De traditie van oorlogsmonumenten in Nederland

In de wereld van vandaag worden we overspoeld door herinneringen uit het verleden. Een manier om deze herinneringen levend te houden is het oprichten van monumenten. Speciaal zijn de monumenten in Nederland die verwijzen naar de Tweede Wereldoorlog. Als we naar deze monumenten kijken valt meteen de grote hoeveelheid op. In Nederland zijn meer gedenktekens die betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog dan alle andere monumenten bij elkaar. Wat tevens opvalt, is de spreiding van deze monumenten over het gehele land.

Gedenktekens

Voor de oorlog kende men in Nederland nauwelijks een monumentale traditie. In de eerste maanden na de bevrijding werden overal in Nederland plannen ontwikkeld om gedenktekens op te richten. Deze eerste monumenten bestonden voornamelijk uit kruisen, gevelstenen en eenvoudige beelden. Men eerde hier vooral de doden mee die gevallen waren in de strijd tegen de bezetter. De herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog werd daarmee ingepast in de heersende politieke en levensbeschouwelijke opvattingen van die jaren. Deze opvattingen kunnen we karakteriseren als nationaal en christelijk-humanistisch. Het meest bekende gedenkteken van de Tweede Wereldoorlog is wel het Monument op de Dam.

Symbool van de vrijheid

In 1945 werd er een boom geplaatst voor het Koninklijk Paleis die de pas verworven vrijheid moest symboliseren. In 1946 werd door de toenmalige minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen een ‘Commissie van Oorlogsgedenktekens’ in het leven geroepen. Deze commissie keurde ingediende ontwerpen voor monumenten van nationale betekenis. Ook diende deze commissie een voorstel in om een nationaal monument op de Dam te plaatsen. Voor het definitieve ontwerp van het nationale monument werden de beeldhouwer J. Raedecker en de bekende architect J.J.J.P. Oud gevraagd. Oud en Raedecker voltooiden het ontwerp voor het Nationale Monument in 1950. Dit ontwerp werd door de Commissie van Oorlogsgedenktekens echter afgekeurd. Omdat de regering al veel tijd en geld in dit project had gestopt keurde de ministerraad het ontwerp toch goed. De beeldhouwer heeft echter nooit zijn werk samen met Oud kunnen onthullen. Hij stierf enige maanden voor de onthulling van het Nationale Monument in 1956.

De bouw van het Nationaal Monument op de Dam

Vlak na de bevrijding zien we dat vele burgers en particulieren op eigen initiatief gedenktekens gingen oprichten. Dit gebeurde voornamelijk op plekken waar burgers en verzetstrijders waren gefusilleerd. In november 1945 waren er al driehonderd comités die zich ten doel hadden gesteld een monument op te richten. Verschillende kunstenaars en de Nederlandse overheid probeerden al deze particuliere initiatieven in goede banen te lijden. Al spoedig kwam het tot een vorm van regulering. Als eerste vroeg de Nederlandse kring van Beeldhouwers om een monumentenstop. Ze vreesden dat als gevolg van de bevrijdingsroes een grote hoeveelheid van artistiek weinig geslaagde monumenten zou ontstaan.

Op 15 oktober 1945 honoreerde de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen dat verzoek. Voortaan was het plaatsen, oprichten of aanbrengen van Oorlogs- of Vredesgedenktekens slechts geoorloofd na goedkeuring van de minister. D. Carasso beschrijft in zijn artikel ‘een monument voor de natie’ dat hij dit typerend vind voor de Nederlandse identiteit. Spontane acties van het Nederlandse volk moeten zo snel mogelijk gereguleerd worden. Spoedig werd er een commissie voor monumenten en oorlogsgedenktekens in het leven geroepen. Carasso merkt dan ook terecht op dat de focus bij het herdenken duidelijk verschuift van het plaatselijke naar het nationale niveau. Professionals keuren de initiatieven en de overheid verleende al dan niet goedkeuring tot de plaatsing van het monument.

Als het over het Nationaal Monument gaat is Carasso in eerste instantie verrast over de locatie, namelijk de Dam in Amsterdam. Deze plek had geen duidelijke affiniteit met de Tweede Wereldoorlog, de gebeurtenis die herdacht moest worden. Uiteindelijk legt hij uit dat deze locatie een weloverwogen keuze was van de Nederlandse regering. Bij dit monument is het nationale gevoel wat opgewekt moest worden van groot belang. Vandaar dat gekozen werd voor het centrum van de hoofdstad. Om te voorkomen dat het een specifiek Amsterdams monument werd hebben alle provincies aarde in een urn gebracht naar de bouwplaats.

F. Beelaerts van Blokland, een van de initiatiefnemers van de Nationale Commissie, zei tijdens de plechtige inwijding van het tijdelijk monument in 1947:

“Het monument zal op het centrale punt van de hoofdstad worden opgericht, maar zonder dat het daardoor ook maar enigszins een specifiek Amsterdams karakter zal dragen. Het gedenkteken zal komen te staan op aarde, gedrenkt door het bloed van martelaren, op een bodem die niet alleen symbolisch, maar in de meest letterlijke zin nationale grond is”

Boodschap

De schrijvers M. Landsta en D. Spruijt zijn het in hun boek Een nationaal monument op de Dam eens met Carasso over de boodschap die het monument uit moest dragen. Ze voegen hier zelfs nog aan toe dat het monument een verbinding moest worden tussen het verleden en de toekomst. Dit monument was ook uitdrukkelijk voor het nageslacht bestemd. De plaats op de Dam was zo gekozen dat niemand het monument over het hoofd kon zien. Het materiaal dat gebruikt was bij de bouw van het monument, Italiaans travertin, moest de tand des tijds weerstaan.

In de biografie die Y. Koopmans heeft geschreven over de ontwerper van het Nationaal Monument, John Radecker, beschrijft hij vooral hoe deze beeldhouwer het monument voor de hele bevolking wilde laten koppen. Zo had Radecker beelden gemaakt die het verzet van de intellectuelen, maar ook van de arbeidersbeweging uitbeelden. Koopmans beschrijft dan ook dat Radecker wilde afrekenen met het verzuilde Nederland van voor de oorlog. Opmerkelijk is dat nergens op het monument is te lezen waarvoor het diende. Nergens staat iets over de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog of de jaartallen 1940-1945. Koopmans verklaring is dat de ontwerpers en commissieleden er blijkbaar vanuit gingen dat de beelden en teksten op het monument voor zichzelf spraken.

Herrijzenis van Nederland

M. Landstra en D. Spruijt vinden dat de boodschap die het Nationaal Monument op de Dam uitdraagt goed past in de periode van herrijzenis. Het beeld dat de Nederlandse bevolking in de periode 1945-1965 over de oorlog had was als volgt. De natie had een rampzalige tijd beleefd, maar dankzij de offers die velen hadden gebracht waren betere uiteindelijk toch tijden aangebroken. Het verzet had zich dapper verweerd tegen de gewelddadige bezetter en er was een duidelijke scheidslijn tussen ‘goed’ en ‘fout’ in de oorlog. Volgens Landstra en Spruijt is dit goed terug te zien in het monument. Beelden die het lijden en verzet van de Nederlandse bevolking laten zien zijn duidelijk aanwezig. Het beeld wat mensen in de periode 1945-1965 van de oorlog hadden verschild erg met het tegenwoordige beeld. Lang niet alle Nederlanders hadden verzet geboden tegen de Duitse overheersing. Sommige Nederlanders hadden zelfs gecollaboreerd of een passieve houding aangenomen.

Er is tegenwoordig een duidelijk grijs vlak ontstaan tussen de traditionele zwart-wit voorstelling. Landstra en Spruijt stellen dat niet alleen het beeld over de oorlog, maar ook de Nederlandse samenleving in de laatste veertig/vijftig jaar erg veranderd is. Nederland veranderde namelijk van een burgerlijk regenteske samenleving in een informeel consumentenparadijs. Het monument was daar volgens beide heren niet goed tegen opgewassen. De dagjesmensen en bezoekers van de Bijenkorf namen al spoedig de kortste route over de trappen en bij mooi weer vond het internationaal jeugdtoerisme de trappen van het monument een aangename hangplek. Ze stellen dan ook dat het Nationaal Monument op de Dam nooit een plek van inkeer en contemplatie is geworden.

De onthulling van het Monument op de Dam, 4 mei 1956. (bron: Wikimedia Commons)

De onthulling van het Monument op de Dam, 4 mei 1956. (bron: Wikimedia Commons)

Ontwerp

Wat vind de ontwerper van het monument hier nu zelf van? Volgens Koopmans, die een biografie over de ontwerper Radecker schreef, was het voornaamste belang dat het monument moest kloppen voor de gehele natie. De getoonde beelden zouden refereerden aan alle denkbare aspecten van de oorlog. In het midden tegen de zuil was een reliëf aangebracht van vier mannen. De middelste hangend, de overige drie geketend. Zij verbeelden de ellende die de oorlog had gebracht. Aanvankelijk waren het er drie, maar toen het Radecker duidelijk werd dat die opstelling associaties met Golgotha wekte, voegde hij er een vierde figuur aan toe.

Aan de zijkant van de pyloon staan op een stenen plateau twee mannen. Aan de linkerkant een man met een baard die het verzet der intellectuelen uitbeeldt, aan de rechterzijde een man die zijn handen ten hemel heft en het arbeidersverzet voorstelt. Voor de mannen lopen honden, die smart en trouw verbeelden. Boven hen, aan de voorzijde van de pyloon, staat een vrouw met een kind op de arm. Ze heeft een krans om het hoofd en duiven vliegen om haar heen. Dit zijn symbolen van overwinning, vrede en nieuw leven. Om de pyloon stond een gebogen muur, waarin de urnen met aarde waren aangebracht. Koopmans vindt dat de beelden duidelijke taal spreken, anders is het voor de tekst die op het monument is aangebracht. In de binnenkant van de muur is een tekst van de dichter A. Roland Holst gehakt. Deze is zowel moeilijk leesbaar als moeilijk te volgen. De overige teksten gaan vooral over bezinning op bovenaardse idealen. Koopmans stelt dan ook terecht dat de teksten weinig houvast geven aan de bezoekers van het monument.

Heroïsch

D. Hondius schrijft in zijn artikel ‘Verleden en toekomst van de herinnering: herdenken in Nederland en Duitsland’ over het belang van het herdenken. Hij is van mening dat de gedachte aan het lijden in de Tweede Wereldoorlog nooit vergeten mag worden. In zijn artikel laat hij ook enkele toespraken aan bod komen die gezaghebbers in Nederland over het Nationaal Monument hebben gehouden. Als eerste de voorzitter van de Nationale Monumenten Commissie, dhr. M.L. van Holthe tot Echten. Deze toespraak laat volgens Hondius goed het gevoel zien dat in Nederland leefde vlak na de Tweede Wereldoorlog. Als het over de slachtoffers gaat komt voornamelijk het heroïsche aspect aan bod.

Het waren er velen. Ze stierven op verschillende manieren en onder verschillende omstandigheden. Velen van hen waren martelaren, slachtoffers van vervolgingswaan. Maar de allermeesten hebben in wezen hun leven minder geacht dan hun smachten naar vrijheid. Dapper gaven zij hun leven, het schrikbewind van de overweldiger heeft hen niet vermogen te knechten.

Minister-president Willem Drees ging in op de functie van het monument:

“Als we dit monument zien denken we niet alleen aan hen die hun leven hebben geofferd, maar ook aan degenen die voorgoed de herinnering met zich meedragen aan een niet te herstellen verlies, dat in de oorlogsjaren over hen is gekomen door het heengaan van iemand die hun lief was.”

Het Nationaal Monument op de Dam was volgens Drees bedoeld om de overlevenden te laten zien dat ook het Nederlandse volk niet vergeet. “Dat het de offers blijft gedenken die gebracht zijn om de vrijheid te herwinnen en om bedreigden en vervolgden te beschutten. Hij sprak de wens uit dat het monument de Nederlanders op cruciale ogenblikken zou herinneren aan de eenheid die ons op beslissende momenten moet kunnen verbinden.”

Nationaal karakter

Het Nationaal Monument op de Dam heeft een sterk nationaal karakter. Bij de bouw van het monument werd gekozen om het op de Dam in Amsterdam te plaatsen. Deze plek in het midden van de hoofdstad laat duidelijk zien dat het monument voor de gehele natie is bedoeld. Een tweede aspect wat dat ook laat zien zijn de beeltenissen op het monument zelf. Het is de bedoeling van Radecker geweest om elke bevolkingsgroep bij het monument te betrekken. Op deze manier probeerde hij af te rekenen met het verzuilde Nederland van voor de oorlog. Wat ook erg belangrijk was bij de bouw van het monument was het feit dat het bedoeld was voor de toekomstige generatie. Dit is onder andere te zien aan de gebruikte materialen.

Het Nationaal Monument op de Dam in 2010. (bron: Wikimedia Commons)

Het Nationaal Monument op de Dam in 2010. (bron: Wikimedia Common

Bronnen

  • M. Landstra en D. Spruijt. Het Nationaal Monument op de Dam (Amsterdam: 1998)
  • Koopmans, Y., John Radecker 1885-1956. De droom van het levende beeld (Zwolle: 2006)
  • Chris van de Heijden. Grijs verleden. Nederland en de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam: 2001)
  • Frank van Vree. ‘Een verleden dat niet voorbij wil gaan.’
  • D. Carasso, ‘Een monument voor de natie’, Jong Holland jaargang 3, nr. 1 maart (1987)
  • D. Hondius, ‘Verleden en toekomst van de herinnering: herdenken in Nederland en Duitsland’, Auschwitz bulletin vol.45 (2001) afl. 1, pag. 4-9
  • E. Traverso., De geschiedenis en het herdenken’, Grenzeloos nr. 81 mei – juni (2005)

Lees ook:

Denise Parengkuan

Denise Parengkuan (1991) studeerde Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en Internationale Betrekkingen in Historisch Perspectief aan de Universiteit Utrecht. Ze is gespecialiseerd in Amerikaanse en internationale geschiedenis. Daarnaast heeft ze sinds kort haar eigen tekstbureau 'Talent voor Teksten'. Voor vragen/opmerkingen kunt u haar altijd bereiken op info@talentvoorteksten.com.

More Posts - Website

Schrijf je in voor TOEN!