De opkomst van de Twentse textielindustrie

De IJzeren Eeuw is onlosmakelijk verbonden met de ontwikkeling van de Twentse textielindustrie. De vroegste geschiedenis van de Twentse textielnijverheid is in duisternis gehuld. De oorsprong van de textielnijverheid is wel bekend: het kleine, wat lager gelegen weefkamertje in de Twentse boerderij: ‘het lös hoes’. Vooral in de wintermaanden, als er weinig werk op de akkers kon worden verricht, waren boerengezinnen werkzaam in de textielnijverheid. Tot in de achttiende eeuw was vlas in Europa naast wol de belangrijkste grondstof voor textiel. In de negentiende eeuw werd katoen de voornaamste grondstof.

Stoffen en weefsels

Het vlas werd door de Twentse boeren eigenhandig verbouwd. De vlasplant werd met wortel en al uit de grond getrokken om een zo lang mogelijke vezel te behouden. In het gezin spon de boerin en haar dochters de vezels tot bruikbare draden. De boer of één van zijn zoons zat achter de weefstoel om de gesponnen draden te verweven. Vóór 1830 gebeurde zowel het spinnen als het weven voornamelijk in de huisnijverheid. De weefsels die men produceerde waren van linnen, halflinnen en katoen. Deze stoffen behoren tot de grovere soorten die weinig concurrentie vanuit het buienland ondervonden.

De geproduceerde stof was sterk en duurzaam, om deze reden werd slechts een klein gedeelte voor eigen gebruik aangewend. Het overige werd verruild of verkocht aan rondreizende kooplieden. Deze kooplieden verkochten de goederen elders in de regio, slechts kleine partijen weefsel vonden hun weg naar het westen van Nederland of naar het buitenland. In de loop van de achttiende eeuw breidde de rol van deze kooplieden zich verder uit. Ze begonnen steeds meer ongebleekte geweven goederen op te kopen om deze vervolgens zelf te laten bleken of verven. De kooplieden werden zo de ‘reider’ of ‘reeder’ (bereider, gereedmaker) van de stof.

Industriële Revolutie

De Industriële Revolutie begon eind achttiende eeuw in Engeland en vervolgde begin negentiende eeuw in de rest van Europa. Onder de Industriële Revolutie wordt volgens R.R. Palmer verstaan: ‘the process of shifting from hand tools to power machinery’. Het spinnen in Europa werd sinds de middeleeuwen voornamelijk op een spinnewiel gedaan. Een belangrijk nadeel van dit hulpmiddel was dat het spinnewiel slechts één spindel had, er kon dus maar één draad tegelijk gesponnen worden. De belangrijkste uitvindingen die zorgden voor het mechaniseren van spinnen en weven werden in Engeland gedaan.

Spinning Jenny

In 1764 ontwierp James Hargreaves de ‘Spinning Jenny’. Deze door handkracht aangedreven machine kon aanvankelijk acht spillen bevatten. Aan het eind van de achttiende eeuw bestonden er al machines met 120 spillen. Deze schaalvergroting leidde tot de behoefte aan een centrale krachtbron zoals een watermolen of een stoommachine.

Het spinnenwiel, ‘Spinning Jenny’, een waterframe en de ‘spinning mule’

Het spinnenwiel, ‘Spinning Jenny’, een waterframe en de ‘spinning mule’

Het spinnen is een van de eerste textielbewerkingen die werd gemechaniseerd. In de jaren 1760 bouwde Richard Arkwright een spinmachine die door ongeschoolde kracht bediend kon worden. Hij kon zelfs worden aangedreven door een paard of waterkracht. Technisch gezien was dit niet noodzakelijk maar in de praktijk werden Arkwright’s machines vrijwel altijd aangedreven door waterkracht. Hierdoor werden ze bekend onder de naam ‘waterframes’. De Spinning Jenny en het waterframe vulden elkaar aan. Op het waterframe kon men, vanwege de grote spanning die op het garen stond enkel harde kettinggaren spinnen. Door de handmatige bediening was de Spinning Jenny meer geschikt voor het zachte inslaggaren. In 1779 voltooide Samuel Crompton de ‘spinning mule’, een combinatie van de machines van Hargreaves en Arkwright. De spinning mule kon alle soorten garen spinnen, dik en dun, hard en zacht. De draden waren tevens van een hogere kwaliteit dan ooit met de hand was gemaakt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de spinning mule de twee eerdere machines snel verdrong.

Na het spinnen van de vezels werden de draden in verticale- en horizontale groepen met elkaar verweven tot textiel. Hoewel de techniek en de gebruikte instrumenten bij het weven in de loop der eeuwen zijn verfijnd en gespecialiseerd, is het principe van het weven niet noemenswaardig veranderd. Vanaf de 13e eeuw werd de weefstoel in gebruik genomen. Het weefraam lag in dit getouw horizontaal en de kettingdraden werden gescheiden door verticaal geplaatste hangende houten raampjes. Deze waren verbonden aan pedalen, zodat men ze met de voeten om de beurt kon optillen en laten zakken. In de ruimte die tussen de beide groepen kettinggaren ontstond, kon men de inslagdraad inweven. Deze draad was op een handspoel gedraaid, die men door de ketting heen wierp (de smiet- of smijtspoel) en aan de andere kant opving.

Snelspoel

Een belangrijke ontwikkeling in de weefindustrie is de uitvinding van de snelspoel door de Engelsman John Kay in 1738. Het werken met de snelspoel had vele voordelen ten opzichte van zijn voorvanger: de smietspoel. Zo werd de inslagdraad gelijkmatiger ingebracht wat zorgde voor een betere kwaliteit van het doek. De productiviteit werd verhoogd doordat de breedte van het te weven doek niet langer beperkt werd door de armlengte van de wever. De komst van de snelspoel zorgde tevens voor een versnelling van het weven. De spoel werd sneller door de sprong gebracht, er kwam hierdoor minder druk op de draad waardoor hij minder gemakkelijk brak. Met de snelspoel had de wever nog slechts één hand nodig om de spoel door de sprong te voeren. De andere hand was vrij om alleen de lade aan te trekken. Hierdoor werd meer dan een verdriedubbeling van de weefsnelheid mogelijk.

De weefstoel, smietspoel en snelspoel.

De weefstoel, smietspoel en snelspoel.

Mechanisering en internationalisering

Aan het begin van de negentiende eeuw ging men in Twente gebruik maken van de Spinning Jenny, een machine die in Engeland reeds als verouderd werd beschouwd. De invoering van dit werktuig bracht echter met zich mee dat het spinnen, dat tot dan toe slechts in huisarbeid verricht werd, voortaan in spinlokalen werd geconcentreerd. Een fabrikeur stelde machines beschikbaar aan hen die zelf geen gelegenheid, of financiële middelen had om ze zelf te plaatsen. Arbeiders kwamen in loondienst en zodoende ontstond er een nieuwe bedrijfsvorm die men als voorloper van het fabriekssysteem kan beschouwen. De organisatie was kapitalistisch en geschiedde geheel voor rekening van kapitaalbezittende fabrikeurs.

Naast de toenemende mechanisering waren veranderingen op de internationale textielmarkt een belangrijke aanleiding voor het centraliseren van de spinproductie. Omstreeks 1750 raakte de Twentse linnennijverheid in verval, dit had meerdere oorzaken. In Ierland was de linnennijverheid, gestimuleerd door Koning-Stadhouder Willem III, onder leiding van de hugenoot Louis Crommelin in opkomst. Groot-Brittannië verhoogde zijn invoerrechten terwijl de invoer van linnen uit Duitsland en het toenmalige Oostenrijkse Silezië toenam. Ten gevolge van deze concurrentie werd het zuivere linnen voor Twente steeds minder aantrekkelijk. Men stapte over op de fabricage van bombazijn. Bombazijn is een sterke geweven textielstof. Oorspronkelijk had de stof een schering van zijde en een inslag van kamgaren, die gesponnen werd uit lange wol (bombasijde). Later werd bombazijn vervaardigd met een katoenen schering en linnen inslag. Bombazijn was vrij grof van samenstelling en werd grotendeels gebruikt voor werkkleding.

Huisnijverheid

In de Twentse linnennijverheid was voornamelijk sprake geweest van huisnijverheid. Bij de bombazijnnijverheid was dit niet mogelijk omdat de helft van de garens uit katoen bestond. Dit product moest uit Oost- en West Indië, Macedonië, Egypte en de Levant worden aangevoerd. De fabriqueurs kochten de katoenen garens op de Amsterdamse markt en lieten ze verwerken door arbeiders in loondienst. Over het aantal mensen dat werkzaam was in de Twentse textielindustrie kan het onderstaande overzicht worden samengesteld. Hierbij moet worden opgemerkt dat nagenoeg alle hier vermelde wevers thuiswevers waren.

afb 3

 

Nederlandsche Handelsmaatschappij

Op initiatief van koning Willem I werd op 29 maart 1824 de Nederlandsche Handelmaatschappij (NHM) opgericht. Deze organisatie had als doelstelling de vaderlandse handel, scheepvaart, scheepsbouw, visserij, landbouw en het fabriekswezen te bevorderen. In de praktijk kwam het neer op de expansie van de bestaande handel door het inwinnen van gegevens en het zoeken naar nieuwe afzetgebieden. De NHM was een import- en exportbedrijf dat, na het lijden van zware financiële verliezen in Zuid-Amerika, Mexico en de Levant, zich bijna uitsluitend richtte op Nederlands-Indië. Een belangrijk exportproduct naar deze kolonie waren katoenen stoffen, vooral calicots. Calico is een eenvoudig geweven textiel, vervaardigd uit ongebleekte en vaak niet volledig verwerkte katoen. De stof is minder grof en dik dan canvas of denim (spijkerstof).

De textielproducten die bestemd waren voor de export naar Nederlands-Indië kwamen voor het grootste deel uit de Zuidelijke Nederlanden. De Vlaamse textielindustrie had zich in de Franse tijd voorspoedig ontwikkeld. Aangezien België en Nederland sinds 1814 verenigd waren, kon de NHM deze Vlaamse producten naar Nederlands-Indië uitvoeren. Na de opstand in Brussel en de daaropvolgende afscheiding van België in 1830, verviel deze exportbron en stagneerde de levering van katoen aan de koloniën. In tegenstelling tot de Vlaamse industrie was de Noord-Nederlandse textielindustrie achtergebleven bij de rest van Europa en kon zij niet aan de vraag naar katoenen stoffen voldoen.

Groei van de Twentse textielindustrie

De Belgische afscheiding in 1830 is een belangrijke oorzaak voor de opkomst van de Twentse textielindustrie. Na de opstand zocht de NHM naar middelen om de katoenen stoffen voortaan in Noord-Nederland te produceren. Een gesprek tussen Willem de Clercq, directeur-secretaris van de NHM en Thomas Ainsworth, erfgenaam van één der grootste katoenfabrikanten uit Lancashire, leidde tot de keuze voor Twente. Hier waren de arbeidslonen laag en de inwoners reeds vertrouwd met het weven van verschillende stoffen als linnen en bombazijn. Tot 1870 verdienden de Twentse textielarbeiders weinig, zes tot tien gulden in de week. Fabrikeurs konden de lonen laag houden omdat het spinnen en weven lang een huisindustrie was gebleven, de Twentse boeren/arbeiders waren niet gewend hun arbeidsuren in geld om te rekenen.

Weefscholen

Op 1 juni 1833 werd een weefschool geopend te Goor, deze kreeg al snel nevenvestigingen in Holten, Enter en Diepenheim. In snel tempo werden de Twentse wevers geïnstrueerd om te werken op Calicot-getouwen met een verbeterde snelspoel. Naast de snelspoel was de komst van de stoommachine een zeer belangrijke ontwikkeling in de textielindustrie. In enkele decennia maakte de handmatige productie plaats voor het spinnen, spoelen en weven met behulp van stoommachines in een fabriek. De eerste stoomspinnerij van Twente werd opgericht in 1830, de eerste stoomweverij in 1852. De stad Enschede bleef in deze ontwikkelingen niet achter. In 1833 voerden de fabrikanten Stevens, Rabbers, Römer, Reygers e.a. de snelspoelen in.

Infrastructuur

De ontwikkeling van de Twentse textielindustrie zorgde tevens voor een verbetering van de infrastructuur. Er ontstonden nieuwe verkeerswegen voor de handel. Zo werd er in 1855 een kanaal gegraven tussen Zwolle en Almelo. De in Enschede gewenste aansluiting aan de Rijnspoorweg die in 1845 van Amsterdam tot Arnhem, en in 1855 van Utrecht naar Rotterdam was opengesteld, werd echter door de regering tegengewerkt. De regering had het plan opgevat om zelf de spoorwegen te exploiteren. Deze beslissing zorgde ervoor dat Enschede niet aan de hoofdroute van Holland naar Noord-Duitsland lag. Men koos ervoor om de route langs Hengelo en Oldenzaal te laten lopen. Het zou nog negen jaar duren voordat Enschede kon profiteren van een spoorwegverbinding.

Productiecapaciteit

De onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van de productiecapaciteit in de Twentse katoenindustrie 1801-1876 weer. Het is goed te zien dat het aantal spillen voor de spinindustrie, en het aantal getouwen voor de weefindustrie, vanaf het jaar 1800 oplopen. De komst van stoomspinnerijen en stoomweverijen zorgt ervoor dat het produceren van textiel met de hand steeds verder afneemt.

afb 4

Bronnen

  • Boot, J.A.P.G en Blonk, A. Van smiet- tot snelspoel (Enschede: 1956)
  • Fischer, E.J. Fabriquers en Fabrikanten: De Twentse katoennijverheid en de onderneming. S.J Spanjaard te Borne tussen circa 1800 en 1930(Utrecht: 1983).
  • Van Lente. ‘Spinners en geleerden. Innovatie in Lancashire in de negentiende eeuw’, in: Kleio, nr. 8 (2003).
  • Slicher van Bath, B.H. ‘Historische ontwikkeling van de textielnijverheid in Twente’, in: Textielhistorische Bijdragen, nr. 2 (1961).
  • Wijtvliet, C.A.M. De Nederlandse Handel-Maatschappij: van handelsonderneming naar bankbedrijf’, in: Jaarboek voor de geschiedenis van bedrijf en techniek, nr. 6 (1989).

Denise Parengkuan

Denise Parengkuan (1991) studeerde Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en Internationale Betrekkingen in Historisch Perspectief aan de Universiteit Utrecht. Ze is gespecialiseerd in Amerikaanse en internationale geschiedenis. Daarnaast heeft ze sinds kort haar eigen tekstbureau 'Talent voor Teksten'. Voor vragen/opmerkingen kunt u haar altijd bereiken op info@talentvoorteksten.com.

More Posts - Website

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!