De Slag bij Jutland

De Slag bij Jutland was een van de grootste zeeslagen uit de maritieme krijgsgeschiedenis. Michael Baartmans duikt in de geschiedenis van deze zeeslag.

Slag bij Jutland. De Duitse dreadnought Thüringen (links) in gevecht met de Engelse kruiser Black Prince (naar een plaat in de Illustrierte Zeitung, Leipzig, 1916). bron: wikimedia commons

Slag bij Jutland. De Duitse dreadnought Thüringen (links) in gevecht met de Engelse kruiser Black Prince (naar een plaat in de Illustrierte Zeitung, Leipzig, 1916). bron: wikimedia commons

Een van de grote oorzaken van de Eerste wereldoorlog is de maritieme wapenwedloop tussen Engeland en Duitsland in het begin van de 20ste eeuw. Engeland was sinds de slag bij Trafalgar een eeuw daarvoor de onbetwiste heerser over de wereldzeeën met een vloot die groter was dan andere Europese machten bij elkaar. De Royal Navy dreef op een lange traditie van zeemanschap, scheepsbouw en Victoriaanse esprit de corps. Hier tegenover kwam eind 19de eeuw een jong maar steeds machtiger wordend Duits Keizerrijk. Hoewel Duitsland vrijwel geen maritieme traditie had wist zij binnen enkele tientallen jaren een vloot op te bouwen die al snel kon wedijveren met de andere grootmachten zoals Rusland en Duitslands aartsvijand Frankrijk. Om daadwerkelijk de confrontatie aan te gaan met Engeland is nooit de bedoeling geweest; de Duitse vloot was vooral een prestigeobject om als land mee te tellen als Grote Natie. Zwaardere, snellere en krachtiger oorlogschepen werden in snel tempo te water gelaten in een technologische en industriële race. Maar in een tijd waarin een slagvloot voor een natie vergelijkbaar was met een kernarsenaal leidde deze wapenwedloop tot verscherpte internationale verhoudingen. Het resultaat was de Eerste Wereldoorlog en het hoogtepunt op zee was de Slag bij Jutland.

Over slagschepen en slagkruisers

Rond het begin van de 20ste eeuw bestond een fatsoenlijke vloot uit slagschepen, kruisers en torpedoboten. Slagschepen waren zwaarbewapend en dienden er toe om het tegen andere slagschepen op te nemen. Kruisers waren lichtbewapend en snel en bedoeld voor verkenning en het jagen op vrachtschepen. Torpedoboten waren een relatief nieuw begrip: kleine, snelle schepen met de bedoeling om tegenstanders op korte afstand met torpedo’s te bestoken. In 1906 kwam de Britse marine met een nieuwe slagschip, HMS Dreadnought. Bijzonder was dat dit schip alleen zwaar geschut had in plaats van de traditionele mix van zwaar, midden en licht geschut. De slagkracht werd hierdoor enorm vergroot. De verf op dit schip was nog niet droog of elk zichzelf respecterende marine ter wereld begon met de bouw van vergelijkbare ‘dreadnoughts’ en binnen enkele jaren vormden zij de kern van elke slagvloot. De Britten hadden nog een idee om een kruiser uit te rusten met zwaar geschut. Kruisers waren traditioneel snel, licht en middelzwaar bewapend. Snel, zwaar bewapend en licht bepantserd: bedoeld om de zee aan te vegen met vijandelijke kruisers. Het was specifiek NIET de bedoeling om de strijd aan te gaan met vijandelijke slagschepen. Duitsland volgde gretig elke Britse ontwikkeling op de voet en bouwde haar eigen toepasselijke hoeveelheid slagkruisers naast haar ‘dreadnoughts’ en ander grut.

Juni 1916

Met het uitbreken van de oorlog in 1914 werd de Noordzee een belangrijk, zij het leeg, slagveld. Schermutselingen tussen Duitse en Britse kruisers bij de Falkland-eilanden en de mislukte invasie van Turkije in Gallipolli in 1915 er buiten gelaten draaide de maritieme oorlog om de Noordzee. De Royal Navy wachtte geduldig af in Schotland en de Hochseeflotte wachtte in Wilhelmshafen. Voor beide vloten was het risico van een grote zeeslag á la Trafalgar eigenlijk te groot: mochten de Britten verliezen, dan kon de Duitse marine Engeland geheel isoleren en tot overgave dwingen. Verloren de Duitsers hun schepen, dan stond niets meer een geplande Britse invasie van Duitsland via de Oostzee in de weg. Behoud van de schepen was in dit geval belangrijker. In 1916 duurde deze patsstelling voort; de Duitser probeerden de Britten wel uit de tent te lokken met hit-and-run bombardementen op Engelse kuststeden, maar de Britten vertikten daar echt in te trappen, zich wel bewust van het risico voor hun vloot. Toch werden ook de Britten ongeduldig; de officieren waren het stilzitten beu en de hoge verliezen van de landmacht in de loopgravenoorlog gaven hen een schuldgevoel.

De slag

Op 31 mei 1916 probeerden de Duitsers opnieuw de Britten uit de tent te lokken. Hun slagkruiser-divisie, onder bevel van admiral Hipper stoomde de Noordzee op, op de voet gevolgd door hun slagschip-divisie onder leiding van admiraal Scheer. De Britten kregen door gedecodeerde berichten door dat de Duitse slagkruisers nu buitengaats waren, maar door een historische blunder ontging het hen dat ook de Duitse slagschepen volgden. De Britse slagkruisers onder bevel van admiraal Beatty vlogen de haven uit in de hoop de Duitsers te achterhalen. De Britse slagsvloot, onder bevel van admiraal Jellicoe volgden ook, in de hoop met een grote overmacht de Duitsers te kunnen vernietigen. Om kwart voor vier ’s middags troffen de twee slagkruiserdivisies elkaar en openden het vuur. Voor de Britten verliep dit niet goed; kort achter elkaar explodeerden twee van hun slagkruisers en zonken beiden‚  met bijna hun volledige bemanning. Beatty sprak hierop zijn legendarische woorden: “There seems to be something wrong with our bloody ships today.”

Het gevecht ging echter onverminderd door. Rond vijf uur verscheen aan de horizon de Duitse slagvloot en Beattys slagkruisers draaiden weg naar het noorden, in de richting van Jellicoes slagschepen. De Duitsers, niet wetende dat de hele Engelse slagvloot in die richting lag, zetten de achtervolging in. Daarbij explodeerde een derde Britse slagkruiser. Rond zes uur troffen de beide slagvloten elkaar: 28 Britse en 16 Duitse slagschepen openden het vuur. De Duitsers hadden hier echter geen behoefte aan, draaiden scherp weg en verdwenen in mistbanken en wolken kruitdamp. De Britten zetten de achtervolging pas veel te laat in en hadden voorlopig geen idee van de locatie van hun tegenstander. Gedurende de nacht zorgden incompetentie, pech en communicatieproblemen er voor dat dit ook zo bleef. Tussen chaotische gevechten tussen kruisers en torpedojagers door leidde Admiraal Scheer zijn kostbare slagschepen veilig terug naar hun thuishaven.

Op de ochtend van 1 juni dreef de Noordzee vol met wrakhout, olie, dode vissen en dode zeelui van beide kanten. Hier en daar werden overlevenden opgepikt en zonken kapotgeschoten schepen alsnog. Zwaar beschadigde schepen, bedekt met lijken en verwrongen metaal, werden teruggesleept of uiteindelijk verlaten en door eigen schepen tot zinken gebracht. De beide slagvloten keerden terug naar hun bases.

Slagkruisers en torpedojagers

Voor beide vloten was de uitkomst van de slag gemengd nieuw. De Britten hadden in eerste instantie weinig te vieren: drie slagkruisers geëxplodeerd alsof het drijvende bommen waren, andere kruisers en torpedojagers tot zinken gebracht en vrijwel de hele Duitse vloot – inclusief zwaar beschadigde schepen- ontkomen aan de Britse overmacht. Maar voor de Britten lag de waarde vooral in het behoud van de situatie: de Hochseeflotte terug in haar havens en de Britse vloot onbetwist heer en meester van de Noordzee. Toch knaagde het aan het Engelse geweten dat er geen nieuwe Trafalgar – een volledige overwinning – had plaatsgevonden.

De twee belangrijkste admiraals, Beatty en Jellicoe, zouden elkaar jarenlang van lafheid en incompetentie blijven beschuldigen. Het Duitse Keizerrijk vierde een gewonnen slag waarin haar vloot drie Britse slagkruisers had vernietigd en zelf 1 slagkruiser verloren, en vervolgens veilig terugkeerde. Duitse schepen bleken beter bestand te zijn tegen vijandelijk vuur en het Duitse scheepsgeschut bleek accurater dan het Britse. Maar uiteindelijk veranderde er niets aan de status quo: de Duitse vloot – prestigeproject van het Tweede Rijk – bleef een gevangene in haar eigen havens.

Na de wapenstilstand op 11 november 1918 stoomde zij voor het laatst de Noordzee op en gaf zich over aan de Britten. Op 21 juni 1919 brachten de Duitsers – tot afgrijzen van de Britten – haar eigen schepen tot zinken in de marinehaven van Scapa Flow.

Schrijf je in voor TOEN!