De eerste WIC expeditie

De oprichting van de West-Indische Compagnie in 1621 was niet zonder reden . Tim Wachelder geeft in dit artikel de geschiedenis van de eerste expeditie van de WIC naar Brazilië weer.

 


Het groot desseyn

Oprichting WIC

In 1621 werd de oprichting van de WIC door de Staten-Generaal bevestigd. Pas vanaf 1623 was er voldoende kapitaal beschikbaar voor de WIC om activiteiten te kunnen ontplooien. De structuur en bevoegdheden van de organisatie werden in de 45 artikelen van het charter vastgelegd. De inhoud van de tekst kwam opmerkelijk overeen met het VOC-octrooi van 1602. Het octrooi was 24 jaar geldig, waarna de Staten-Generaal opnieuw zouden moeten oordelen over het voortbestaan van de WIC. In het octrooi was bepaald dat de compagnie in het bezit was van het monopolie op de handel en scheepvaart op Afrika ten zuiden van de kreeftskeerkring, op Amerika en op de eilanden in de Atlantische oceaan, gelegen tussen de twee meridianen, getrokken over Kaap de Goede Hoop en het oostelijk uiteinde van Nieuw-Guinea. Behalve de Atlantische Oceaan viel dus ook het grootste deel van de Stille Oceaan onder het octrooigebied, evenals het Afrikaanse continent ten westen van Kaap de Goede Hoop.

Kamers
Net als in de VOC werd het bestuur van de WIC verdeeld over vijf kamers: Amsterdam, Zeeland, de Maas, het Noorderkwartier en Stad en Lande, ofwel Groningen en Friesland. Uit de grote aandeelhouders, de hoofdparticipanten, werden de Heren Negentien gekozen. Dit was het hoogste bestuursorgaan. Amsterdam kreeg acht, Zeeland vier en de andere drie kamers elk twee zetels toebedeeld in dit college. Het negentiende lid, dat werd benoemd door de Staten-Generaal, had een beslissende stem als er verdeeldheid was. Verder werd in het charter vastgelegd dat Amsterdam vier-negende deel van het kapitaal zou leveren, Zeeland twee-negende en de andere kamers ieder één-negende deel. Deze ‘negensleutel’ werd ook gebruikt om te bepalen welk aandeel de kamers hadden in de uitreding van schepen en de verkoop van goederen.

Wapen tegen Spanje en Portugal
Vanaf 1623 zou de WIC zich manifesteren als een wapen in de strijd tegen de Spanjaarden en Portugezen in het Atlantisch gebied. Zoals al in het conceptoctrooi van 1606 was geopperd had de WIC de nodige juridische en militaire bevoegdheden gekregen om zelfstandig te kunnen opereren. De Compagnie was gefundeerd op de pijlers koophandel, kolonisatie en kaapvaart. De kaapvaart zou een belangrijke methode blijken te zijn om de Spanjaarden in het Atlantisch gebied schade te berokkenen. Hoewel de WIC functioneerde als een effectief oorlogsinstrument van de Republiek, is het niet zo dat de Staten-Generaal dit als het enige doel van de organisatie zagen. In de Staten-Generaal waren immers ook lieden met handelsbelangen vertegenwoordigd; hun belangen kwamen niet altijd overeen met de nationale belangen van de Republiek. Naarmate de WIC in de loop van haar bestaan steeds vaker steun nodig had van de Staten-Generaal, nam de invloed van de landsregering op haar beleid wel toe.

Het plan
De aandeelhouders en bewindhebbers van de WIC hadden hun geld ingezet op het verwerven van een nieuw handelsterrein dat op korte termijn winstgevend zou zijn. De onvermijdelijke oorlog met Spanje en Portugal, tussen 1580 en 1640 verenigd onder de Spaanse Kroon, die uit dit verlangen voortkwam werd gesteund door de Staten-Generaal. In 1623 ontwierpen de Heren Negentien een ambitieus plan om het Zuidatlantisch imperium van de Portugezen te veroveren. Dit ‘groot desseyn’ ging uit van de verovering van Bahia dat aan de Allerheiligenbaai in Brazilië lag, om vervolgens São Paulo de Loanda, het belangrijkste slavenstation van West-Afrika, in te nemen. Op deze wijze zou de WIC zowel het suikerproducerende Brazilië, dat het hart van het Portugese Atlantische rijk vormde, als de Afrikaanse slavenhandel controleren. Aan het einde van 1623 werd een vloot geformeerd om Bahia in te nemen.

Naar Brazilië
De Duitser Johann Gregor Aldenburgk maakte als soldaat in dienst van de WIC deel uit van de expeditie om Bahia te veroveren. Hij schreef erover in zijn reisverhaal ‘West-Indianische Reiße und Beschreibung der Belag-und Eroberung der Statt S. Salvador in der Bahie von Todos os Sanctos inn dem Lande von Brasilia’ dat in 1627 te Coburg gepubliceerd werd.

Van Amsterdam naar Sint Vincent
Het bevel van de landtroepen was in handen van Jan van Dorth, een ervaren militair. Behalve van kolonel Van Dorth maakt Aldenburgk melding van kapitein-majoor Allert Schouten en zijn broer Willem. Aldenburgk behoorde tot de compagnie van de Friese kapitein Ernst Vogelgesang. Admiraal Jacob Willekens voer op het vlaggenschip Zeelandia. Hij werd bijgestaan door de uit Delftshaven bij Rotterdam afkomstige vice-admiraal Piet Heyn. De expeditie naar Bahia bestond uit zesentwintig zeilschepen, voorzien van vierhonderdvijftig kanonnen en met drieëndertighonderd manschappen aan boord. De vloot verliet de Nederlandse havens in twee groepen, in december 1623 en in januari 1624. In maart van het jaar 1624 zouden de twee eskaders elkaar weer vinden op de Kaap Verdische eilanden.
Aldenburgk maakte de oversteek naar Brazilië op het schip de Hoop, van de vloot die op 22 december 1623 vertrok. Dit betekent dat hij zich in het eskader bevond dat het eerst uitvoer. In het Kanaal tussen Dover en Calais kwam de Hoop in een zware storm terecht, waarbij de bezaan, dat wil zeggen het achterste zeil, scheurde en het schip bijna op de Vlaamse kust strandde, ‘wann uns Gott nicht behütet hette’. Tijdens de storm raakte het schip verwijderd van de overige en zeilde alleen verder. Enkele dagen later volgde in het Kanaal een ontmoeting met een Engels koopvaardijschip dat met vracht uit Turkije terugkeerde. De daaropvolgende dag zagen Aldenburgk en de andere opvarenden in de verte zestien schepen ‘auff welchen Hamburger und Duinkircher willens in Hispanien zu fahren’. De mogelijkheid dat die schepen bemand werden door ‘Duinkerkers’ zal de bemanning angst aangejaagd hebben, omdat dit beruchte zeerovers in Spaanse dienst waren. De reis kon echter voortgezet worden en de Hoop passeerde de Kanarische eilanden.
Dertien dagen na hun vertrek kwam het schip bij de Kaap Verdische eilanden aan. Er wordt geen melding gemaakt van andere schepen, dus het is aannemelijk dat de Hoop het eerste schip was van de door de storm in het Kanaal verspreidde vloot dat de Kaap Verdische eilanden bereikte. Op de veertiende dag na vertrek, dat wil zeggen op 5 januari 1624, ging het schip voor anker bij het onbewoonde eiland Sint Vincent.

Reparaties en wachten te Sint Vincent
De baai van het eiland deed dienst als de verzamelplaats voor deze schepen en van de rest van de vloot die nog zou volgen Hier werden reparaties uitgevoerd en alle touwen werden vervangen. Verder sloeg men voorraden in, zoals geitenvlees en vruchten en er werd hout gekapt. Er was echter weinig drinkwater voorhanden. Aldenburgk en zijn reisgenoten brachten hier de nodige tijd door terwijl gewacht werd tot de overige schepen van de vloot binnen liepen. Aldenburgk schrijft dat in de ochtend van 29 januari het eerste andere schip van de vloot aankwam, de Oranjeboom. Het werd begroet met saluutschoten. Dit schip werd gevolgd door het admiraalsschip en verscheidene andere vaartuigen. Na bijna twee maanden vergeefs gewacht te hebben op de Hollandia, het schip met kolonel Van Dorth aan boord, gaf admiraal Jacob Willekens op 26 maart 1624 het bevel koers te zetten naar Bahia. Aldenburgk stelt dat het schip van de kolonel op een eerder tijdstip vanwege tegenwinden de baai van Sint Vincent niet binnen kon lopen. Hij en zijn reisgenoten zagen de Hollandia en de Samson, die op een afstand voor anker lagen, voor vijanden aan, totdat enkele uitgestuurde schepen vaststelden dat het Nederlandse schepen waren. De volgende nacht stormde het zo hevig dat beide schepen niet langer voor anker konden blijven liggen. De Samson liep de volgende dag veilig binnen, maar langsdrijvende stukken hout deden Aldenburgk het ergste vermoeden voor de Hollandia. Er was geen spoor meer van het laatste schip te bekennen en men nam aan dat het vergaan was.

Pernambuco
De vloot kwam op 29 april op de hoogte van Pernambuco, waar voorbereidingen werden getroffen om het offensief tegen Bahia, ofwel San Salvador, te beginnen. Volgens Aldenburgk kwam op 13 mei de kust in zicht en ging de vloot in de nacht van 16 mei, bijna vijf maanden nadat het eerste eskader de haven van Texel verlaten had, voor anker bij de monding van de Allerheiligenbaai. Het schip met kolonel Van Dorth aan boord was op dat moment overigens, nadat het op eigen houtje richting Brazilië was gevaren, al bijna een maand op open zee aan het kruisen, maar niet in zicht van de kust.

De strijd om Bahia

Verovering
In de ochtend van 16 mei 1624 werd de aanval op Bahia ingezet. Nederlandse schepen voeren de Allerheiligenbaai in, waar ze onder vuur werden genomen door de Portugese kustbatterijen. Groningen, het schip van vice-admiraal Piet Heyn, liep voor een grote kustbatterij aan de grond en werd volgens Aldenburgk door zeventig kanonskogels getroffen. Gedurende deze beschieting vond kapitein Andre von Colmer Kopff de dood. De busschieters, ofwel kanonniers, van Piet Heyn’s schip schoten desondanks alle borstweringen van de Portugese stellingen kapot en een afdeling matrozen slaagde erin om de batterij in te nemen en de stukken onklaar te maken. Onder musketvuur vanuit de stad trokken deze mannen zich vervolgens weer terug op de Groningen. De Nederlandse troepen gingen aan land en Aldenburgk bevond zich in de voorhoede van het leger dat de stellingen van de Portugezen, op de berg waar ook het fort San Antonio lag en van waaruit de Nederlanders bestookt werden, bestormde. Daarna marcheerden de Nederlandse soldaten op naar Bahia en werden zware stukken geschut aan land en in stelling gebracht. Aldenburgk maakte deel uit van een groep soldaten afkomstig uit verschillende compagnieën onder leiding van kapitein Helmut. Zij begaven zich naar de voorstad van Bahia, waar zij geen tegenstand ondervonden en de nacht doorbrachten in een klooster waar de soldaten genoten van ‘herrliche süsse Wein’ en aanzaten aan ‘Tafeln mit silbern Schalen und köstlichen Confecten’. De stad was omsingeld. De volgende ochtend, op 17 mei, gaven de Portugese verdedigers Bahia over. De Nederlandse troepen trokken de stad binnen, die op enige zwarten na verlaten was. Zij troffen daar ‘grosse Köstlichkeiten’ aan, waaronder edelstenen, goud, zilver en allerlei producten.

Op 19 mei 1624 veroverden de Nederlandse soldaten het fort Sint Anthonius en lieten er enige soldaten achter. Verder veroverden Aldenburgk en de zijnen het fort S. Philippo en Tapesiepe. Nog in dezelfde maand maakten de Nederlanders twee uit Lissabon afkomstige schepen buit die nietsvermoedend de Allerheiligen baai invoeren. In juli 1624 viel kolonel van Dorth samen met zijn escorte in een hinderlaag van de Portugezen en werd gedood. Naar het schijnt werd zijn lichaam door de indianen die deel uitmaakte van de Portugese guerilla verminkt door zijn neus, oren en handen af te snijden en bovendien van zijn lichaam te eten. Na de dood van de kolonel werd kapitein-majoor Allert Schouten de commandant van de Nederlanders. Hij bevorderde zijn broer Willem tot de rang van kapitein-majoor, zodat deze de tweede in rang was. Jonkheer Willem van Dorth kreeg het bevel over de compagnie van zijn overleden vader toegewezen.

Herovering door de Spanjaarden
Op 29 maart zagen Aldenburgk en zijn metgezellen het eerste schip van de machtige Spaanse armada die Bahia kwam heroveren. Op eerste paasdag (30 maart) 1625 deden de Nederlanders onder leiding van kapitein Helmut en sergeant-majoor Kijf een succesvolle uitval op de Iberische soldaten die inmiddels aan land gekomen waren en zich bij het Benedictijner klooster buiten de stad bevonden. Er werden volgens Aldenburgk enkele honderden slachtoffers gemaakt. In werkelijkheid waren dit er honderd en negenenvijftig. Daarna trokken de Nederlanders zich weer terug. Verder vonden er nog schermutselingen en beschietingen over en weer plaats, waarbij Bahia zwaar onder het vijandelijke vuur te lijden had. Aldenburgk beschrijft hoe de onbekwame bevelhebber van de Nederlanders, Allert Schouten, afgezet werd, omdat hij het bevel gaf om op te houden met het uitlokken van schermutselingen met en het schieten op de vijand. Hij werd vervangen door sergeant-majoor Ernst Kijf. Aldenburgk geeft aan dat hij en zijn medesoldaten bereid waren om de stad tot de dood te verdedigen en dat zij zich liever tezamen met hun kruitvoorraad opbliezen. Hij heeft de kans niet gekregen om de daad bij het woord te voegen, omdat Bahia op 1 mei 1625 aan de Iberiërs werd overgedragen.

Epiloog
Nadat Bahia in de handen van de Spanjaarden en Portugezen was gevallen, werden de Nederlandse soldaten en matrozen gevangen genomen. Zij werden op zeven schepen gevangen gezet en enkelen van hen werden geëxecuteerd. De Spaanse vloot maakte zich echter klaar om te vertrekken en de gevangenisschepen zouden meevaren. Op last van admiraal Don Fadrique de Toledo y Osorio werden de stukken en munitie op deze schepen in het ruim ondergebracht. Gevangenen kregen een Spaanse pas. Verder werden de instructies verstrekt dat de schepen overdag de vlag van het admiraalsschip moesten volgen en ´s nachts het vuur. Johann Gregor Aldenburgk bevond zich op het schip S. Michael. Op 19 augustus 1625 voer de Iberische vloot uit, of liever gezegd, probeerde de vloot uit te varen, en het schip van Aldenburgk voer te midden van de Spaanse en Portugese schepen. Vanwege sterke tegenwind ging het grootste deel van de vloot echter weer voor anker in de Allerheiligen baai en ook de S. Michael had grote moeite om de baai te verlaten. Toen de schipper echter terug wilde keren naar de Spaanse vloot werd hij door de opvarenden bedreigd. Zij wilden dat hij doorvoer naar Sāu Paulo en zo geschiedde. Het is duidelijk dat de bemanning van het schip grotendeels uit Nederlandse gevangenen bestond, die bepaald niet geketend waren. Zij zagen een kans om te ontkomen aan de Spanjaarden en zodoende niet het gevaar te lopen om gevangen gehouden te worden of zelfs om het leven gebracht te worden. Na een reis die gekenmerkt werd door honger en dorst werden zij in Engeland aan land gezet door de schipper, die zelf naar Frankrijk door wilde varen. Na een tijdelijk verblijf in Engeland, arriveerden zij met een ander schip in november 1625 in Amsterdam.
De expedities die in de jaren twintig van de zeventiende eeuw werden ondernomen om Brazilië en West-Afrika op de Portugezen te veroveren waren niet succesvol. Pas na de verovering van een Spaanse zilvervloot door Piet Heyn in 1628 had de WIC weer kapitaal voor nieuwe ondernemingen. In 1630 werd het noordelijke deel van Brazilië door de Nederlanders bezet, terwijl het zuiden in handen van de Portugezen bleef. Hoewel de WIC in de jaren dertig haar positie in Brazilië uit zou breiden en in 1637 het Portugese fort Soã Jorge da Mina op de Goudkust veroverde, kreeg de compagnie nauwelijks de kans daar van te profiteren. Vanaf 1642 kwamen de Portugese kolonisten in het Nederlandse deel van Brazilië in opstand. Tussen 1642 en 1654 werd er gestreden door de Republiek en Portugal om dit land. Uiteindelijk trok Portugal aan het langste eind. Het ‘groot desseyn’ was gaandeweg op een kostbare mislukking voor de WIC uitgelopen. De jarenlange oorlog in het Atlantisch gebied had de organisatie in zware financiële problemen gebracht.

Literatuur
Aldenburgk, Johann Gregor,‘West-Indianische Reiße und Beschreibung der Belag-und Eroberung der Statt S. Salvador in der Bahie von Todos os Sanctos inn dem Lande von Brasilia’ , in: S.P. l’Honoré Naber, Reisebeschreibungen von Deutschen Beamten und Kriegsleuten im Dienst der Niederländischen West- und Ost-Indischen Kompagnien 1602-1797, I (Den Haag 1930)

Boxer, C. R., Salvador de Sá and the struggle for Brazil and Angola (Londen 1952)

Boxer, C. R., De Nederlanders in Brazilië 1624-1654 (Amsterdam 1993)

Goor, J. van, De Nederlandse koloniën. Geschiedenis van de Nederlandse expansie 1600-1975 (Den Haag 1993)

Heijer, Henk den, De geschiedenis van de WIC (Zutphen 2002)

Wachelder, Tim, Avonturen in Brazilië en op de Goudkust. Vier Duitsers in dienst van de WIC (1623-1645) (doctoraalscriptie Radboud Universiteit Nijmegen 2004)

Tim Wachelder

Tim Wachelder studeerde geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Tijdens zijn studie specialiseerde hij zich in Europese Expansiegeschiedenis. Behalve over koloniale geschiedenis schrijft hij ook over militaire, culturele en Nijmeegse geschiedenis. Sinds 2007 is hij webredacteur bij Historiën.

More Posts

2 Reacties op De eerste WIC expeditie

Geef een reactie

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!