De geschiedenis van het Nederlandse onderwijs

Aap, noot, Mies, Wim, zus, Jet. Wie is niet groot geworden met deze en andere woorden van het leesplankje van meester Hoogeveen? Het onderwijs in Nederland kent een rijke geschiedenis. 

leesplankje_hoogeveen

Hoogeveens 2e versie van zijn leesplankje. Bron: wikimedia commons

Van parochieschool tot Steve Jobs school

Aap, noot, Mies, Wim, zus, Jet. Wie is niet groot geworden met deze en andere woorden van het leesplankje van meester Hoogeveen? Het onderwijs in Nederland kent een rijke geschiedenis. Veel is er veranderd, en zeker in lesmethoden en omgang met leerlingen. Zo waren in vroeger tijden lijfstraffen op school heel ‘gewoon’, maar zijn ze in deze tijd volstrekt uit den boze. Geschreven werd met ganzenveer en kroontjespen, en de computer, tablet en Steve Jobs school was nog verre toekomstmuziek.

De geschiedenis van het Nederlandse onderwijs begon in de 8e eeuw toen de Frankische vorst Karel de Grote een wet uitvaardigde, waarin bepaald werd dat alle Frankische jongens moesten kunnen lezen, schrijven, zingen en bidden. In die periode ontstonden steeds meer kloosterscholen, gesticht door missionarissen uit Engeland, waaronder Willibrord en Bonifatius. Van uitgebreid onderwijs was nog geen sprake. In de 12e eeuw werd bepaald dat elke parochie een schoolmeester moest aanstellen. De door de parochie aangestelde schoolmeester was meestal de koster, die de jongens wat leerde lezen en schrijven. De schoolmeester was zeer streng en lijfstraffen waren toen heel ‘gewoon’.

In de 15e eeuw werden de parochiescholen steeds vaker overgenomen door de steden, die eigen scholen stichtten. In die periode gingen ook steeds meer meisjes naar school. De leerlingen kwamen vooral uit de stedelijke burgerij. Verder kregen kinderen van rijke en adelijke families dikwijls thuisonderwijs van gouvernantes. Kinderen die tot een lagere klasse behoorden of op het platteland woonden, gingen toen nauwelijks naar school. Zij moesten hard werken; thuis, op het land of de boerderij, en voor school was geen geld. Kinderarbeid was toen heel ‘gewoon’ en gebruikelijk.

Van ganzenveer tot computer en tablet

In de Middeleeuwen leerden de leerlingen schrijven met ganzenveer en inkt. Daarvoor moesten zij goed kunnen lezen en spellen. Dat was zeker niet eenvoudig, want het schrijven met een ganzenveer en inkt diende secuur te gebeuren. De leerlingen leerden eerst schrijven op een wastafeltje.

Dit was een houten of metalen plaatje waarop een laagje was werd aangebracht. Met een stylus, een soort metalen pen, kerfde de leerlingen woorden in de waslaag. Leren schrijven was duur en niet voor iedereen weggelegd. Aan het begin van de negentiende eeuw werd de ganzenveer vervangen door de kroontjespen. Schrijven met een kroontjespen was eenvoudiger. Schrijfles was voortaan een vast onderdeel van het Nederlandse onderwijs. Later werd de kroontjespen vervangen door een vulpen, potlood of balpen, en tegenwoordig steeds vaker door computer en tablet.

stylus

Voorbeelden van Middeleeuwse styli of schrijfstiften. Twee grote schrijfstiften gemaakt van ijzer, een kleinere messing stylus en de kleinste stylus is gemaakt van been. Bron: wikimedia commons

De Onderwijswet van 1806 en de vele veranderingen

Onderwijs was vanaf 1800 een taak van de overheid. De onderwijsinspecteur w Adriaan van den Ende was de drijvende kracht achter de Onderwijswet van 1806. De belangrijkste zaken die in de wet werden vastgelegd waren: Leraren werden verplicht om klassikaal les te geven. Maatschappelijke en christelijke deugden moesten onderwezen worden. Onderwijzers moesten bevoegd zijn en een onderwijsakte behalen. Ouders werden verplicht schoolgeld te betalen. Wel werd onderscheid gemaakt tussen openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs. Alleen het openbaar onderwijs kreeg subsidie van de overheid. De landelijke inspectie zag toe op naleving van de nieuwe schoolregels. Ieder kind in Nederland moest goed onderwijs krijgen. Het leerstellig onderwijs, waarbij kinderen psalmen en Bijbelteksten uit het hoofd moesten leren, maakte plaats voor algemeen christelijk onderwijs, dat gezien werd als neutraal. De verschillende kerken moesten zelf zorgen voor extra godsdienstlessen.

In 1820 werd het verbod op lijfstraffen op school ingevoerd. Lijfstraffen waren onder andere: tik op de vingers, draai om de oren, billenkoek met de roe op de billen. Een andere straf was het gooien van de ‘pechvogel’ naar een stoute leerling. Als de ‘stoute’ leerling de pechvogel bij de onderwijzer inleverde, kreeg de leerling als ‘dank’ een flinke pets met de plak. Kinderen die ‘domme’ vragen stelden of steeds weer dezelfde fouten maakten, moesten soms ezelsoren dragen. Zo kon iedereen zien dat deze leerlingen dom waren. Een andere akelige straf was het schandbord. Leerlingen moesten dit zware bord om hun nek hangen, zodat iedereen kon zien dat ze iets verkeerds hadden gedaan.

De gestrafte leerling schaamde zich en het was de bedoeling dat andere kinderen het niet waagden om stout of ongehoorzaam te zijn. Het was voor onderwijzers een hele toer om orde te houden in de grote en volle lokalen. Lijfstraffen werden vaak gerechtvaardigd vanuit de Bijbel, onder andere door het citaat uit Spreuken 23:13: “Onthoud je kind geen afstraffingen; als je het slaat met de roede zal het er niet dood aan gaan”. Men was van mening dat lijfstraffen heel gewoon bij de opvoeding hoorden. Daarom duurde het ook lange tijd voordat iedereen overtuigd was van het nut van het verbod op lijfstraffen.

Schoolstrijd

In de onderwijswet van 1806 was neutraal openbaar onderwijs vastgelegd. Dit tot onvrede van de orthodox-protestanten, rooms-katholieken en joden. Door de invoering van de nieuwe onderwijswet in 1857 kregen ouders toestemming om bijzondere scholen op te richten, die zij zelf moesten financieren. Toch werden er weinig nieuwe scholen opgericht. Wel ontstonden er verenigingen die campagne voerden voor financiering van bijzondere scholen. Bekende namen die onlosmakelijk met de schoolstrijd verbonden waren: Isaac DaCosta, Johan Rudolph Thorbecke, de katholieke voorman Herman Schaepman, Guillaume Groen van Prinsterer (oprichter van Groen van de Vereniging voor Christelijk Nationaal Onderwijs), en Abraham Kuyper (opvolger van Groen van Prinsterer, oprichter van het Anti-Schoolwet Verbond. Vandaar uit ontstond de Anti-Revolutionaire Partij.) In de grondwet van 1848 werd de vrijheid van onderwijs, onder leiding van Johan Rudolph Thorbecke, opgenomen. De grondwet van 1848 werd als volgt geformuleerd: ‘Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het één en ander door de wet te regelen.’

Samuel_van_Houten

Moeders en fabriekskinderen bedanken Samuel van houten, prentje uit 1874. Bron: wikimedia commons

 Onderwijswet van 1857

Door minister Justinus van der Brugghen werd de Onderwijswet van 1857 ingevoerd. Deze wet moest een einde maken aan de schoolstrijd tussen de voorstanders van openbaar en bijzonder onderwijs, die was ontstaan door de Onderwijswet van 1806. Onderwijsvormen in deze wet waren: de lagere school, het meer uitgebreid lager onderwijs (mulo) en de hogereburgerschool (hbs. In 1878 werd de wet aangepast. Van der Brugghen wilde er met de Lager Onderwijswet van 1857 voor zorgen dat alle partijen tevreden zouden zijn. De overheid bleef zorgen voor neutraal openbaar onderwijs, en daarnaast kregen ouders de vrijheid om bijzondere scholen te stichten. Deze bijzondere scholen moesten door de ouders gefinancierd worden. Van der Brugghen wilde op deze manier de orthodox-protestanten, rooms-katholieken en joden tegemoetkomen, die niet tevreden waren met het ‘algemeen christelijk’ onderwijs uit 1806. Van leerplicht was nog geen sprake. Er werd slechts aangedrongen om kinderen naar school te sturen. In grote delen van het land bleef het analfabetisme voortwoekeren.

Hiermee was de eerste fase van de schoolstrijd beëindigd. Iedereen kreeg de vrijheid om een eigen school te stichten. Niet elke school werd in gelijke mate door de overheid gefinancierd, en dat was de inzet van de schoolstrijd in de tweede helft van de 19e eeuw. De orthodox-protestanten en rooms-katholieken begonnen samen op te trekken in hun strijd voor de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. De acties hadden succes. De Grondwet werd in 1917 herzien en de financiering van bijzondere en openbare scholen werd gelijkgesteld. Met de nieuwe Lager Onderwijswet van 1920 was de pacificatie van de schoolstrijd een feit.

Bijzonder onderwijs

Als bijzondere scholen golden in de negentiende eeuw scholen waar leerstellig godsdienstonderwijs gegeven werd. Huidige bijzondere scholen zijn scholen waar les wordt gegeven op een religieuze of levensbeschouwelijke basis, zoals protestants-christelijke, katholieke, joodse, antroposofische of islamitische scholen, maar ook bijzonder-neutrale scholen als de Jenaplan-, Dalton- en Montessorischolen.

Kinderwetje van Van Houten

Deze wet werd in 1874 ingevoerd op initiatief van de liberale politicus Samuel van Houten. Het ‘Kinderwetje van Van Houten’ verbood kinderen tot 12 jaar in fabrieken te werken. Landarbeid werd niet verboden. Tot aan de invoering van deze wet was kinderarbeid heel gebruikelijk. Doordat uitvoering van de wet nauwelijks gecontroleerd werd, ging kinderarbeid in de fabrieken wel gewoon door. In 1900 kwam er door de invoering van de leerplicht wel een eind aan kinderarbeid.

Geschiedenis van het Nederlandse onderwijs in ‘vogelvlucht.’

1806 – De onderwijswet van 1806

1848 – Vrijheid van Onderwijs komt in de grondwet: hoogtepunt van de schoolstrijd

1857 – Onderwijswet van 1857

1863 – Nieuwe wet op het Middelbaar onderwijs

1874 – Kinderwetje van Van Houten.

1876 – Nieuwe wet op het Hoger onderwijs

1900 – Eerste leerplichtwet in Nederland

1920 – Gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs.

1968 – Nieuw onderwijsbestel door de Mammoetwet

1985 – Samenvoeging kleuterschool en lagere school tot Basisschool.

1993 – Wet Basisvorming in de onderbouw van de middelbare school

1998 – Invoering Tweede Fase op Middelbaar Onderwijs: de vakkenpakketten worden vervangen door profielen

1999 – Vorming VMBO uit Mavo en LBO.

Bronnen

 

 

Schrijf je in voor TOEN!