De Njai: de slavinnen van Indië

Bij het horen van het woord slaven wordt vaak aan de Afrikaanse slaven gedacht. Maar Aziatische slaven waren er ook: de Njaj. Ester Smit duikt in de geschiedenis van deze vergeten slavengroep. .

Concubinaat

In een uitzending van ‘Andere tijden’ (VPRO) op donderdag 14 februari 2008 kwam het zogenaamde concubinaat in het voormalige Nederlands-Indië aan de orde. In 2008 is er al een indrukwekkend boek over verschenen: De njai, het concubinaat in Nederlands-Indië. De auteur is Reggie Baay. Hij is zelf afstammeling van een njai, een concubine. Wat weten we eigenlijk over die groep vrouwen?

De Europeanen in deze kolonie leefden in een mannenmaatschappij. Omdat de mannen op seksueel bevredigd wilden worden, maar er een groot tekort was aan Europese vrouwen, moesten inlandse troostmeisjes de Europese mannen gerieven. Reggie Baay beschrijft in zijn boek De njai vier verschillende vormen van concubinaat. In de vorm van slavernij, als bijzit, prostituees op de kazernes en vrouwen op de plantages.

Inlandse vrouwen die gebruikt werden als bijzit, het oogluikend toestaan van zo’n concubine, een prostituee voor lange tijd, de njai, stond lijnrecht tegenover het christelijke beginsel van  een monogaam huwelijk. Was het hypocriet of was het een maatschappelijk verschijnsel? Of was het vooral een kwestie van ongelijkwaardige machtsverhoudingen?

Koop en verkoop

Vanaf het moment dat het eerste Nederlandse -schip landde in de oostelijke archipel in 1595, bestond het concubinaat waarbij Nederlanders betrokken waren. Waarschijnlijk bestond het al veel eerder, alleen maakt de auteur daar geen melding van in zijn boek. In deze tijd was slavenhandel heel gewoon. Mannen in dienst van de VOC (1602-1799), waarvan 40 % van niet-Nederlandse afkomst waren, tekenden in eerste instantie een contract voor zes jaar. Het was gebruikelijk dat zij na aankomst in Indië een inlandse slavin aanschaften. Als een man wat geld had, dan kocht hij een slavin op de slavenmarkt, een handel die via de Arabieren liep. Voor de buitenwereld zou zij werkzaam zijn in de huishouding. In de praktijk kwam het er vaak op neer, dat de dame het bed met de koper moest delen.

De vierde gouverneur-generaal, Jan Pieterszoon Coen, was fel tegen het samenleven met slavinnen, maar hij kon er niet veel tegen doen. Een huwelijk met een niet christelijke vrouw was verboden. Trouwde de man toch, dan verloor hij het recht om terug te keren naar Nederland. De wet die vermenging van de culturen moest tegengaan, werkte het concubinaat in de hand. Als de man per VOC-schip terugging, werd de slavin doorverkocht. Hij keerde naar huis terug.

njai-3De njai werd niet als volwaardig gezien, maar als koop- en verkoopwaar. De verhouding tussen de slavin en de koper was er een van sociale en economische machtsongelijkheid. Ze had geen rechten, en de eigenaar kon haar, als een meubelstuk, zo in de verkoop zetten. De officiële overheid keurde deze verschijnselen wel af, maar tegelijkertijd was er geen enkele rechtsbescherming voor deze vrouwen. Zodra de vrouw zwanger was, werd ze teruggestuurd naar waar ze vandaan kwam, het platteland, of het dorp. Reggie Baay spreekt in zijn boek over ‘terug naar de kampong’.

De situatie kende voor de nakomelingen ook een andere kant. De kinderen die uit deze relaties kwamen werden mestiezen genoemd. In Nederlands-Indië ontstond als gevolg hiervan een bloeiende mestiezencultuur. Door het sluiten van goede huwelijken konden de kinderen van een njai aardig goed terechtkomen, en zelfs maatschappelijke status verwerven.

Toen in 1863 de slavernij werd afgeschaft, leek dat een verbetering voor de positie van deze vrouwen. Maar het concubinaat bleef bestaan. De dames werden meer niet gekocht, maar voor een schamel loon in dienst genomen als huishoudster. Bij het ‘contract’ waren vaak beddediensten verplicht. En hoewel de vrouw vanuit vrijheid de relatie met de Europeaan aanging, kwamen mishandelingen dikwijls voor.

Via via gearrangeerd

Toen de VOC failliet ging, in 1797 en de Fransen Nederland binnenvielen, voerde Engeland het mandaat over Nederlands-Indië. Tijdens het Engelse bewind was rassenmenging (de mestiezencultuur die in de VOC tijd was ontstaan) verboden. Het concubinaat echter, bleef bestaan, stiekem en in het geniep. Voor de positie van de bijvrouw werd de situatie er niet beter op. Bestond er voor de kinderen vroeger nog de mogelijkheid om via een gunstig huwelijk op te klimmen, nu was rassenmenging verboden en liepen de vrouwen alleen maar meer kans weggestuurd te worden als ze zwanger waren.

Inmiddels waaide de liberale geest door Europa. ‘Gelijheid, vrijheid, broederschap’ klonk het overal. Geen adel meer die het voor het zeggen had, maar de (rijke) burgerij wilde het land besturen en de wetten opstellen.  In het koloniale Indië bleef alles bij het oude. De rechten en omstandigheden voor de njai werden niet verbeterd. En ook uit deze relaties werden kinderen geboren. In de archipel ontstond een grote groep ‘ongewensten’, kinderen die geboren waren uit gemengde relaties.

Na de Franse tijd (1795-1813) kreeg Nederland de archipel weer terug. Het politieke bestuur veranderde. Nederland werd een monarchie en Koning Willem I gaf percelen uit in erfpacht. Hij beschouwde Indië als Nederlands grondgebied dat ontgonnen moest worden. Nog steeds was het houden van een concubine, het hebben van een gemengde relatie, verboden, maar door het oogluikend toestaan ervan bleef het systeem als vanouds bestaan.

Hoe kreeg je een bijzit? Het was immers verboden? Via een mannelijk personeelslid gaf de blanke werkgever te kennen dat hij op zoek was naar een huishoudster. Dit betekende vrijwel altijd dat zij ook hand- en spandiensten in bed moest verrichten. Soms leerde de nieuw aangekomen Europeaan via vrienden daar een vrouw kennen. Hoewel er nu geen gedwongen koop meer plaatsvond, en de dame in kwestie altijd gevraagd werd, zal de verhouding altijd ongelijkwaardig geweest zijn. Ondanks dat groeiden er ook prachtige relaties tussen de njai en haar werkgever en kwamen er kinderen. In het boek van Reggie Baay zijn foto’s afgebeeld van Europese mannen, trots of teder geportretteerd met inlandse vrouw en hun gezin. Ondanks dat was de njai rechteloos. Hij had het recht de kinderen mee te nemen naar Nederland als hij dat wilde, terwijl zij nergens aanspraak op kon maken. Daarbij kwam dat ze door haar eigen cultuur werd beschouwd als uitschot. In het gunstigste geval erkende hij de kinderen. Maar zij was haar positie nooit zeker.

Doorgeefluik

Toen het koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) in 1830 werd opgericht, om te kunnen vechten in Atjeh, had dit gevolgen voor de vorm van het concubinaat. In het liberale Europa begonnen zich openlijk meningen te vormen over het concubinaatstelsel. Er waren twee stromingen, de ene dacht dat het slecht was voor het beschavingspeil van de Europeanen. De andere groep, bestaande uit vooral (oud) militairen, vond dat het concubinaat in stand moest blijven. Niemand scheen zich te bekommeren om de rechten van de bijzit-vrouwen.

De KNIL-militairen leefden in kazernes. Als ze een relatie hadden met een njai, leefde zij daar ook. Het leven van de njai in de kazerne was hard. Van een privé- of gezinsleven was geen sprake. Men sliep, vrijde en kreeg kinderen op de slaapzaal. De vrouwen draaiden volgens Reggie Baay mee met het soldatenleven, waren aanwezig op het appèl en bij gevechtsacties. Als de soldaten marcheerden en oefenden, gingen zij op zoek naar eten. Zoals er in het leger een strenge hiërarchie bestond, was dat onder de concubines niet anders. Een njai van een hoge officier stond in hoger aanzien en had meer geld te besteden dan een soldatenbijzit.

Als de dienstjaren van een KNIL-militair erop zaten, keerde hij -net als zijn VOC-voorgangers- meestal terug naar Nederland. De njai bleef (al dan niet zonder kinderen) in de meeste gevallen achter. Soms werd het zo geregeld dat zij, als ze er nog goed uitzag, werd doorgegeven aan een andere officier of soldaat. Te oud betekende vaak dat ze werd afgedankt en in schande moest terugkeren naar het dorp. Vele nakomelingen van een njai in Indonesië zullen zich nu niet bewust zijn dat ze een blanke voorouder hebben. Ze werden opgenomen in de Indische samenleving, en omdat er een taboe op het onderwerp rustte, werd er veelal niet meer over gesproken.

Maar ook het kazerneconcubinaat kende een gelukkige keerzijde van de medaille. Het kwam voor, zoals Reggie Baay aangeeft in zijn boek, dat de Nederlandse militair trouwde met zijn njai. Hij kreeg wel problemen met zijn carrière. Daarom werd er meestal getrouwd na de pensionering, wanneer het gemengde huwelijk een carrière niet meer in de weg stond.

Over het algemeen was het op de kazernes voor de concubines zwaar. Vechtpartijen tussen de concubines kwamen, tot groot vermaak van de soldaten, geregeld voor. Maar het kon nog erger: het werken  op de plantages.

Plantersgrillen

Op de plantages, met name op Sumatra, waren de arbeiders, die aangenomen waren onder valse voorwendselen en onder slechte voorwaarden, overgeleverd aan de nukken en de grillen van de planters. Gedreven door de armoede op Java tekenden mannen en vrouwen een dergelijk contract om te werken op de plantages. Omdat de koning stukken grond verpacht had, beschouwden de planters de grond als hun eigen bezit. Het waren particuliere ondernemingen waarbij de planters alle macht hadden over het personeel. En er was niemand die hen controleerde.

De arbeiders, contractkoelies noemt Reggie Baay ze in zijn boek, vielen niet onder een afdeling personeelszaken, maar werden beschouwd als onderdelen van de inventaris. Juridisch gezien stond een maaimachine, een pijpleiding of een contractarbeider of arbeidster op hetzelfde niveau. Dergelijke regelgeving, of beter het niet regelen van de rechten van arbeiders en arbeidsters, werkte grillige machtsverhoudingen in de hand. Dit leidde vaak tot excessen. Martelingen, mishandelingen en uitbuiting kwam veelvuldig voor.

Rond 1900 kwam er in Europa een beweging op gang, die opkwam voor de arbeiders op de plantages. Het concubinaat kwam ook ter sprake. Men zag het als een ondermijning van het respect voor de vrouw. Het waren met name Europese vrouwen die hierin het voortouw namen, na 1900 vestigden zich steeds meer Europese vrouwen op Sumatra. Zij zagen welke verschrikkelijke misstanden daar plaatsvonden. Omdat de planters een sterke lobby vormden, werd er nauwelijks iets tegen de mishandelingen en verkrachtingen gedaan.

Het is op de vele plantages niet bekend hoeveel arbeiders vrouw waren. Kennelijk vond men dat niet belangrijk. Belangrijk was de bevrediging van behoeften van de Europese planter. Wanneer hij zijn oog op een vrouwelijke koelie liet vallen, dan was zij overgeleverd aan hem. Als een vrouw mooi was, had ze pech gehad, zo was de norm.

Reggie Baay beschrijft een geval van een arbeidster die verliefd was geworden op een andere arbeider, uit Java. De liefde was wederzijds. De administrateur, die haar wel als bijzit wilde, was hier verbolgen en gefrustreerd over. Omdat de slavernij was afgeschaft en er formeel dus sprake moest zijn van wederzijds goedvinden, kon hij niet veel doen. Wat kennelijk wel kon, en wat helaas ook gebeurde, was dat de ongelukkige vrouw werd vastgebonden, geslagen en vernederd. Dagenlang heeft ze geleden. Voor zover bekend is de man nooit berecht. Dit is slechts een geval die de auteur in De njai beschrijft.

Als Europeaan trouwen met een inlandse vrouw was verboden. Dit trouwverbod zou tot 1919 duren. In een tijd van Sociaal Darwinisme dacht men dat rassenmenging ongezond en schadelijk was. Dit trouwverbod echter werkte wel in de hand dat mannen een bijzit namen. En omdat de planters op de plantages vrij spel hadden kwam dit de positie van de vrouw niet ten goede. Overigens beschrijft Reggie Baay ook dat de vrouwen op de plantages niet alleen moesten voorzien in de seksuele behoeften van de Europeanen, maar ook van de inheemse arbeiders.

Tot het bittere einde

Tot de dag van de onafhankelijkheid bleef het concubinaat in stand door een soort gedoogsysteem. Veelal ging het goed, was er sprake van wederzijds respect en kwamen er kinderen en een huwelijk uit voort. Maar altijd was er een sprake van economische en sociale, maar ook raciale ongelijkheid, waar in dit geval de vrouw, de njai, ondergeschikt was aan de man. Met name sinds de Engelse tijd, na 1815 nam dit systeem excessieve vormen aan en kwamen op de plantages stelselmatige martelingen voor.

Volgend jaar is het feest, Indonesië bestaat dan 60 jaar. Het is goed dat een natie strijdt voor haar vrijheid en daarbij stilstaat. Hopelijk wordt dit heugelijke feit plezierig gevierd. Deze grote groep vergeten vrouwen verdient een plaats in de geschiedenis. Reggie Baay is daar met zijn werk mee begonnen

Literatuur:

Reggie Baay. De njai: het concubinaat in Nederlands- Indië (Amsterdam: 2008)

6 Reacties op De Njai: de slavinnen van Indië

  • hansvschaik schreef:

    Het is niet altijd kommer en kwel geweest:
    Een voormoeder van mij was eind 19de eeuw eerst een njai, maar er kwam toch een huwelijk ui vort en uiteraard kinderen. Zij kreeg een andere voor- en achternaam (nog vóór het huwelijk) van de man. Hoe dat wettelijk geregeld werd weet ik niet.
    Maar ik ben daar een afstammeling van……

    • joan van der heide-kamp schreef:

      Mijn vader (1902) had een halfzus ( 1900) ( dochter van een njai en van een administrateur van een suikerfabriek), hij was erg gesteld op haar. Ik weet niet beter of deze tante was zeer geliefd in onze familie . Ze had ook dezelfde achternaam en is officieel met een indische jongen getrouwd. Een positief geluid !

  • nee schreef:

    Hoe heette de aflevering van Andere Tijden waar je het over hebt?

  • J.R. schreef:

    De VOC verhandelde ongeveer evenveel slaven als de WIC. Batavia bestond gedurende een periode voor de helft uit slaven en voor een ander deel uit vrijgelaten slaven (Mardijkers). Maar ook op o.a. de Molukken en in Zuid Afrika hield de VOC slaven.
    Deze slaven kwamen uit India, Bali, Birma, China, Makasar, Banda enz.
    De VOC kocht ook actief vrouwen voor hun personeel.

    Ook Mestieze vrouwen leefden trouwens als njai of moentji.

    Ik heb meerdere njai’s als voormoeders. Één kwam uit het Borneo en ging met een Engelsman. Van één vermoed ik dat ze daadwerkelijk een slaaf was omdat ze de “achternaam” Riau draagt naar de eilanden groep. Een andere was de oma van mijn oma die niet getrouwd was met mijn overgrootvader maar wel met hem begraven.

  • Sam Pormes schreef:

    Hoe mooi ook geschreven kan worden over de Njai, dat ze toch in het huwelijk zijn getreden. Feit blijft dat ze zijn toegeëigend, misbruikt door een ongelijkwaardige relatie. Een andere keus dan te kiezen voor een huwelijk was er niet.

  • De naam van de moeder van mijn grootmoeder, Corrie Erna Spruit heb ik gevonden op een Japanse interneringskaart van Hendrik Spruit, geboren Meulaboh, Atjeh. Daarin staat aangegeven vader: Cornelis Spruit. Moeder: Moestianah
    Ik weet dat Moestianah jong is gestorven. Zou Moestianah een Njai kunnen zijn geweest?

Geef een reactie

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!