De Verklaring van de rechten van de Mens en Burger

Op 26 augustus 1789 ondertekent de Franse Koning Lodewijk XV de Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger. Daarmee komt in Frankrijk een einde aan de standenmaatschappij.

rechten_van_de_mens_en_burger

De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger. Bovenaan de afbeelding met de Verklaring staat een alziend oog, dat als een zon op de rechten schijnt. bron: wikimedia commons

Standenmaatschappij

Tot 1789 was de Franse maatschappij, net als in andere Europese landen, ingedeeld in standen: de kerk, de adel en de boeren en burgers. Ieder stand had zijn eigen rechten en plichten en de verschillen tussen de standen waren groot, zeker tussen de derde stand (boeren en burgers) en de twee standen erboven.

Oneerlijk systeem

De oneerlijke verschillen tussen de standen waren de derde stand een doorn in het oog. De aristocraten hadden bijvoorbeeld veel land in hun bezit, maar betaalden naar verhouding maar weinig belasting, vergeleken met de boeren. Ook economisch stond Frankrijk er niet goed voor. Volgens de burgerij kwam dit deels door alle privileges die de eerste twee standen zichzelf hadden toegekend. Een revolutie lag op de loer.

Nationale Vergadering

In de Nationale Vergadering kwamen de drie standen bijeen om te praten over deze ongelijkheid en hoe die opgelost moest worden. De eerste stappen op weg naar de nieuwe Franse republiek waren daarmee gezet.

Verlichting

De ideeën voor deze nieuwe wind kwamen deels voort uit de Verlichting. Deze filosofische stroming ging er onder andere van uit dat de mens van nature autonoom was. Dit stond lijnrecht tegenover de denkbeelden van de kerk en de adel, die meenden dat ze de aardse vertegenwoordigers waren van het goddelijke gezag, waarbij het noodzakelijk was dat de bevolking gehoorzaamde.

Zeventien artikelen

Op 26 augustus 1789 hadden de leden van de Nationale Vergadering de laatste artikelen aangenomen. In deze zeventien artikelen werd onder andere vastgelegd dat iedereen gelijk en vrij is, dat de soevereiniteit bij het volk ligt en dat burgers zelf het recht hebben om te kiezen door wie ze bestuurd worden. In 1791 werd de Verklaring van de rechten van de mens en burger onderdeel van de Fransse grondwet.

Verklaring van de rechten van de mens en van de burger

De afgevaardigden van het Franse volk, in nationale vergadering bijeengekomen, beschouwen het onbekend zijn met, het vergeten of minachten van de rechten van de mens als de enige oorzaken van het algemeen ongelukkig zijn en de verdorvenheid der regeringen; daarom hebben zij besloten om de natuurlijke, onvervreemdbare en heilige rechten van de mens in een plechtige verklaring uiteen te zetten, opdat de gehele samenleving altijd over deze verklaring zal kunnen beschikken en zich haar rechten en plichten voortdurend zal herinneren; opdat de handelingen van de wetgevende en uitvoerende macht op ieder ogenblik met het einddoel van alle politieke bepalingen vergeleken en zo beter gecontroleerd kunnen worden; opdat de op eenvoudige en onweerlegbare principes gegrondveste eisen van de burgers in de toekomst steeds op het in stand houden van de grondwet en het algemeen welzijn gericht mogen zijn.

Bijgevolg erkent en verklaart de nationale vergadering in aanwezigheid en onder bescherming van het Opperwezen, de volgende rechten van de mens en van de burger:

  1. De mensen worden vrij en met gelijke rechten geboren en blijven dit. Maatschappelijke verschillen kunnen slechts op het algemeen welzijn gebaseerd worden.
  2. Het doel van iedere politieke vereniging is het behoud van de natuurlijke en onvervreemdbare rechten van de mens; deze rechten zijn de vrijheid, het bezit, de veiligheid en het verzet tegen onderdrukking.
  3. De oorsprong van iederesoevereiniteit ligt wezenlijk bij het volk. Geen instantie, geen individu kan gezag uitoefenen dat daar niet uitdrukkelijk uit voortkomt.
  4. De vrijheid bestaat daaruit, alles te kunnen doen wat een ander niet schaadt. Zo heeft de uitoefening van de natuurlijke rechten van ieder mens alleen deze grenzen die aan de andere leden van de maatschappij het genot verzekeren van dezelfde rechten. Deze grenzen kunnen alleen bij wet vastgelegd worden.
  5. De wet heeft slechts het recht handelingen te verbieden, die schadelijk zijn voor de maatschappij. Alles wat niet door de wet verboden is, kan niet worden verhinderd en niemand kan gedwongen worden te doen, wat de wet niet verordent.
  6. De wet is de uitdrukking van de algemene wil. Alle burgers zijn hebben het recht, persoonlijk of door hun vertegenwoordigers, aan haar totstandkoming mee te werken. Zij moet voor iedereen dezelfde zijn, hetzij ze beschermt, hetzij ze straft. Daar alle burgers in haar ogen gelijk zijn, kunnen zij in gelijke mate toegelaten worden tot alle waardigheden, plaatsen en openbare ambten volgens hun bekwaamheden en zonder ander onderscheid dan die van hun deugden en talenten.
  7. Niemand kan beschuldigd, aangehouden of gevangen worden dan in bij de wet bepaalde gevallen en in de vormen, die zij heeft voorgeschreven. Ieder die daden naar willekeur nastreeft, bevordert, pleegt of laat plegen, moet gestraft worden; maar iedere burger die door een wet wordt opgeroepen of gevangen, moet ogenblikkelijk gehoorzamen; door weerstand te bieden maakt men zich schuldig
  8. De wet kan slechts strikte en weliswaar noodzakelijke straffen opleggen, en niemand kan gestraft worden dan door een wet die is vastgesteld en uitgevaardigd voorafgaand aan het delict en op wettige wijze toegepast.
  9. Ieder mens wordt als onschuldig beschouwd tot wanneer hij schuldig wordt verklaard; daarom moet, indien zijn aanhouding onvermijdelijk is, ieder gebruik van geweld dat niet dient om de verdachte gevangen te nemen, van rechtswege streng onderdrukt worden.
  10. Niemand mag vanwege zijn opvattingen, ook niet godsdienstige, worden lastig gevallen, in zoverre dat hun uiting de door de wet ingestelde openbare orde niet verstoort.
  11. De vrije uitwisseling van gedachten en meningen is een van de meest kostbare rechten van de mens; iedere burger kan dus vrijelijk spreken, schrijven en drukken, behoudens en bij de wet omschreven gevallen, waarin hij van deze vrijheid misbruik maakt.
  12. De waarborg van de rechten van de mens en van de burger vereisen een politiemacht; deze macht is dus ingesteld voor het voordeel van allen en niet voor het particulier gebruik van hen aan wie ze is toevertrouwd.
  13. Voor het onderhouden van de politie en voor de uitgaven van de administratie is een algemene belasting noodzakelijk, zijn moet gelijk worden verdelen onder de burgers in verhouding van hun middelen.
  14. De burgers hebben het recht zelf of door hun vertegenwoordigers de noodzaak van een openbare belasting te onderzoeken, haar goed te keuren, de aanwending ervan te controleren en haar onderdelen, grondslag, invordering en duur te bepalen.
  15. De maatschappij heeft het recht rekenschap te vragen aan iedere openbare ambtenaar voor zijn bestuur
  16. Iedere maatschappij waarin de rechten niet gewaarborgd zijn, noch de scheiding der machten is vastgelegd, heeft geen grondwet.
  17. Aangezien het eigendom een heilig en onschendbaar recht is, kan niemand ervan beroofd worden, tenzij de openbare noodzakelijkheid, wettelijk vastgesteld, dit vereist en onder voorwaarde van een rechtvaardige en van tevoren vast te stellen schadeloosstelling.

Model voor Verenigde Naties en Europees verdrag

De verklaring werd opgenomen in de Franse Grondwet van 1791 en heeft als voorbeeld gediend voor latere mensenrechtenverklaringen zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens van de Europese Unie. Vanaf 1983 is de Verklaring opgenomen in de Nederlandse Grondwet.

 

Erik Sweers

Erik Sweers studeerde van 1997 tot 2004 geschiedenis aan de universiteit van Utrecht. Sinds 2008 is hij redacteur voor Historiën. Erik heeft in samenwerking met diverse uitgeverijen lesmateriaal voor het voorgezet onderwijs gemaakt, zoals GeschiedenisNU en de geschiedenislesmethode Columbus.

More Posts - Website

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!