erg nuttig en relevant om de oorlog met een opera te vergelijken, vooral als je niet zo van opera houdt, ook al is die net als hij overweldigend, pompeus, buitensporig, vol langdradige passages en ook al maakt die net als hij veel lawaai en is hij op den duur nogal saai.’

Wat ik ook heel bijzonder vind in het geschetste oorlogsbeeld, is dat het zo ‘veelkantig’ is. Wat ik met die term bedoel, is dat de verteller bij herhaling laat merken dat er ook in tijden van oorlog heel vaak erg uiteenlopende dingen naast en door elkaar gebeuren. Ik volsta met een paar voorbeelden.

Zoals vaak in ellendige tijden zochten aan het begin van de oorlog ook veel militairen naar troost in de drank. Wijn was echter al gauw nergens meer te krijgen; hooguit kon je hier en daar wat pure alcohol kopen, maar die was dan ongeveer vijf keer zo duur als anders. De staf besloot toen zelf een ‘correcte’ hoeveelheid aan de manschappen te gaan verstrekken om hun moreel wat te verbeteren.

Wat ik ook interessant vind, zijn de manieren waarop de soldaten die zich tijdens gevechtspauzes begonnen te vervelen, vol overgave op zoek gingen naar manieren om de tijd door te komen. Dan bleef het beslist niet bij een spelletje kaarten of dammen, maar waren bijvoorbeeld ook zaklopen of haasje-over doen populair. Wat eveneens heel leuk kon zijn was met een katapult conservenblikjes vol met urine naar de overkant schieten. Tja.

En dan de wereld van de dieren. Vaak waren die heel nuttig en hard nodig, zoals de paarden, de lastezels, de honden en de postduiven. Aan de andere kant vormden met name de muizen, de ratten en de luizen een bijna onophoudelijke kwelling. Dat alles is bekend en lag voor de hand. Maar wat deden de soldaten ook af en toe om de steeds weer terugkerende honger een beetje te stillen? Als zij in de buurt van wegens het oorlogsgeweld verlaten boerderijen kwamen of ergens in de vrije natuur rondliepen, kwamen zij vaak allerlei loslopende dieren tegen. De jacht was streng verboden. Maar wat deed men dan toch? Een mes gebruiken om een stuk vlees uit te snijden. En dat niet alleen bij de gewone last- en fokdieren, maar bijvoorbeeld ook bij een vos, een wezel of een raaf. Ook een egel kon trouwens heel lekker zijn in de ragout. En waarom zou je, als je toevallig toch in de buurt van een waterloop was gelegerd, niet eens proberen of je met een granaat vissen kon vangen.

Interessant is ook wat er in de schoenenfabriek gebeurde toen Anthime daar na zijn terugkeer naar huis door toedoen van zijn vriendin een erebaantje had gekregen. Terwijl er in het laatste oorlogsjaar steeds weer grote groepen nieuwe mannen gemobiliseerd werden, nam de vraag naar laarzen sterk toe. Dat was dus een mooie kans om de kwaliteit daarvan te verlagen en tegelijkertijd de prijs te verhogen. Maar toen het tweetal de fabriek voor de rechtbank moest vertegenwoordigen, volgde er wel een teleurstellende veroordeling.

Ten slotte wil ik nog even stilstaan bij het slot van dit om vele redenen zo opvallende oorlogsboek. Als Anthime en Blanche uiteindelijk samen een keer naar Parijs gaan en dan ook seksueel contact met elkaar hebben, komt daar een baby uit voort. Het jongetje wordt precies geboren op het moment dat de laatste veldslag van de Eerste Wereldoorlog plaatsvindt. En dan krijgt hij de naam Charles: dat wil zeggen de naam van de aan het begin van de oorlog neergeschoten vroegere vriend van zijn moeder. Is dat nu een afsluiting van het recente verleden? Een soort happy end? Of juist niet. Wie het weet mag het zeggen.

Jean Echenoz, 14.
Uit het Frans vertaald door Martin de Haan.
Breda, 2015; uitg. De Geus.
ISBN 978 90 445 3479 5
121 pagina’s, gebonden; ook verkrijgbaar als e-book.

[bol_product_links block_id=”bol__selected-products” products=”9200000036134904,9200000038326812,9200000025794192″ name=”14″ sub_id=”” link_color=”E94C00″ subtitle_color=”E94C00″ pricetype_color=”000000″ price_color=”E94C00″ deliverytime_color=”C20318″ background_color=”FFDF80″ border_color=”E94C00″ width=”411″ cols=”1″ show_bol_logo=”undefined” show_price=”1″ show_rating=”1″ show_deliverytime=”1″ link_target=”1″ image_size=”1″ admin_preview=”1″]
Schrijf je in voor TOEN!