De ondergang van de Tempeliers

Ruim 700 jaar geleden maakt de Franse koning Philips de Schone een eind aan de Tempeliersorde. Waarom doet hij dit en welke rol speelt paus Clemens V hierbij?

Een dodelijke vuurzee
In de late namiddag van de 18e maart 1314 stegen van een klein eilandje in de Seine donkere rookwolken op. Op de brandstapel laaiden de vlammen steeds hoger op. Twee gedaanten vastgebonden en omringd door het vuur, zouden spoedig ten prooi vallen aan de verzengende vlammen. Enkele momenten voordat zij beiden definitief door het inferno zouden worden verzwolgen, opende een van hen voor het laatste maal zijn mond:

Paus Clemens, Guillaume de Nogaret en koning Philips! Voordat het
jaar om is, beveel ik jullie om te verschijnen voor het tribunaal van
God! Vervloekt zullen jullie allen zijn! Vervloekt tot in de 13e generatie!

Zo luidden, althans volgens de legende, de laatste woorden van Jacques de Molay, de laatste grootmeester van de Tempeliers. Of hij deze uitspraak daadwerkelijk heeft gedaan, zal altijd onzeker blijven. De inhoud ervan is er echter niet minder interessant om. Wat was de rol van de genoemde personen in de ondergang van Jacques de Molay, dat zij een plaats hebben in deze vervloeking?

In het begin…
Op de noodlottige dag dat Jacques de Molay de dood vond in de genadeloze vuurzee in het hart van Parijs, zou zijn Tempeliersorde bijna 200 jaar hebben bestaan. De precieze omstandigheden waaronder de orde tot stand was gekomen, zijn deels in nevelen gehuld. Bekend zijn wel de twee belangrijkste oprichters van de orde: Hugh de Payns en Godefroy de Saint-Omer. Beiden behoorden tot de zogenaamde Ridders van het Heilig Graf, een broederschap van kruisvaarders dat enkele jaren na de verovering van Jeruzalem door de patriarch van de stad was aangesteld ter bescherming van de kerk. Enkelen van hen, onder wie de twee genoemde ridders, waren echter ontevreden over het gebrek aan militaire taken die zij te vervullen hadden. Het beschermen van pelgrims op weg naar het Heilig Graf, leek hen een nuttiger taak. Daarom scheidden zij zich, met toestemming van de koning en de patriarch, van hun broederschap af. In 1120 werd het bestaan van deze groep ridders officieel bekrachtigd op het Concilie van Nablous, waar Hugh en Godefroy de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid aflegden: de Orde der Tempeliers was hiermee geboren. Hun naam dankten de Tempeliers aan het feit dat de regerende koning van Jeruzalem, Boudewijn II, de nieuwe orde onderdak gaf in zijn paleis op de Tempelberg in Jeruzalem. Op diezelfde plek zou volgens sommigen ooit de tempel van koning Solomon hebben gestaan. Officieel luidde de naam van de orde dan ook: de Orde van de arme ridders van de Tempel van Solomon.

De Tempeliers maakten zich al in een vroeg stadium populair in Europa en als gevolg daarvan werden hun vele schenkingen van landerijen en rijkdommen gedaan, hoewel veel van deze schenkingen afkomstig waren van ridders die toetraden tot de orde. Van de schenkingen van buitenaf kwam een deel van diegenen die hun zielenheil veilig wilden stellen, of van personen die de orde eenvoudigweg goedgezind waren.
Gezien het feit dat de Tempeliers niet zomaar een broederschap van ridders waren, maar een echte orde, kregen zij in 1129 een eigen leefregel, in navolging van de verschillende kloosterorden die Europa rijk was. Gezien het militaire karakter van de Tempeliers volstond een kloosterregel vanzelfsprekend niet, en tijdens het Concilie van Troyes werd de zogenaamde tempelregel gepresenteerd. De Orde van de Tempel werd hiermee de eerste orde in geschiedenis van de christelijke wereld met een regel die zowel in een militair als een religieus karakter voorzag. Het ontstaan van de Tempeliers als orde kreeg in 1129 aldus een officiële status.

Al spoedig na het ontstaan van de orde bleek dat het beschermen van pelgrims hand in hand ging met bestrijden van de moslimheersers in de omgeving. Dit laatste werd dan ook al snel de belangrijkste taak van de nieuwe orde. In de jaren die volgden zouden de Tempeliers uitgroeien tot de meest geduchte tegenstanders van de islam.

Groei van de orde
De vroege naamsbekendheid van de tempelridders was niet in de laatste plaats te danken aan de grote namen die zich in die vroege jaren bij de orde voegden, zoals Graaf Hugh de Champagne en graaf Raymond Berenger IV van Barcelona. Deze beroemde leden brachten vaak indrukwekkende bezittingen mee zoals landerijen, kastelen en dorpen. De orde groeide hierdoor snel, mede dankzij de rondreis die Hugh de Payns en de zijnen na het Concilie van Troyes door Europa hadden gemaakt. Echter, de orde had niettemin te maken met een groot tekort aan broeders. Dit had tot gevolg dat sommige kastelen niet konden worden bezet, waardoor sommigen zelfs aan hun schenkers teruggegeven moesten worden. Dit gebeurde onder andere met kasteel Calatrava, dat in 1157 aan de koning van Castilië werd overgedragen, nadat het tien jaar eerder aan de Tempeliers was geschonken. Ook in sommige grensgebieden in het Heilige Land konden de tempelridders zich niet volledig doen gelden en bleef het gebrek aan manschappen een voortdurende bron van zorg. In de loop der jaren, naarmate de orde groter en machtiger werd, verdwenen deze problemen geleidelijk. De tempelorde bleek steeds beter in staat haar forten te bemannen en een bijdrage te leveren in de strijd tegen de ongelovigen.

De meest opzienbarende schenking van landen en kastelen kwam van koning Alfons I van Aragon en Navarre. De koning liet in zijn testament opnemen dat al zijn landen aan de drie orden (Hospitaalridders, Tempeliers en de ridders van het Heilig Graf) zouden worden nagelaten. Toen Alfons stierf, stapte echter zijn broer naar voren die prompt de erfenis op zich nam. De drie orden werden echter wel gecompenseerd voor het mislopen van de erfenis en de Tempeliers ontvingen een zestal kastelen. Samen met het ontvangen van het kasteel van Granana, dat gevolgd werd door de toetreding van de graaf van Barcelona, lagen deze gebeurtenissen ten grondslag aan de interesse van de Tempelorde voor de Spaanse koninkrijken en daarmee aan de voortdurende deelname aan de Reconquista, de verovering van de Spaanse gebieden op de Moren.
 Het gebied waar de Tempelorde echter het grootst zou worden, was ook tevens haar bakermat en voor 200 jaar haar voornaamste terrein van opereren: Het Heilige Land. Het aantal westerlingen dat zich na de eerste kruistocht in de nieuw gestichte christelijke staten had gevestigd, was klein, en zou dit altijd blijven tot het einde van de christelijke aanwezigheid in 1291. Dit had een voortdurend gebrek aan manschappen en middelen tot gevolg, dat een bron van zorg zou blijven voor de regerende vorsten van het Koninkrijk Jeruzalem. Door landerijen en in het bijzonder kastelen aan de orden te schenken, zorgde men ervoor dat het beheer van bepaalde gebieden, voornamelijk aan de grenzen met de moslimlanden, niet langer de directe zorg vormden van de koning van Jeruzalem, terwijl deze tegelijkertijd in capabele christelijke handen bleven.

De Tempeliers in Europa
De landen die de Tempeliers in het westen verwierven waren doorgaans ontwikkelde gebieden, in tegenstelling tot de soms onrustige regionen die hen in de Levant (de landen van de islam) werden toebedeeld. De orde bleek uitstekend in staat te zijn landerijen te beheren, te ontwikkelen en te exploiteren. In dat opzicht waren de tempelridders uitermate succesvol en zelfs innovatief. Zo legden ze in bezittingen in Aragon, een koninkrijk in het gebied wat nu Spanje is, indrukwekkende irrigatiesystemen aan. Naast het beheer van landerijen ging de orde door de jaren heen ook in toenemende mate fungeren als een soort bank. De tempelgebouwen waren huizen van God, en in dat opzicht onschendbaar. Bovendien werden zij goed bewaakt. Door deze activiteiten werden de geruchten over de schatten van de Tempeliers door de jaren steeds sterker. Echter, het grootste deel van het geld was niet van de orde zelf, maar van personen die hun geld bij de Tempeliers in bewaring hadden gegeven. Het grootste kapitaal dat bij de orde was ondergebracht was vanaf 1150 de schatkist van de koning van Frankrijk. Hieruit blijkt dat de betrouwbaarheid en de capaciteiten van de Tempeliers op dit terrein tot in de hoogste kringen werden erkend.

Naast dat er gebruik werd gemaakt van hun financiële diensten van de Tempeliers, werden ze ook met regelmaat ingezet als ambtenaren en ambassadeurs, of als conflictbemiddelaar tussen partijen.
 Hoewel de orde in Europa bloeide, waren hun werkzaamheden daar geen doel op zich. Al hun activiteiten stonden in dienst van de broeders in het Heilige Land en hun voortdurende strijd tegen de islam. Paarden, wapens, voorraden en manschappen vertrokken jaar in jaar uit naar het oosten om daar te worden ingezet.

De Tempeliers in het Heilige Land
In de Levant, waar de toestroom van personen en goederen uit Europa continu doorging, ontwikkelde de tempelorde zich tot een buitengewoon machtige organisatie. Vanaf de tweede helft van de twaalfde eeuw was zij betrokken bij bijna alle grote militaire operaties, zowel in de planning als in de uitvoering ervan. Zij werden hierin slechts geëvenaard door de Hospitaalridders, een andere orde, die zich in de loop van de twaalfde eeuw eveneens steeds intensiever gingen bezighouden met militaire zaken. Het waren echter de Tempeliers die de drijvende krachten waren achter de campagnes en politieke opstelling ten aanzien van Egypte, in de jaren 1160 en 1170. Echter, ook al in de tweede kruistocht (1147-1149) waren zij betrokken bij alle besluitvormingen ter plaatse. En toen koning Boudewijn IV van Jeruzalem als gevolg van lepra jong stierf, waren het de Tempeliers die de aanspraken op de troon van Guy de Lusignan, getrouwd met Boudewijns zuster Sybille, steunden en ervoor zorgden dat Guy de troon kon bestijgen.

Na de dramatische gebeurtenissen tijdens de Slag bij Hattin in 1187, waarbij de christenen verpletterend verslagen werden, was het Koninkrijk Jeruzalem in verval. Het zou nooit meer herstellen van de klap die de islamitische krijgsheer Saladin toebracht, ondanks succesvolle tegenoffensieven en meerdere kruistochten in de twaalfde- en dertiende eeuw. Vanaf 1225 zetelden de koningen van Jeruzalem – slechts in naam nog koning na het verlies van de stad in 1187 – niet langer op het vasteland van de Levant. De macht van de orden groeide hiermee, omdat hun politieke en militaire koers veel minder werd gecontroleerd en gestuurd door de macht van de vorst. Hoewel de inkrimping van de gebieden waarover de christenen controle hadden hun feitelijke macht ook verkleinde, kregen de orden in die gebieden wel steeds meer te zeggen. Deze situatie zou niet heel lang duren: In 1291 werd het laatste christelijke bolwerk, Acre, veroverd door de troepen van sultan Al-Ashraf. De Tempeliers weken uit naar Cyprus, waar zij inmiddels een sterke basis hadden gevestigd.

Waren de Tempeliers met de ondergang van het Koninkrijk Jeruzalem overbodig geworden? Helemaal niet. Zij bleven hun heilige strijd voortzetten, zowel in het oosten als in Spanje. Hoewel het kruistochtgedachte op sterven na dood was – de laatste kruistocht vond plaats in 1270-1272 en was geen succes – was de strijd tussen de twee geloven nog niet voorbij. De Tempeliers zouden hier echter niet lang meer aan deel kunnen nemen…

Hebzucht en sodomie
De kritiek op de kruistochtgedachte en de militaire orden nam in de dertiende eeuw toe. Nieuwe kruisvaarders vonden de orden vaak laf en terughoudend. Deze beschuldigingen waren echter op alle fronten onterecht. De militaire orden vochten vaak tot de dood, maakten altijd deel uit van de voor- en achterhoede van de legers van de koningen van Jeruzalem en hadden zonder uitzondering invloed op de algemene strategie van het koninkrijk. Hun voorzichtige houding kwam juist voort uit hun gedetailleerde kennis van en inzicht in de situatie van het koninkrijk. Men vreesde dat de plotselinge en kortdurende campagnes van de nieuwe kruisvaarders het evenwicht in de regio zouden verstoren, en uit strategisch oogpunt gesloten wapenstilstanden zouden beschadigen. Campagnes dienden met voorzichtigheid en oog voor de politieke en militaire verhoudingen van de regio te worden opgezet. Wanneer deze inzichten niet werden nageleefd konden de gevolgen groot zijn, zoals pijnlijk duidelijk werd tijdens de rampzalige belegering van Damascus gedurende de tweede kruistocht, welke zowel een tactische als een strategische blunder was omdat hierdoor rivaliserende moslimgroeperingen tot elkaar kwamen.

Overigens dienst de algemene kritiek op de orden niet overschat te worden. Naast de beschuldigingen van hebzucht en arrogante die de orden – niet alleen de Tempeliers – zo nu en dan naar hun hoofd geslingerd kregen, was er minstens zoveel lof voor hun krijgsverrichtingen en hun inzet voor de christenheid, waarbij de orden doorgaans gezamenlijk te werk gingen, ondanks de onderlinge concurrentie en competitie.
Naast de incidentele kritiek was er nog een kwestie die door de jaren heen meerdere malen naar voren werd gebracht. Sommige machthebbers vonden dat het christendom en het Heilige Land meer baat zouden hebben bij een verenigde militaire orde, waarin in ieder geval de Tempeliers en de Hospitaalridders op zouden moeten gaan. Een dergelijk idee was niet nieuw, maar werd aan het einde van de dertiende eeuw steeds populairder. Eén grote orde zou slagvaardiger zijn, met meer hulpbronnen, landerijen en manschappen onder dezelfde regels en hetzelfde bestuur. Niet alle vorsten liepen overigens warm voor een dergelijke samenvoeging. In de koninkrijken van het Iberisch Schiereiland (Spanje) waren sommige vorsten bijvoorbeeld bang voor het enorme machtsblok dat een enkele ridderorde binnen hun grenzen zou vormen. De Tempeliers waren evenmin gecharmeerd van het idee met de Hospitaalorde te moeten samengaan, zoals grootmeester Jacques de Molay ook met nadrukkelijk verkondigde.

De samensmelting zou er inderdaad nooit komen. Maar het alternatief hadden de tempelridders evenmin voorzien. Op 13 oktober 1307 werd een arrestatiebevel uitgevaardigd voor alle Franse leden van de tempelorde. Het was velen onduidelijk waar dit bevel zo plotseling vandaan was gekomen, maar de beschuldigingen logen er niet om: De orde van de van de Tempel werd verdacht van hebzucht, homoseksualiteit, het verloochenen van Christus, het onderhouden van vriendschappelijke contacten met de landen van de islam en het toestaan van ketterse invloeden in de geloofsrichting van de orde. De heksenjacht tegen haar leden was hiermee begonnen.

Een ambitieuze koning en een zwakke paus
Het bevel tot arrestatie van de Franse broeders kwam, het kon ook niet anders, van de Franse koning, Philips de Schone. Waar de vorst dit bevel op baseerde was onduidelijk. Had niet dezelfde koning, ondanks wat kleine irritaties over en weer, altijd een overwegend vreedzame relatie met de Tempeliers onderhouden? Had hij niet, na een mislukte poging de staatskas onder eigen beheer te houden, deze uiteindelijk in 1303 wederom bij de Tempeliers laten onderbrengen?

Het lijkt kortzichtig om financiële motieven te noemen wanneer men Philips’ beweegredenen boven water wil krijgen. Toch hebben deze, ook met het oog op de verhalen over de schatten van de Tempeliers, een grote rol gespeeld. Een aanwijzing was dan ook dat Philips voorstelde om in afwachting van het besluit van de processen, de eigendommen van de Tempeliers in Frankrijk onder beheer van de kroon te plaatsen.
Een andere mogelijkheid is dat Philips een nieuwe orde wilde vormen, als ondersteuning van een nieuwe kruistocht. De koning had al eerder aangekondigd een campagne tegen de ongelovigen te willen beginnen, maar was daar tot dan toe nooit aan begonnen. Een nieuwe orde, onder beheer van een bondgenoot van het koningshuis, wellicht de koning zelf, kon een machtig en effectief instrument zijn in een dergelijke onderneming.

Een laatste punt dat genoemd dient te worden is dat het koningschap van Philips de Schone in het teken van een politiek van een beginnende centralisatie stond. Van een absolute monarchie is nergens in Europa sprake geweest gedurende de middeleeuwen. De strijd van de vorsten om hun edelen onder controle te krijgen, is er echter een die op het politieke en militaire toneel van de middeleeuwen lange tijd heeft gespeeld. Onder Philips de Schone en zijn voorganger begon het ernaar uit te zien dat het koningschap langzaam maar zeker begon weg te komen met zijn ambities van centralisatie. Philips’ campagnes tegen het opstandige Vlaanderen waren een duidelijk voorbeeld van diens pogingen zijn gezag als vorst in alle hoeken van het rijk te vestigen. Waarom zou zijn strijd tegen een machtige ridderorde die alleen verantwoording schuldig was aan de paus niet onder hetzelfde beleid kunnen worden geschaard?

Dat Philips de Schone de drijvende kracht was van het oprollen van de tempelorde, staat buiten kijf. Echter, ook paus Clemens V speelde een belangrijke rol in het geheel. Hoewel Clemens weinig geloof hechtte aan de lukrake beschuldigingen aan het adres van de Tempeliers, had hij niet de macht het proces dat door Philips in werking was gezet, te doen stoppen. Van de zeven jaren dat de kwestie met de Tempeliers zich voortsleepte, verbleef paus Clemens er vijf in Avignon. Hier had hij een onderkomen gevonden nadat onrusten in Italië hem hadden gedwongen Rome te verlaten. Clemens, die al sterk onder invloed stond van de Franse koning, kon zeker tijdens zijn jaren in Avignon weinig weerstand bieden aan diens besluiten en politiek-religieuze acties.

De paus probeerde weer enige controle over de zaak te krijgen door het uitvaardigen van de pauselijke bul Pastoralis Praeeminentiae. Hierin schreef hij dat alle Tempeliers gearresteerd moesten worden en dat hun bezittingen aan de kerk moesten worden gegeven. Met deze zet wilde Clemens proberen de Tempeliers onder zijn gezag te scharen. Philips was  niet onder de indruk. Hij mobiliseerde de publieke opinie tegen Clemens, die moest inbinden. Philips bekrachtigde zijn zaak nog eens door naar buiten te treden met bekentenissen van gevangen Tempeliers, en beschuldigingen aan het adres van de orde door verstoten ridders. Paus Clemens durfde er niet tegenin te gaan. Uiteindelijk gaf hij toe en kwamen de bezittingen van de Tempeliers onder staatsbeheer.
 
Het proces
Vanaf het begin van de actie tegen de Tempeliers was ene Guillaume de Nogaret door Philips aangesteld om het dossier van het proces te beheren. Guillaume, een raadsman van de koning, nam zijn taak uiterst serieus. De verhoren waaraan de broeders werden onderworpen verliepen echter niet vlekkeloos. Door middel van martelingen of het dreigen hiermee probeerde men bekentenissen af te dwingen. Echter, niet alle ridders zwichtten. Ook verkreeg men niet overal medewerking. Zo was men in Engeland weinig overtuigd van de schuld van de Tempeliers en werden de martelingen daar mondjesmaat toegepast. De bisschop van Ravenna weigerde eenvoudigweg de broeders martelingen te laten ondergaan en in veel gebieden werd de orde onschuldig verklaard. In Frankrijk kwamen veruit de meeste getuigenissen van personen die buiten de orde stonden, en daarmee was de bewijsvoering op zijn zachtst gezegd twijfelachtig.

Het blijvende verzet van de orde, de matige medewerking van veel gezagsdragers buiten Frankrijk en het later ontkennen van bekentenissen die onder druk waren verkregen, waren de koning een doorn in het oog. Hij besloot daarop een bevriende bisschop over Parijs aan te stellen, die namens de kerk een oordeel kon vellen. 54 Ridders die, na eerder bekend te hebben, hun onschuld uiteindelijk bleven volhouden, werden schuldig bevonden en op 10 mei 1311 op de brandstapel gezet.

Uiteindelijk ging het proces niet om het naar boven halen van de waarheid, maar om met alle middelen die voorhanden waren de ‘schuld’ van de tempelorde te kunnen vaststellen. Er wordt door historici terecht gewezen op het feit dat op persoonlijk niveau sommige beschuldigingen een kern van waarheid gehad kunnen hebben. Uiteraard bestonden de rangen de Tempeliers deels uit edellieden die afkomstig waren uit de regionen waar de ketterse kathaarse invloeden prominent aanwezig waren, en waarschijnlijk waren er broeders te vinden die hun gelofte van kuisheid aan de wilgen hadden gehangen. Maar een massale veroordeling van de hele orde op basis van de genoemde beschuldigingen was onterecht.

Dit alles belette Philips niet om paus Clemens opnieuw onder druk te zetten. Op 22 maart 1312 werd de bul Vox in excelso, uitgevaardigd: de paus ontbond de Tempeliers, echter zonder deze te veroordelen. Hoe had een veroordeling ook gekund, aangezien de Tempeliers vrijwel overal buiten Frankrijk onschuldig waren bevonden.

In 1314 stond de afgezanten van de paus nog één ding te doen: het verhoren van de kopstukken van de Tempelorde, onder wie Jacques de Molay en Geoffroy de Charnay. Ondanks eerdere bekentenissen, besloten deze laatsten ditmaal voet bij stuk te houden. Zij herriepen al deze bekentenissen en lieten de afgezanten van Rome vol verbazing achter. Philips handelde echter snel en de volgende dag werden de twee Tempelridders op de brandstapel gezet. De Orde van de arme ridders van de Tempel van Solomon was niet meer.

700 jaar later
Inmiddels is het ruim 700 jaar geleden dat de Tempeliers in Frankrijk massaal werden gearresteerd. Het is dan ook geen toeval dat het Vaticaan juist in oktober 2007 officieel het zogenaamde Perkament van Chinon heeft gepubliceerd. In dit schrijven werden de Tempeliers door de kerk vrijgesproken van alle beschuldigingen aan hun adres. Het document werd in haar tijd echter niet breed gepubliceerd. Het getuigt van de ware opvattingen van de kerk over de beschuldigingen van de Franse koning. Het getuigt echter niet minder van het gebrek aan krachtdadig optreden van de zijde van Clemens en de zijnen.

Een vloek in werking?
Jacques de Molay en Geoffroy de Charnay waren de laatste Tempeliers die op de brandstapel stierven. Veel broeders overleefden de processen en werden gevangen gehouden of vrijgelaten. Velen sleten hun dagen op de voormalige landerijen van de orden. Uiteindelijk werden in Frankrijk de bezittingen van de tempel overgegeven aan de Orde der Hospitaalridders. Paus Clemens had nog kunnen voorkomen dat deze daadwerkelijk onder blijvend staatsbeheer zouden komen. Philips werd er echter niet slechter van. Voor het ‘tijdelijke beheer’ van de bezittingen presenteerde hij de hospitaalridders een rekening van 200.000 Pond. Lang kon hij echter niet van zijn overwinning genieten. Nog in hetzelfde jaar dat Philips de leiders van de orde op de brandstapel had gezet, stierf hij na een jachtongeval. Deze gebeurtenis brengt de vervloeking van De Molay meteen weer terug in de herinnering. Om dit lugubere verhaal compleet te maken, overleed paus Clemens, weliswaar minder onverwacht, al een maand na die dramatische executie op dat eiland in de Seine.

Foto’s:
– Tempelierskruis

– Kasteel Calatrava: als dank aan de Tempeliers geschonken, maar later afgestaan aan Sancho III van Castilie
– Kasteel Beaufort, Zuid-Libanon, Tempeliersburcht.
– Terechtstelling van Jacques de Molay
– Zegel van de Tempeliers

Literatuur:
J. Hosten, De Tempeliers: de tempelorde tijdens de kruistochten en in de Lage Landen (Amsterdam 2006)

A. Demurger, Opkomst en ondergang van de tempelridders: de historische waarheid over de beschermers van het Heilige Graf  (Baarn 1993)
 
M. Walsh, Warriors of the Lord: the military orders of christendom (Alresford 2003)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Schrijf je in voor TOEN!