De Indonesische revolutie in beeld

Soekarno riep 17 augustus 1945 de Republiek Indonesië uit, twee dagen na de capitulatie van Japan. Onafhankelijkheid was jaren de droom geweest van velen en nu was het eindelijk zover. Weg met die Hollanders! Maar klopt dit beeld wel? Historicus Remco Raben geeft zijn visie.

Kolonie

Voor de Tweede Wereldoorlog waren de Nederlanders duidelijk de baas in Nederlands-Indië. Zij bestuurden het land, smoorden eventuele opstanden in de kiem en verdienden veel geld aan de export van de koloniale producten. De grote meerderheid van de miljoenen boeren en arbeiders bleef onderontwikkeld maar de middenklasse van Nederlands-Indië groeide. Hun kinderen kregen voor het eerst fatsoenlijk onderwijs en sommigen gingen zelfs studeren aan een van de Nederlandse hogescholen.

Soekarno

Een jonge Soekarno, 1916. (bron: Wikimedia)

Een jonge Soekarno, 1916. (bron: Wikimedia)

Dit gold ook voor de latere president Soekarno. Eenmaal in het studentenmilieu kwamen de jongeren in aanraking met de nationalistische ideologieën die in de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw ook door Europa waaiden. De jonge intellectuelen namen deze denkbeelden over en wilden van de Nederlandse kolonisator af. In 1927 richtten Soekarno en andere leden van de Algemene Studieclub de PNI op: Partai Nasional Indonesia of de Indonesische Nationalistische Partij. Een onafhankelijke republiek was hun ideaal.

Blij onthaal Japanners

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vielen de Japanners Nederlands-Indië binnen. Historicus Remco Raben van de Universiteit Utrecht vertelt daarover: “Veel intellectuelen verwelkomden de Japanners aanvankelijk enthousiast. Zij zagen Japan als een voorbeeld: het land dat nooit een kolonie was geweest en zichzelf opnieuw had uitgevonden en gemoderniseerd. En ze gooiden die Nederlanders eruit. De ‘gewone’ bevolking daarentegen keek de kat uit de boom en hield zich niet erg bezig met politiek. Maar er zat iets van belofte en verandering in de lucht en men vroeg zich af of ze een slaatje konden slaan uit de komst van de Japanners.”

De Japanners beloofden de Indonesiërs dat ze het land zouden vernieuwen en verbeteren. Wat dit precies inhield, was niet duidelijk. Ondertussen werden Nederlanders en Europeanen in kampen gestopt, samen met Indonesische krijgsgevangen en andere dissidenten in de ogen van de Japanners. Maar na een jaar Japanse bezetting was de liefde wel over. De verwachte onafhankelijkheid kwam niet, integendeel; Japan gebruikte Indonesië voor eigen gewin en de economie raakte in het slop.

Vrouwen en kinderen wassen zich in het vrouwenkamp Kampong Makassar in Meester Cornelis (Batavia), na de capitulatie van Japan. (bron: Wikimedia, collectie Tropenmuseum)

Vrouwen en kinderen wassen zich in het vrouwenkamp Kampong Makassar in Meester Cornelis (Batavia), na de capitulatie van Japan. (bron: Wikimedia, collectie Tropenmuseum)

Kunstenaars

Sommige Indonesiërs wisten wel van de bezetters te profiteren: een mooi voorbeeld hiervan waren de kunstenaars, afkomstig uit de middenklasse. Onder de Nederlanders kregen zij weinig mogelijkheden om zich te ontwikkelen, maar de Japanners schonken hun geld en scholing.

Veel kunstenaars grepen deze kans met beide handen aan. Zij kregen tekenlessen, de ruimte en fondsen om hun werk tentoon te stellen en de kans om zich onderling te verenigen. Raben: “De kunstenaars wilden bovenal hun stijl en techniek verbeteren. Dat nam niet weg dat ze de Japanners wel degelijk als bezetters zagen. De kunstenaars die voor de bezetter propagandamateriaal maakten, deden dit om hun boterham te verdienen, niet uit ideologische overwegingen.”

Kunst legitimeert revolutie

Na de overgave van Japan in 1945 begon een onrustige en gewelddadige periode in Indonesië. De strijd om de onafhankelijkheid brak uit en veel schilders gebruikten revolutionaire thema’s in hun kunst. Zij ondersteunden de strijd met hun schilderijen. In Nederland zelf drong het idee al snel door dat Nederlands-Indië onafhankelijk zou worden, maar in welke hoedanigheid was nog niet duidelijk.

Vlak na de oorlog was er veel aandacht voor het land en ook voor de kunst. Burgemeester W.A.J.Visser uit Den Haag hoopte de culturele betrekkingen tussen Nederland en Indonesië te verbeteren. Hij opende in 1947 de tentoonstelling met werken van de Javaanse kunstenaarbroers Agus en Otto Djaya in het Haags Gemeentemuseum. Twee jaar later organiseerde het Haagse Hotel des Indes een tentoonstelling met werk van de kunstenaarsgroep Gelanggang (strijdperk).

Raben: “Linksgeoriënteerde museumdirecteuren met een voorkeur voor een onafhankelijk Indonesië, hielpen hier graag aan mee. En tussen de kunstwerken hingen ook zeker schilderijen met politieke lading, maar recensies uit die jaren besteedden er eigenlijk weinig aandacht aan.”

Tentoonstellingen in Nederland

De nieuwe president Soekarno vond Indonesische kunst erg belangrijk: het gaf de nieuwe republiek een eigen gezicht. Uit het onderzoek voor het boek ‘Beyond the Dutch. Indonesië, Nederland en de beeldende kunsten van 1900 tot nu’ kwam naar voren dat hij ook een kleine vinger in de pap heeft gehad bij de tentoonstellingen in Nederland.

Raben: “De president gaf de kunstenaars toestemming om in Nederland te studeren en hun werk tentoon te stellen. Hij noemde dit culturele spionage. Dit betekende vooral dat Soekarno de Nederlanders wilde laten zien dat Indonesië een bloeiende nationale cultuur had. Indonesische kunst rechtvaardigde de revolutionaire claim van onafhankelijkheid.”

Gekraak en geschreeuw

In Indonesië zelf hielden vooral de intellectuelen zich bezig met de strijd om onafhankelijkheid. Het idee bestaat dat heel Indonesië een hekel had aan de Nederlanders. Dit beeld wordt bevestigd door aanvallen van revolutionaire strijders en relschoppers op Nederlanders die na de oorlog uit de kampen werden vrijgelaten.

Raben: “Dit beeld is niet juist. De haat tegenover Nederlanders was niet zo groot onder de bevolking, dat was meer een sentiment onder de Indonesische elite. Veel Nederlanders kunnen beamen dat het personeel heel trouw was en blij, toen ze terugkwamen uit de kampen. De gewapende groepjes die Nederlanders aanvielen waren aanvankelijk klein. Hoewel de aanvallen uitzonderingen waren en geen massaal geweld, waren het er genoeg om duizenden slachtoffers te maken en de Nederlandse gemeenschap enorm te intimideren.”

Na de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië, die uiteindelijk in 1949 werd erkend door de Nederlandse regering, vertrokken de meeste Nederlanders uit Indonesië. Daarmee verwaterde ook de aandacht voor het land, terwijl er van alles aan de gang was. Raben: “De jaren ’50 waren een razend spannende periode. De Indonesische autonomie was niet voor iedereen de beste optie want wie moest de baas worden? Christelijke minderheden en Indonesiërs die met de Nederlanders hadden gevochten, zoals de Ambonezen, vluchtten naar Nederland.”

“In Indonesië had niemand ervaring met het opzetten van een eigen staat dus het was een groot experiment. ‘Wie zijn we en hoe gaan we dat vormgeven?’ Dit soort discussies zouden nog jarenlang na de onafhankelijkheid gevoerd worden. Iedereen, communisten, moslims, enzovoort, wilde de nieuwe staat op zijn eigen manier vormgeven. Er ontstond veel strijd tussen Indonesiërs onderling en er braken opstanden tegen de regering in Jakarta uit. Burgeroorlogen, etnische conflicten, moord op oude adellijke bestuurders. De strijd was dus een stuk ingewikkelder dan alleen maar het gevecht tegen de kolonisator. De samenleving zocht een weg om zichzelf vorm te geven, met veel gekraak en geschreeuw. Het is vergelijkbaar met de situatie in Egypte nu.”

Tegenwerkende ministeries

De overgang van kolonie naar staat is ter plekke onderzocht voor het onderzoeksproject Van Indië tot Indonesië Het onderzoek naar deze geschiedenis van de Indonesische onafhankelijkheid ging niet zonder slag of stoot. Indonesische politici hadden last van nationalisme en waren bang dat de Nederlanders er met hun geschiedenis vandoor gingen.

Raben: “We moesten soms echt op eieren lopen en we hebben het ook het wel eens aan de stok gehad met ministeries. Het ging hier toch om hun vrijheidsstrijd. Een ander probleem was dat veel archieven nog niet openbaar waren. Het is nog te kort geleden sinds Soeharto’s dictatuur weg is (1998). Maar de openheid over de eigen geschiedenis ontwikkelt zich nu langzaam.”

“Ongeveer twee jaar geleden kwam er een nieuwe archiefwet die meer openheid geeft: archieven uit de jaren ’50 komen daarmee geleidelijk beschikbaar. Dit was helaas te laat voor ons onderzoek dus we gebruikten kranten en interviews, en weinig archieven van de overheid. Maar de nieuwe generatie plaatselijke historici, die bij het project betrokken zijn geweest en een training hebben gekregen, kunnen het onderzoek naar deze cruciale periode uit hun eigen gescheiden voortzetten.”

Deze plaatselijke historici werden voor het eerst op grote schaal ingezet bij een Nederlands onderzoek. Zij interviewden samen met de Nederlandse de onderzoekers de bevolking, over hun ervaringen met de overgang van Nederlands-Indië naar Indonesië. Van negatieve sentimenten tegenover Nederlanders merkte Raben niets tijdens de interviews: “Het belangrijkste was empathie tonen. En door blijven vragen. Daarbij wilde de lokale bevolking juist dolgraag hun verhaal vertellen. In Indonesië zelf is de geschiedenis van de kolonisatie en revolutie heel stereotype geworden. Maar deze Indonesiërs hadden ook veel ervaring met geweld van mede-Indonesiërs of zelfs de eigen regering en dat verhaal konden ze nu eindelijk kwijt.”

Dit artikel is tot stand gekomen met dank aan onze collega’s van Kennislink

Bronnen

– Geen plek voor Nederlanders: De Indonesische Revolutie in beeld

Lees meer:

– Historiën: Indonesië archief
– Indonesie: een kolonie vecht zich vrij
– NPO Geschiedenis. De Indonesische onafhankelijkheidsoorlog

Schrijf je in voor TOEN!