Op 10 mei 1940 vallen Duitse troepen Nederland binnen. De Duitsers winnen, maar hun luchtmacht lijdt grote verliezen die ze, zoals de geschiedenis leert, niet meer te boven komen. Een verloop van de strijd.
‘Volgens de kaart moet de grens nu komen. Overal flitst het onder ons. Mijn jagers kijken in het begin verwonderd toe, tot één roept: ‘Hollandse luchtafweer’. En daar zien wij dan ook reeds de kleine springwolkjes uiteen barsten. Zij doen ons niets. De jongens lachen er om… Kort voor het Vliegveld Waalhaven begint het onaangenaam dichtbij te knallen. Niettegenstaande het geluid der motoren zijn de explosies van de zeer heftige luchtafweer te horen. Overal op de grond bliksemt het mondingsvuur op en kraakt en stoot de machine. Mijn jagers kijken elkaar verbaasd aan. Zij lachen niet meer. Het ziet eruit alsof het menens wordt. Ik mag niet verhelen dat de spanning een hoogtepunt bereikt heeft. Het bevel voor de sprong zal een bevrijding betekenen. Het is in elk geval een pijnlijk gevoel, te bemerken dat je vliegtuig in een zeef wordt veranderd…De Hollanders schijnen werkelijk sterke strijdkrachten ter verdediging van hun belangrijkste luchthaven te hebben gebezigd.’
Tien mei 1940. Duitse troepen vallen Nederland binnen als onderdeel van Fall Gelb, de Duitse aanval op West-Europa. Het Nederlandse leger vocht als een leeuw, maar het lot van Nederland leek bezegeld en het zou slechts een kwestie van tijd zijn, voordat ons land zou gaan zuchten onder het juk van de Duitse bezetter. Een bezetter die erop rekende binnen één dag en zonder veel moeite aan de Noordzee te staan, maar op 14 mei Rotterdam bombardeerde om de overgave af te dwingen. Rotterdam lag in puin en 2159 burgers hadden het leven verloren, evenals een kleine 2200 militairen. Met deze cijfers kan al snel het beeld ontstaan dat het Nederlandse verzet in de ‘bange meidagen’ geen positieve resultaten heeft opgeleverd. Dat beeld is echter geheel in strijd met de werkelijkheid. Aan de Nederlandse krijgsinspanningen zit wel degelijk een gouden randje. De Duitse luchttransportvloot en de Duitse parachutisten leden enorme verliezen bij hun pogingen om onder meer Nederlandse militaire vliegvelden in te nemen. Deze verliezen hadden grote gevolgen. In dit essay ga ik in op de strijd in Nederland en de gevechten rondom de luchthavens in het bijzonder. Ik toon hierbij aan dat deze strijd in Nederland niet alleen heroïsch was, maar dat de toegebrachte schade aan met name de Duitse luchttransportvloot, waarbij honderden Duitse toestellen verloren gingen en vele parachutisten en piloten sneuvelden of gevangen werden genomen, een streep door de rekening betekende wat betreft de Duitse invasieplannen voor Groot-Brittannië.
Bezuinigingen en pacificatiegedachten
Met het einde van de Eerste Wereldoorlog werd Nederland geconfronteerd met een behoorlijke achterstand in defensieve bewapening, in vergelijking met de omringende landen. Ondanks het feit dat Nederland in deze strijd neutraal was gebleven, had de oorlog diepe indruk gemaakt. Mede daardoor ontstond in Nederland een antimilitaristische sfeer, ondersteund door een grenzeloos vertrouwen in de na de Eerste Wereldoorlog opgerichte Volkenbond. Het idee dat geweld de wereld uit moest worden gebannen leefde in Nederland en we vonden dat ons land daarin een voorbeeldfunctie had voor de rest van de wereld. Sterke politieke groeperingen als de Sociaal-democratische Arbeiderspartij (SDAP) en het Nederlands Verbond voor Vakverenigingen (NVV) wilden leger en vloot afschaffen. De neutraliteitspolitiek waar de Duitse inval een einde aan maakte, had inmiddels een honderdjarige geschiedenis achter zich en Nederland hield vast aan de gedachte dat een minimale bemoeienis met internationale perikelen de kans om bij internationale conflicten betrokken te raken minimaliseerde. Ook toen de lont in het kruitvat van de Tweede Wereldoorlog al brandde, hield Nederland vast aan deze gedachte en hoopte zo opnieuw buiten een Europese oorlog te kunnen blijven. Zowel de politiek als de top van het leger waren van mening dat de grote mogendheden het elkaar niet zouden toestaan Nederland te veroveren, omdat dit de internationale machtsbalans zou kunnen verstoren. De opkomst van Adolf Hitler en de verkondiging van diens boodschap hadden eveneens het pacifistische elan in Nederland niet kunnen temperen. Velen hadden ‘Mein Kampf’ niet gelezen en zij die dat wel gedaan hadden, meenden dat het met de verwezenlijking van de hierin beschreven plannen wel mee zou vallen. Aan daadwerkelijke afschaffing van het leger dacht het Nederlandse volk nog net niet, maar de defensie-uitgaven mochten, geheel in overeenstemming met het regeringsbeleid, zeker niet te hoog zijn. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het Nederlandse leger gemobiliseerd en hoewel het niet aan de strijd had deelgenomen, waren er desondanks grote sommen geld mee gemoeid. Na de oorlog maakte Nederland bovendien een recessie door, onder andere veroorzaakt door het instorten van de Duitse afzetmarkt en de wereldwijde economische crisis van 1929 stond eveneens de groei van de defensie-uitgaven in de weg.
De gevolgen van de verwaarlozing van het Nederlandse defensieapparaat waren helaas niet te overzien. Nederland vertrouwde grotendeels op haar vestingwerken en linies die samen ‘Vesting Holland’ vormden. De top van het leger was van mening dat een langdurige verdediging van dit gebied mogelijk moest zijn en er werd vanuit gegaan dat bevriende staten in geval een aanval op Nederlands grondgebied te hulp zouden schieten, hoewel hier nooit harde afspraken over waren gemaakt in verband met de neutraliteitspolitiek.
De staat waarin het Nederlandse leger in 1940 verkeerde was ronduit droevig. De uitrusting was op zijn zachtst gezegd ouderwets en ook de training van de soldaten liet te wensen over. De meeste manschappen hadden in 1940 en dienstplicht van slechts vijfenhalve maand achter de rug en in een aantal gevallen was het zelfs mogelijk om de diensttijd tot anderhalve maand terug te brengen (de dienstplichtige moest dan wel 300 diensturen in zijn vrije tijd doorbrengen). In mei 1940 kon op grond van de dienstplichtwet van 1922 en door latere uitbreidingen een leger van 280.000 soldaten op de been worden gebracht.
Ondanks de pacificatiegedachten, de economische malaise en het grenzeloze vertrouwen in de Vesting Holland en de bondgenoten werden er vanaf 1922 toch pogingen ondernomen om het Nederlandse defensieapparaat te moderniseren. De toenmalige minister van defensie, Van Dijk, richtte daartoe een speciaal bewapeningsfonds op, waarvoor gedurende de periode 1925 – 1931 een totaalbedrag van ongeveer zestig miljoen gulden zou moeten worden gereserveerd. Veel verder dan een jaarlijkse uitgave van een schamele anderhalf miljoen gulden voor de aanschaf van nieuw materiaal is het echter nooit gekomen. Voor het overgrote deel werd oud materieel gemoderniseerd. De zeldzame aankoop van nieuw materiaal betrof in 1927 vooral nieuwe kanonnen, mortieren, mitrailleurs en luchtdoelkanonnen, bedoeld voor het veldleger. Inmiddels waren andere landen ook aan het herbewapenen en de levering van het oorlogstuig liet dan ook veel te lang op zich wachten. In mei 1940 beschikte het Nederlandse veldleger over slechts 52 nieuwe 10-centimeter kanonnen. De overige 300 kanonnen, houwitsers en artilleriegeschut waren rond de eeuwwisseling of zelfs nog daarvoor aangekocht. Tanks werden in het Nederlandse leger voor 1940 niet gebruikt, op één in beslag genomen Franse tank uit de Eerste Wereldoorlog na. In plaats van tanks maakte het Nederlandse leger gebruik van 28 pantserwagens.
In het voorjaar van 1935 begon de ernst van de situatie dan toch tot de Nederlandse regering door te dringen. Generaal-majoor Reijnders, bevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten, kreeg de opdracht om in allerijl voorstellen te ontwikkelen die tot verbeteringen van de Nederlandse defensie zouden leiden. Reijnders had een uitstekende predictie ten aanzien van de toekomst van Europa en verwachtte binnen afzienbare tijd een oorlog, waarbij het Nederlandse grondgebied, anders dan in 1914, niet ongeschonden zou blijven. De bevelhebber kwam met talloze voorstellen om de slagkracht van het leger te vergroten en legde daarbij de nadruk op luchtdoelartillerie, vliegtuigen, infanteriegeschut en munitie. In 1937 voegde hij tanks, meer pantserwagens en antitankgeschut aan zijn wensenlijst toe. Daar Nederland zelf niet over een grote wapenindustrie beschikte, diende het overgrote deel van het wapentuig in het buitenland te worden aangeschaft. Aangezien de bewapeningswedloop inmiddels al in volle gang was, werden in het buitenland geplaatste orders slecht mondjesmaat geleverd.
Reijnders’ wens tot versterking van de luchtmacht was zeer begrijpelijk. De Nederlandse luchtmacht verkeerde in het interbellum net als het Veldleger in twijfelachtige staat. Het luchtwapen was niet zelfstandig en maakte zelfs deel uit van het Veldleger. Op tien mei 1940 waren ongeveer 125 vliegtuigen gevechtsklaar, maar een groot deel hiervan was hopeloos verouderd. Met name de verkenningsvliegtuigen, bestaande uit de sierlijke maar trage Fokker C-V en C-X dubbeldekkers, alsmede de soortgelijke Koolhoven FK-51, pasten niet meer in het tijdsbeeld dat gekenmerkt werd door snelle, zwaarbewapende jachtvliegtuigen. De Nederlandse jachtvliegtuigen werden in de eerste plaats vertegenwoordigd door de Fokker D-XXI, een verouderd maar zeer wendbaar eenpersoons toestel, waarvan bewapening en snelheid enigszins tekort schoten. De hoop was vooral gevestigd op de machtige Fokker G-I: een snelle en zeer zwaar bewapende jager waar er op 10 mei 1940 slechts 23 gevechtsgereed waren. De hoofdmacht van de Nederlandse luchtvloot bestond verder nog uit 9 Fokker T-V bommenwerpers, maar gelet op dit kleine aantal was het niet te verwachten dat deze vliegtuigen grote successen zouden gaan boeken. Deze verouderde luchtvloot zou het in mei 1940 moeten gaan opnemen tegen een enorme overmacht van ongeveer 1000 moderne Duitse toestellen.
Behalve het vergroten van de slagkracht van het Nederlandse leger, wilde Reijnders eveneens een wijziging in de strategie aanbrengen. In plaats van de verdediging te beperken tot Vesting Holland wilde de generaal de Grebbelinie versterken en laten aansluiten op de Peel-Raamstellingen in het zuiden. De Ijssellinie moest de vijand zo lang mogelijk ophouden, zodat er tijd was om bruggen en viaducten op te blazen en wegen te versperren, om zodoende de vijandelijke opmars nog meer te vertragen.
De generaal kon met zijn plannen helaas niet rekenen op steun van de Nederlandse regering. Vooral het handhaven van de Peel-Raamstelling was in de ogen van de regering onverantwoord, omdat deze linie niet aansloot op de stellingen van de Belgen, waardoor er sprake was van een ‘gat’ van veertig kilometer. Tevens had de regering twijfels over een mogelijke terugtrekking van de Nederlandse troepen van de Grebbelinie naar Vesting Holland, in verband met het Duitse luchtoverwicht. Toen de regering weigerde geld beschikbaar te stellen voor de betonnering van zowel de Hollandse Waterlinie als de Grebbelinie, was voor Reijnders de maat vol en diende deze zijn ontslag in. Op 6 januari 1940 werd hij opgevolgd door generaal Winkelman. De laatste kon alleen maar hopen dat de in het buitenland bestelde wapens op tijd werden geleverd. Zijn hoop was echter tevergeefs. Toen de Duitsers de Nederlandse grens overschreden, had het Veldleger het volgende aan in het buitenland geplaatste orders ontvangen: 33% van het pantserafweergeschut, 70% van de lichte mitrailleurs, 85% van de mortieren, 80% van de zware mitrailleurs en 20% van het luchtdoelgeschut. Tanks en pantserwagens werden nooit geleverd. Orders voor vliegtuigen bleven open staan. Het Nederlandse leger wachtte een loodzware taak.
Op een vierde Nederlands vliegveld, Waalhaven, werden door een misvatting van Duitse piloten verscheidene transporttoestellen neergeschoten. De vliegeniers, die meenden dat Waalhaven reeds geheel in Duitse handen was, hadden de landing reeds ingezet toen zij onverwacht uit alle macht bestookt werden door Nederlandse eenheden, die de luchthaven nog volop verdedigden. De Nederlanders hadden tevens de landingsbaan van springladingen voorzien, waardoor ook onder de gelande toestellen dood en verderf werd gezaaid. Acht Nederlandse G-I jachtvliegtuigen van de derde Jachtvliegtuigafdeling (3e JaVA), wisten aan de Duitse aanval op het vliegveld te ontkomen en konden tijdens de luchtgevechten die volgden drie Duitse vliegtuigen neerschieten, terwijl zij zelf één vliegtuig in het gevecht verloren. Tegen het middaguur verschenen boven het door de Duitsers bezette Waalhaven ineens Fokker C-X verkenners. Bij deze belangrijke aanval van de Nederlandse dubbeldekkers werden met bommen en mitrailleurvuur enkele Duitse toestellen direct vernietigd. De brand die daarop uitbrak, deed de rest. Ook Duitse kisten die rondom Waalhaven succesvolle noodlandingen hadden gemaakt, werden op deze wijze verwoest.
De Duitse verliezen waren enorm. De 22e Duitse luchtlandingsdivisie verloor 42 procent van haar officieren en 28 procent van het overige personeel. Een bataljon van het 65e regiment verloor zelfs 50 procent van haar totale sterkte. Duitse radioberichten wezen uit dat vele vliegtuigen niet van hun missie waren teruggekeerd en de vele vernielde vliegtuigwrakken waren stille getuigen van de Duitse nederlaag. Ongeveer 200 transporttoestellen waren rond en boven Den Haag neergeschoten of op de grond vernietigd en 1600 Duitse militairen waren krijgsgevangen gemaakt. De herovering van de vliegvelden op de Duitse troepen zou een unicum blijven in de Tweede Wereldoorlog. De Duitsers waren zowaar in hun hemd gezet door de slechtbewapende ‘Holländische Käsekopfen’.
De Nederlandse luchtmacht deed wat zij kon, maar haar inspanningen bleven helaas een druppel op een gloeiende plaat. Veel Nederlandse vliegtuigen werden in de vroege ochtend van de tiende mei op hun basis vernietigd door Duitse bombardementen, terwijl andere toestellen zwaar beschadigd raakten. De vliegtuigen die wel kans zagen op te stijgen, zoals de G-I jagers van vliegveld Waalhaven, leverden soms indrukwekkende prestaties, zeker als men zich realiseert dat een enkel Nederlands toestel doorgaans vijf tot tien Duitse opponenten tegenover zich vond. Verwoeste thuisbases maakte het voor de Nederlandse vliegers vaak onmogelijk terug te keren. Een noodlanding of uitwijken naar andere luchtmachtbases was dan vaak de enige oplossing.
Zoals eerder gesteld heeft het Duitse leger een hoge prijs moeten betalen voor de invasie in Nederland. Een bijzondere rol bij het toebrengen van verliezen aan de Duitse luchttransportvloot was weggelegd voor de Nederlandse luchtdoelartillerie. Hoewel slechts een klein deel van de in het buitenland bestelde wapens was geleverd, vormde de Brigade Luchtdoelartillerie een levensgrote bedreiging voor met name de logge Duitse transportvliegtuigen. Hoewel tijdens de mobilisatieperiode werd geoefend in het neerhalen van luchtdoelen, werd de meeste ervaring opgedaan tijdens de eerste uren van de oorlog. Hierbij gingen wel grote hoeveelheden munitie verloren, maar gelet op het aantal door de luchtafweer neergehaalde toestellen, ruim 200, kan geconcludeerd worden dat de manschappen hun vak verstonden.
Het einde van de strijd nadert
In de vroege ochtend van 14 mei was het voor generaal Winkelman duidelijk dat de strijd hoe dan ook ten einde liep. Het betekende niet dat de Nederlandse opperbevelhebber wilde capituleren: hoe langer het Nederlandse verzet zou aanhouden, hoe minder Duitse troepen naar België en Frankrijk konden worden gestuurd. Bovendien was het grootste gedeelte van de Nederlandse luchtafweer nog steeds actief en effectief, hoewel het munitietekort hen nu ook parten ging spelen. Rond half elf meldde kolonel Scharroo, bevelhebber van de Nederlandse troepen die in en rondom Rotterdam gelegerd waren, dat er van Duitse zijde een ultimatum ontvangen was waarin de overgave van Rotterdam werd geëist. Indien hier geen gehoor aan zou worden gegeven, zou Rotterdam worden gebombardeerd. Het document was echter niet ondertekend en Scharroo stuurde de Duitse afgezant heen met de mededeling dat hij alleen wilde overleggen over een overgave indien hij een door een Duitse bevelhebber ondertekent document onder ogen zou krijgen. De Duitse koerier keerde in de middag terug met een tweede ultimatum, maar voordat Scharroo kon antwoorden, verschenen kort na half twee Duitse bommenwerpers boven de havenstad. De Nederlandse luchtmacht was inmiddels gemarginaliseerd en ook de Nederlandse luchtdoelartillerie kon niet voorkomen dat de Rotterdam werd gebombardeerd. Een luchtvloot van meer dan honderd Duitse bommenwerpers legde de stad in de as. Tegen half vier kwam een Nederlandse officier bij Winkelman aan: ‘Generaal, ik kom uit een hel’, zei hij en vertelde dat Rotterdam gebombardeerd was. Winkelman was geschokt door de Duitse actie, maar dacht nog altijd niet aan overgave. Rotterdam was weliswaar gevallen, maar elders in het land waren Nederlandse troepen nog steeds niet verslagen. Inmiddels had een Duitse koerier Utrecht bereikt, waar eveneens een ultimatum werd overhandigd. Winkelman realiseerde zich later die middag dat Utrecht, evenals Rotterdam, niet beschermd kon worden. Na overleg met zijn staf hakte de Nederlandse opperbevelhebber de knoop door: Utrecht moest gespaard blijven. Het Nederlandse leger zou de wapens neerleggen.
Woensdagmorgen 15 mei, om acht uur in de ochtend, verscheen Winkelman volgens afspraak op de Rotterdamse Maasbrug. Vandaar werd de generaal met zijn officieren naar een lagere school in Rijsoord gebracht, alwaar de capitulatie zou worden ondertekend. De Duitse generaal Von Küchler hield een korte toespraak, waarin de Nederlandse troepen gecomplimenteerd werden. Winkelman bedankte voor het compliment, maar hield verder zijn mond dicht. Küchler vond dat prima en ging over tot de orde van de dag en legde Winkelman de capitulatievoorwaarden voor. Toen gebeurde er iets onverwachts. Winkelman weigerde. De Nederlandse opperbevelhebber wilde niet instemmen met de overgave van de Nederlandse troepen in Zeeland, omdat die onder Frans bevel vielen en het Nederlandse opperbevel daarover niets te vertellen had. Küchler stemde uiteindelijk in, maar eiste wel dat de Nederlandse piloten die naar het buitenland waren gevlucht, niet meer aan de oorlog zouden deelnemen. Winkelman weigerde opnieuw: ‘nee’, sprak hij, ‘dat kan niet, want wij sluiten geen vrede. Wij zetten de oorlog door!’. De Duitse officieren probeerden de Nederlanders over te halen, maar zagen uiteindelijk in dat het geen zin had, daar Winkelman buiten Nederland niets te vertellen had. Maar de onzetting bij de Duitsers werd nog groter. Die paar gevluchte Nederlandse piloten en de Nederlandse soldaten in Zeeland kon men nog wel verkroppen, maar waar waren de Nederlandse marine en de koopvaardijvloot? De Nederlandse Schout-bij-Nacht Heeris nam nu het woord en vertelde de aanwezige Duitse marineattaché dat hij slechts enkele uren geleden een telex aan alle onderdelen had gestuurd waarin hij opriep zoveel mogelijk personeel en materieel naar Engeland te sturen. Diverse marineschepen en 2000 man personeel hadden daarop koers naar Engeland gezet. De Duitsers reageerden geërgerd, zeker toen Heeris zijn verhaal vervolgde en meedeelde dat alle Nederlandse koopvaardijschepen al in de vroege ochtend van 10 mei een telegram hadden gekregen met het bevel niet naar Nederland terug te keren. Slechts tien procent viel in Duitse handen. In totaal was een gezamenlijk tonnage van 2.500.000 weggebleven of weggevaren. Na twee uur onderhandelen zaten de Nederlandse en Duitse officieren tegenover elkaar. Het was doodstil. Op tafel lag het capitulatieprotocol. Om tien uur zette generaal Winkelman zijn handtekening. De Duitse bezetting was begonnen.
Het hogere doel
Adolf Hitler , 15 mei 1940Met bovenstaande woorden sprak Adolf Hitler in een dagorder voor de Duitse soldaten zijn bewondering en tevredenheid uit over de acties in Nederland. Ondanks alle verliezen leek Hitler in zijn nopjes, maar was hij dat werkelijk? Of waren de effecten van Winkelman’s wens zo lang mogelijk vol te houden en de vijand zoveel mogelijk schade te berokkenen nog niet tot de Duitse leider doorgedrongen?Na de voltooiing van de Duitse veroveringen op het vasteland van Europa was Engeland het volgende slachtoffer. Met een raid op de Engelse kust moest Duitsland’s laatste vijand in Europa uitgeschakeld worden. Het draaiboek voor deze invasieplannen, operatie Seelöwe (Zeeleeuw) geheten, lag al lange tijd klaar. Het plan was om eerst de Engelse luchtmacht op de knieën te krijgen, om zo de invasievloot en de noodzakelijke transportvliegtuigen te beschermen tegen Engelse luchtaanvallen. De bevelhebber van de Duitse luchtmacht, Hermann Göring, had Hitler toegezegd dat deze klus aan het eind van de zomer geklaard zou zijn.Om de Duitse invasieplannen op Engelse bodem goed te kunnen beoordelen, is het noodzakelijk de Engelse defensie in de nazomer van 1940 nader te bestuderen. Met de troepen die op tijd van het Europese vasteland hadden kunnen ontsnappen, waren er voor de verdediging van het gehele eiland slechts 27 divisies beschikbaar. Bovendien waren maar liefst 840 stuks antitankgeschut in Frankrijk achtergebleven, waardoor er nog 167 van dit soort wapens over waren ter verdediging van het Britse eiland. Oefeningen mochten niet worden gehouden, wegens een tekort aan antitankgranaten. Verder was ongeveer 70 procent van het artilleriegeschut in Frankrijk achtergebleven en waren de 27 divisies die de Duitse aanval zouden moeten afslaan zeer slecht uitgerust. Zelfs 300 jaar oude kanonnen werden uit diverse musea gehaald om opnieuw in gebruik genomen te worden. De mobiele eenheden van het Britse leger waren niet meer voor hun taak toegerust, daar er zo weinig militaire voertuigen uit Frankrijk waren teruggehaald, dat deze manschappen nu met gevorderde burgerauto’s vervoerd moesten worden. Op deze manier zou het minstens acht uur kosten voordat deze troepen in staat van paraatheid waren gebracht en binnen dit tijdsbestek waren Hitler’s troepen ruimschoots in staat een invasie uit te voeren. In verband met de te verwachten luchtlandingen werden in en om steden mitrailleurnesten aangelegd, maar men dacht er niet aan om bunkers te bouwen. De Homeguard, het Engelse vrijwilligersleger, stond bekend als en groep oude, in slechte conditie verkerende mannen die, hoewel vastberaden, absoluut geen partij zouden zijn voor de geoefende Duitse soldaten. Bovendien moest de Homeguard, door gebrek aan moderne wapens, zich bedienen van een breed assortiment aan windbuksen, landbouwgereedschap, breekijzers en zelfs enterhaken van Nelson’s vlaggenschip.De Royal Air Force, de Britse luchtmacht, was in 1940 druk aan het moderniseren. Hoewel luchtgevechten tussen Engelse en Duitse vliegtuigen al ruim voor die tijd plaatsvonden, begon de echte Battle of Britain op 13 augustus 1940, de zogeheten Dag van de Adelaar. De Engelsen konden op dat moment slechts 620 jachtvliegtuigen inzetten tegen een Duitse aanvalsluchtvloot van ruim 1100 jagers en 2500 bommenwerpers. Om dit verschil zo snel mogelijk te minimaliseren, werkten de Britse industrieën op volle kracht en ook in het buitenland werd zoveel mogelijk wapentuig aangekocht. Pas vanaf 1941 begonnen de Britten de militaire achterstand op de Duitsers daadwerkelijk te verkleinen en tot die tijd keek de wereld met angstvallige nauwgezetheid toe en vroeg zich af of de Britten stand zouden houden tegenover de Duitse agressor. Tegen het einde van augustus werd de Britse positie met de dag nijpender. Het tekort aan piloten begon de Britten nu serieus parten te spelen.Uit het voorgaande blijkt dat de Britse defensie in zeer bedenkelijke toestand verkeerde en dat het Duitse leger vast van plan was het eiland te veroveren. Maar waarom bleef de Duitse invasie dan uiteindelijk uit, net nu de Britse luchtmacht vrijwel geheel uitgeschakeld was? Voor het beantwoorden van deze vraag moeten we een aantal maanden terug, naar de aanval op Nederland.
Om een succesvolle landing op een eiland als Groot-Brittannië uit te voeren waren schepen, transportvliegtuigen, luchtlandingstroepen en goed weer nodig. Ook moest het binnen afzienbare tijd gebeuren, daar de Engelsen langzaam maar zeker hun defensiekracht wisten te vergroten. Hoewel de maand september gekenmerkt werd door slecht weer en een ruwe zee, waren er toch genoeg momenten waarbij de omstandigheden gunstig genoeg waren voor het uitvoeren van een landing. Het is daarom zaak de overige factoren nader te belichten. Bij de Duitse verovering van Noorwegen waren diverse schepen van de Duitse marine verloren gegaan. Hierdoor kon Hitler in de tweede helft van 1940 slechts beschikken over een klein slagschip, vier kruisers en een dozijn torpedojagers. Dit tekort hadden de Duitsers voor een deel proberen te compenseren door de inzet van koopvaardijschepen. De vloot van de Nederlandse marine en de Nederlandse koopvaardijvloot waren nu ongetwijfeld een zeer welkome aanvulling geweest op de Duitse vloot, maar de Nederlandse schepen waren het Europese vastenland ontvlucht.
Het grootste probleem vormden daarbij de benodigde vliegtuigen en luchtlandingstroepen. Wilde een invasie kans van slagen hebben, dan waren luchtlandingstroepen onontbeerlijk. Zij konden immers belangrijke punten veroveren en de landingsplaats voor schepen bezet houden. De Duitse invasie op Kreta, vele maanden later, toonden aan hoezeer het Duitse oppercommando op dit soort troepen rekende. Maar liefst 15.000 man luchtlandingstroepen en 750 transportvliegtuigen werden hierbij ingezet. Ook de geallieerde landingen in Normandie in 1944 en later dat jaar de geallieerde aanval op Nederland operatie Market Garden stonden bekend vanwege de inzet van luchtlandingstroepen.
In de tweede helft van 1940 was de Duitse luchttransportvloot bij lange na niet zo groot. Tijdens de inval in Nederland beschikten de Duitsers over ongeveer 430 transportvliegtuigen. Dit grote aantal was nodig, omdat de Duitsers op grote schaal gebruik zouden maken van luchtlandingstroepen om op die manier de Nederlandse vliegvelden te veroveren. Bij evaluatie van de aanval op Nederland komen dan drie belangrijke gegevens naar voren. Ten eerste werden 220 Duitse transportvliegtuigen door het Nederlandse leger neergeschoten of op de grond vernietigd. Ten tweede werden de meeste van deze toestellen niet bestuurd door ‘gewone’ piloten, maar door instructeurs, aangezien er op het moment van de aanval niet genoeg opgeleide piloten beschikbaar waren. Velen van hen zijn omgekomen toen zijn met hun toestel werden neergeschoten en anderen zijn na de landing opgepakt door het Nederlandse leger en direct op transport gesteld richting Engeland. Ten derde had het Nederlandse leger de Duitse luchtlandingstroepen zware verliezen toegebracht. Van de 11.075 ingezette manschappen waren ongeveer 4000 soldaten uitgeschakeld. Twaalfhonderd van hen werden als krijgsgevangene richting Engeland verscheept.
De verliezen waren dus enorm, maar welke gevolgen kwamen hieruit voort? De onlangs overleden Nederlandse historicus dr. L. de Jong merkt in zijn werk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog het volgende op: ‘Voorts hebben de Duitsers zelf erkend dat hun verlies aan transporttoestellen in elk geval boven de helft lag; met het verlies aan elitetroepen en geschoolde instructeurs vormde zulks een schadepost die enkele jaren lang merkbaar bleef.’ Als de verliezen zo hoog waren dat het jarenlang merkbaar bleef, dan was een raid op Engeland in 1940 volkomen ondenkbaar. De verklaring van De Jong krijgt steun uit Duitse hoek. Na de oorlog verklaarde de Duitse generaal Kesselring, destijds bevelhebber van de 2e Duitse Luchtvloot, dat de Duitsers dit verlies de gehele oorlog niet meer te boven zijn gekomen. Zijn chef-staf generaal Speidel voegde daaraan toe dat de verliezen zich ‘nog jaren lang’ lieten voelen. Ook de Studiengruppe Geschichte des Luftkrieges ziet een verband tussen de hoge verliezen bij de strijd in Nederland en latere invasieplannen. In een verslag schrijft de studiegroep dat ‘de hoge verliezen aan mensen en materiaal die de actie om Den Haag tot een mislukking bestempelden, het opperbevel waarschuwden voor te verstrekkende bedoelingen bij latere plannen als operatie Seelöwe, Malta, Gibraltar enz.’ In haar conclusie legt de studiegroep dus een duidelijk verband tussen de Duitse verliezen bij de acties rondom Den Haag, die bovendien als een mislukking werden bestempeld, en latere invasieplannen. Wat betreft de relatie tussen de Duitse verliezen en de gevolgen daarvan voor operatie Seelöwe zegt de Engelse historicus David Lampe het volgende: ‘Velen in Engeland meenden in die tijd dat de Duitsers zouden trachten een invasie uit de lucht te beginnen, doch de rapporten van de inlichtingendienst wezen uit dat dit uitgesloten was, omdat Hitler niet meer beschikte over de voor zo’n operatie benodigde vliegtuigen en -geoefende- luchtlandingstroepen.’ Een Duitse raid op Engeland was eind 1940 dus niet alleen onwaarschijnlijk maar zelfs onmogelijk, vanwege de opgelopen verliezen in Nederland. Maar waarom begon de Battle of Britain dan? Deze luchtoorlog is te wijten aan Hitler’s rotsvaste vertrouwen in de noodzaak van Duits luchtoverwicht, hoewel de top van het Duitse leger na een uitvoerige analyse had geconstateerd dat een landing op Brits grondgebied, volgens de plannen zoals die in 1940 op tafel lagen, gedoemd was te mislukken.
Het gelijk van generaal Winkelman
Was de Nederlandse strijd in de meidagen van 1940 hopeloos? Wanneer het doel was Nederland vrij te houden van Duitse bezetting dan is het antwoord achteraf ‘ja’. Maar als de vraag wordt gesteld of het Nederlandse leger haar haalbare doelen bereikt heeft, kan eveneens bevestigend worden geantwoord. Hitler sprak in zijn dankwoord aan de Duitse soldaten over een sterk en goed voorbereid Nederlands leger, maar de werkelijkheid was geheel anders. Desondanks vocht dit leger voor wat het waard was en heeft het de Duitse invaller volgens het plan van Winkelman enorme schade toegebracht. Het Duitse leger heeft een hoge prijs betaald voor haar agressie jegens Nederland en het heeft de Duitse invasieplannen voor Groot-Brittannië, waarmee de Duitse verovering van Europa voltooid zou zijn, de grond in geboord. Generaal Winkelman heeft waarschijnlijk nooit gedacht dat zijn geloof in het aanhoudende verzet en de schadeberokkening aan Duitse troepen en materieel zulke grote gevolgen teweeg zouden brengen.
Hoe groot de uiteindelijke gevolgen van de Duitse verliezen in Nederland zijn geweest voor het verloop van de oorlog is nooit met zekerheid vast te stellen. Oorlogen zijn dynamische processen en een overwinning valt of staat doorgaans niet met één enkele gebeurtenis. Toch zijn er een aantal belangrijke kanttekeningen te maken en roept een situatieschets belangrijke vragen op. Wanneer een aanval op Engeland met voldoende transportvliegtuigen, getrainde piloten en luchtlandingstroepen het te verwachten geslaagde resultaat zou hebben gehad, dan had de bezetting van Engeland een belangrijke wending aan het verloop van de oorlog in Europa kunnen geven. Want hoe had Europa bevrijd moeten worden? Engeland was dan immers als nabije ‘springplank’ naar Europa bezet geweest en Europa en Noord-Afrika zuchtten onder het juk van de As-mogendheden. Een invasie op de kusten van Normandië, waarmee uiteindelijk de bevrijding van Europa werd ingeluid, was dan onmogelijk. Welke andere opties waren voor handen geweest om een enorm invasieleger te herbergen? Ijsland lag te ver weg. Als de Duitsers het nodig vonden, konden ze Ierland eveneens makkelijk bezetten. In Noord-Afrika was een invasieleger van dergelijke omvang niet te verbergen en bovendien zou het fijne woestijnzand een desastreuze uitwerking hebben op het wapentuig. Bovendien moest een invasievloot dan een langere afstand over zee moeten afleggen en liep dan ook eerder de kans opgemerkt te worden door vijandelijke vliegtuigen. Vanwege de beperkte actieradius van jachtvliegtuigen kon een invasievloot, welke een grote afstand moest overbruggen tot de landingsplaats, slechts beperkt rekenen op de bescherming van de eigen luchtmacht.
Het uitblijven van de raid op Engeland betekende ook dat de Duitsers grote troepenconcentraties in Europa moesten houden, terwijl deze ook hadden kunnen worden ingezet om de olievelden van het Duitsgezinde Perzië te bereiken. Hoe was de oorlog verlopen als de Duitsers hadden kunnen beschikken over de natuurlijke rijkdommen van de overwonnen landen?
Maar zoals gezegd, oorlog zijn dynamische processen en het heeft dan ook geen zin door te schieten in mogelijke scenario’s over hoe de oorlog had kunnen verlopen. Het is en blijft te speculatief. Laten we ons ter afsluiting richten op de bedoelingen van generaal Winkelman. Hoewel het ook voor hem duidelijk was dat de strijd om Nederland uiteindelijk niet te winnen was, probeerde hij door voortzetting van de strijd de eveneens door de Duitsers aangevallen landen te ontlasten. Hij rekende op de slagkracht van met name zijn leger en luchtafweer. Dat het Nederlandse leger zo’n grote schade heeft kunnen toebrengen aan de Duitse agressor, dat het daarmee zelfs diens invasieplannen voor Groot-Brittannië tot het verleden lieten behoren, is in dat geval de bekroning van Winkelman’s strategie. De strijd om Nederland is niet voor niets geweest.
- Karel Doorman
- Wie is Valentijn?
- Slag om Arnhem: Hotel Hartenstein
- Baskeyfield hield stand
- Slag om Arnhem: de brug
- De Terrorist
- Bang voor de bom
- Illegale kranten tijdens de Tweede Wereldoorlog
- Olympische Spelen: een geschiedenis
- Fokker G-1: een korte geschiedenis
No related posts.
Related posts brought to you by Yet Another Related Posts Plugin.



Vind ons ook hier: