De Nijenbeek en zijn omgeving

De Nijenbeek in 1874 op een prent van Jacobus Craandijk. Bron: WikimediaDeventer en Zutphen bestonden al eeuwen voor de Nijenbeek gebouwd werd. Doordat ze allebei zo dichtbij de Nijenbeek liggen, hebben ze beide een grote rol gespeeld in de geschiedenis van de Nijenbeek. Hier komt in het kort de vroege geschiedenis van de steden aan bod.

 

Een korte geschiedenis van Deventer en Zutphen 

Deventer

De Nijenbeek in 1874 op een prent van Jacobus Craandijk. Bron: Wikimedia

De eerste nederzettingen op de plek van Deventer zijn gebouwd op stukjes zandgrond aan de rand van de IJssel. De Engelse zendeling Lebuïnus bouwde in de achtste eeuw op die plek een kapel. Dat is het oudste wat er over Deventer bekend is. Omdat er in die tijd nog niet erg veel christenen waren in deze streken, heeft het kapelletje er niet lang gestaan: al gauw werd hij in brand gestoken door mensen die nog niet overgestapt waren naar het christendom. Dit is een aantal keer zo gegaan.
Vermoedelijk is er een versterking gebouwd om Deventer in de negende eeuw, toen de aanvallen van de Vikingen begonnen. De Utrechtse bisschop Radboud vond zijn eigen stad niet veilig genoeg en koos Deventer als zijn tijdelijke residentie, tot het gevaar geweken zou zijn. Toen de Vikingaanvallen voorbij waren, werd er in de elfde eeuw door de bisschop van Utrecht een stenen basiliek gebouwd in Deventer. Opvallend was dat deze basiliek groter was dan de kerken die diezelfde bisschop in Utrecht liet bouwen.

Aan het einde van de twaalfde eeuw kreeg Deventer stadsrechten, en vanaf dat moment maakte de stad een grote groei door. Er werd gelijk een stadhuis gebouwd en ook de Utrechtse bisschop heeft in die tijd veel laten bouwen en verbouwen in de stad: zo werd de Lebuïnuskerk uitgebreid en restaureerde hij de bisschoppelijke residentie.

De stenen Nijenbeek werd gebouwd in een rustige tijd, toen men niet bang hoefde te zijn voor aanvallen en er geld genoeg was om baksteen te laten produceren. Dit gebeurde rond 1225, wat dus een tijd van behoorlijke voorspoed moet zijn geweest.

Dit was ook te merken aan de ontwikkelingen in de stad Deventer. Ondanks dat de stad in de dertiende eeuw door brand verwoest is waardoor de verbouwing van de Lebuïnuskerk stil kwam te liggen, ging het de stad vanaf 1241 alweer voor de wind, omdat er vanaf dat jaar tol mocht worden geheven op de scheepvaart die Deventer passeerde. Met de tolheffing verwierf Deventer een invloedrijke positie in de omgeving, waar ook de bewoners van de Nijenbeek niet omheen konden: in de zestiende eeuw hielden de heren van de Nijenbeek, de Van Steenbergens, zo huis op de IJssel, dat Deventer inkomsten uit tolheffing misliep. Deventer heeft de hertog Van Gelre toen zo ver gekregen dat hij de voorburcht van de Nijenbeek in 1523 liet slopen en de inboedel van het kasteel (die voornamelijk door rooftochten en uitbuiting was verkregen) verkocht.

Omdat stenen gebouwen zo duur waren, werd het bouwmateriaal zo vaak mogelijk hergebruikt. Zo gebruikte de hertog Van Gelre, die niet bepaald in hoog aanzien stond in Deventer, de stenen van de Nijenbeek om de Deventer bevolking in het gareel te houden: hij bouwde er de dwangburchten Morgenster en Altena mee. Helaas voor de hertog  was hij niet alleen met Deventer, maar ook met de keizer in een oorlog verwikkeld. De burchten hebben er dan ook niet lang gestaan: in 1528 werden ze gesloopt door de keizerlijke troepen en werden de stenen gebruikt om de huidige Waag te bouwen. De kans is dus groot dat de stenen van het gesloopte deel van de Nijenbeek uiteindelijk weer gebruikt zijn in deze Waag.

Zutphen

De bewoningsgeschiedenis van Zutphen gaat nog verder terug dan die van Deventer. Al voor de Romeinse tijd woonden er mensen op de plek waar de Berkel uitmondde in de IJssel.

Net als Deventer is Zutphen versterkt in de tijd van de Vikingaanvallen, aan het eind van de negende eeuw. De hertog had als taak om de bezittingen van de kerk en van de koning te verdedigen. Aangezien Deventer een bisschopszetel was en Zutphen een koningshof, was het van groot belang dat deze steden een sterke verdediging kregen en ze werden dan ook een belangrijk verdedigingscentrum tegen de Vikingen. Bij naderend gevaar kreeg Deventer zelfs militaire steun van Zutphen.

Toen het gevaar van de Vikingen voorbij was, ging de ontwikkeling van Zutphen minder snel dan die van Deventer. Uiteindelijk kreeg echter ook Zutphen, net als Deventer, aan het einde van de twaalfde eeuw stadsrechten, zoals blijkt uit de eerste schriftelijke bron over Zutphen uit 1191. Een belangrijke reden voor die stadsrechten was dat de graaf van Gelre en Zutphen in een strijd verwikkeld was met de bisschop van Utrecht. Aangezien Deventer een bisschoppelijke stad was, was een militair en economisch steunpunt daar in de buurt heel handig voor de graaf.

Zutphen werd in de late middeleeuwen een belangrijke handelsstad, met contacten in heel Nederland en daarbuiten, net als andere steden aan de IJssel.

De veranderingen in de rivier hadden grote invloed op het leven in Zutphen en op de ontwikkeling van de stad. Het zuidelijke deel van Zutphen overstroomde steeds vaker en er werd in de 14e eeuw besloten tot verlegging van de loop van de IJssel om dat probleem op te lossen.

De IJssel werd echter steeds slechter bevaarbaar. Omdat alle steden aan de IJssel veel inkomsten verkregen uit de scheepvaart, hadden ze daar allemaal veel last van en er werd over geklaagd bij de hertog van Kleef. Deze heeft toen een verbeterplan opgesteld, dat vreemd genoeg door alle steden aan de IJssel, inclusief Zutphen en Deventer, is geweigerd. In plaats daarvan werden er voor het eerst bruggen gebouwd over de IJssel: het lijkt alsof er toen bewust is gekozen voor vervoer over de weg in plaats van over het water, wat in die tijd uitzonderlijk was. Inkomsten uit de handel over het water daalden, en in de vijftiende eeuw kon de opkomst van de Hollandse handelssteden niet meer bijgehouden worden.

In diezelfde tijd werden ook de eigenaren/roofridders van de Nijenbeek, de Van Steenbergens, actief op de IJssel. Ook dat zal de status en inkomsten van Zutphen niet geholpen hebben. De gedeeltelijke sloop van de Nijenbeek, waarmee de macht van de Van Steenbergens gebroken werd, kon geen verandering meer brengen: in de zestiende eeuw was Zutphen volledig verarmd. Mensen verlieten de stad en tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd de stad platgebrand en geplunderd door de Spaanse troepen. De situatie was zo erg, dat de magistraat twintig jaar nadat de oorlog afgelopen was, alsnog een oproep moest doen aan de voormalige bewoners om terug te keren naar hun stad en naar wat er over was van hun huizen. Blijkbaar werd er niet veel gehoor gegeven aan deze oproep, want in 1664 is er weer zo’n oproep gedaan. Ook in Deventer liep het inwonersaantal snel terug. Beide steden waren na de oorlog onderdeel van de Republiek geworden, en konden niet meer zelf over hun lot beslissen. Pas aan het begin van de 18e eeuw begon de welvaart in beide steden weer toe te nemen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Schrijf je in voor TOEN!