|
Initiatief
Op 24 augustus 1898 ontvingen de gezanten van de verschillende mogendheden een circulaire van de Russische minister van buitenlandse zaken, M.N. Mouravieff (1845-1900), waarin stond dat de Russische tsaar, Nicolaas II, het voorstel deed om een internationale vredesconferentie te organiseren. Doel van de conferentie zou zijn om een einde te maken aan de wapenwedloop en te onderzoeken of er een manier was om het behoud van de wereldvrede te verzekeren. Het idee kwam waarschijnlijk voort uit de persoonlijke gevoelens van de tsaar, die beïnvloed werden door de ideeën van de Russische minister van financiën en het boek van de Russische bankier en econoom Ivan Stanislavovich Bliokh (1836-1902), beter bekend als Jean de Bloch, over de toekomst van de moderne oorlog op technisch, economisch en politiek terrein. Volgens Bloch zou de volgende Europese oorlog qua schaal en destructiviteit in niets lijken op alle voorgaande oorlogen. Hij beargumenteerde dat de moderne militaire technologie vooral de verdediging had versterkt waardoor elk offensief alleen maar uit kon lopen op zelfmoord, de volgende oorlog zou een oorlog van verdediging worden. De oorlog zou ook erg lang duren en gepaard gaan met een groot aantal slachtoffers. Volgens Bloch zou alleen de economische factor van betekenis zijn. Hij concludeerde:
“the war in which great nations armed tot the teeth fling themselves with all their resources into a struggle for life and death is the war that every day becomes more and more impossible […] the great war cannot be made, and any attempt to make it would result in suicide”. Hoewel veel van Bloch’s voorspellingen niet zouden uitkomen had het boek in 1898 blijkbaar veel indruk gemaakt op de jonge tsaar.
Ontvangst
De circulaire van 24 augustus werd in Europa met veel verbazing en scepsis ontvangen, in de pers schreef men dat hoewel het idee erg nobel was, het weinig kans van slagen zou hebben. “It is the greatest nonsense and rubbish I ever heard of” zou de Prince of Wales, de toekomstige koning Edward VII, gezegd hebben. Ook zijn neef, de Duitse keizer Wilhelm II vond de conferentie onzinnig, hij verklaarde “Die Conferenzkomödie mache ich mit, aber den Degen behalte ich zum Walzer an der Seite”. Er werd ook getwijfeld aan de intenties van de tsaar: het was immers algemeen bekend dat Rusland de bewapeningswedloop met Oostenrijk niet bij kon houden. Een einde aan deze bewapeningswedloop zou grote (economische) voordelen voor Rusland met zich mee brengen. De slechts lichte koersdaling van de aandelen in wapenfabrieken bevestigde dat niet alleen in de pers werd getwijfeld aan het slagen van het plan. De Nederlandse minister van buitenlandse zaken, De Beaufort, nam het voorstel wel serieus maar stond hier aanvankelijk alleen in. Zijn idee om koningin Wilhelmina in haar eerste troonrede in te laten gaan op het Russische voorstel werd in eerste instantie niet door alle leden van de Tweede Kamer enthousiast ontvangen. Toch zou Wilhelmina de oproep van de tsaar “met bijzondere ingenomenheid” begroeten.De Leidse jurist Cornelis Van Vollenhoven (1874-1933) schreef later dat er ten tijde van de Eerste Vredesconferentie, buiten de kring van de Nederlandse regering, slechts twee mensen in het land belangstelling hadden: de portiers van de twee beste Haags hotels. Dit was niet helemaal juist, Nederland kende ook een vredesbeweging die het voorstel van harte toejuichte. Hoewel er in Nederland tot aan de Frans-Pruisische oorlog (1870-1871) nauwelijks sprake was geweest van een vredesbeweging, “few Dutchmen could see the need for a peace society in a peace-loving country that did not have any enemies”, kwam hier tijdens deze oorlog verandering in als gevolg van de nabijheid van de oorlog, de ervaringen van Nederlandse Rode Kruis ambulances aan het front en de gruwelijke verhalen over het oorlogsgeweld. Een van de belangrijkste verenigingen was de op 26 januari 1871 opgerichte Algemeene Nederlandsche Vredebond (ANV). Deze had als voornaamste doelen: “den internationalen vrede te bevorderen” en het vrijwaren van Nederland voor oorlogsgeweld. Een van de belangrijkste kwesties die de bond aansneed was de herziening van artikel 56 van de Nederlandse grondwet: dit artikel gaf de koning namelijk het recht tot oorlogsverklaring. In handen van een incapabele koning zou dit recht het land ten gronde kunnen richten, meenden de tegenstanders van het artikel. Hierbij wezen zij op de ervaring met Napoleon III in de Frans-Pruisische oorlog. De bond maakte gebruik van verschillende manieren om haar doelstellingen te verwezenlijken. Het beïnvloeden van de publieke opinie was de belangrijkste manier, bijvoorbeeld door het uitgeven van geschriften en het houden van congressen en vergaderingen. Doordat er ook leden van de bond in de Tweede Kamer zaten, kon de bond ook invloed krijgen binnen de politiek. In de loop van de jaren werden de doelstellingen van de bond steeds meer uitgebreid: rond 1896 vormde ook het streven naar het invoeren van arbitrage om geschillen tussen staten te beslechten een vast onderdeel van de doelstellingen. Eenzijdige ontwapening werd echter nooit tot de doelstellingen gerekend, de vaste doelstellingen bleven: grondwetsherziening, arbitrage en codificatie van het volkenrecht.Toen bleek dat het voorstel van Nicolaas II niet serieus werd genomen en de kans bestond dat het hele idee in de prullenbak zou verdwijnen, publiceerde de ANV, net als de vredesbonden in de andere landen, een grote hoeveelheid pamfletten en boeken om het idee van de vredesconferentie in een goed daglicht te plaatsen. De Britse journalist William T. Stead organiseerde zelfs een “vredeskruistocht” om langs alle Europese hoofdsteden en hoven te trekken om daar steun te verwerven voor de conferentie. Hoewel deze “kruistocht” niet echt van de grond kwam, zorgden de initiatieven van de vredesbewegingen in Europa ervoor dat de Mouravieff doorzette met het plan van de tsaar. Hij had namelijk, na de slechte ontvangst in de Europese pers en politiek, op het punt gestaan om het voorstel terug te nemen. Op 11 januari 1899 liet Mouravieff een tweede circulaire rondgaan waarin de bedoeling van de vredesconferentie nader werd toegelicht, ook werd vermeld dat de tsaar het raadzaam achtte om de conferentie niet in een hoofdstad van de grote mogendheden te houden maar in een van de kleinere landen. In de Europese landen werd er gespeculeerd over welk land de eer toebedeeld zou krijgen. Vooral Brussel leek een logische keuze. De Beaufort meende ook dat de Belgische koning Leopold moeite had gedaan om de conferentie naar België te “lokken”. Op 25 januari ontving De Beaufort echter een telegram waarin Mouravieff meldde dat de keus van de tsaar was gevallen op Den Haag.De beslissing om de conferentie in Den Haag te houden lijkt onder invloed van de Russische staatsraad F.F. de Martens (1845-1909) genomen te zijn. Martens had sinds 1893 de verschillende conferenties voor internationaal privaatrecht in Den Haag bijgewoond en had het Nederlandse organisatietalent bewonderd. Ook zouden volgens de minister van buitenlandse zaken, De Beaufort, de financiële hulp van Nederland aan Rusland en de traditionele banden die tussen Rusland en Nederland bestonden de doorslag gegeven in de keuze. De Beaufort bracht de ministerraad op 26 januari op de hoogte van het bericht, “allen juichten het besluit van de czaar toe en vonden de bezwaren gering”. Volgens De Beaufort was de koningin ook ingenomen met het nieuws en stelde het paleis Huis ten Bosch ter beschikking. Wilhelmina was echter helemaal niet gecharmeerd van het idee: “immers werd daardoor op ons het stempel gedrukt van onbeduidendheid”. Wilhelmina weigerde dan ook om bij de opening van de conferentie aanwezig te zijn.
Uitnodigingen
Nu de plaats voor de vredesconferentie vast stond moest worden bepaald welke staten een uitnodiging zouden ontvangen. In overeenstemming met de Russische regering werd bepaald dat in principe alleen de staten die de eerste circulaire hadden ontvangen uitgenodigd zouden worden. Hiertoe overhandigde de Russische regering een lijst met de staten die op 24 augustus de circulaire hadden ontvangen. Op deze lijst stond ook Bulgarije. Het uitnodigen van deze staat was controversieel. Sinds het Congres van Berlijn (1878) was deze staat weliswaar erkend maar het stond nog steeds onder de suzereiniteit van de Turkse sultan. Bulgarije zou dus niet uitgenodigd kunnen worden zonder toestemming van de sultan. De Beaufort liet Mouravieff dan ook weten Bulgarije pas uit te nodigen als de sultan hier geen bezwaar tegen zou maken. De Russische minister drong hierna aan bij de sultan om toestemming te geven, uiteindelijk kon Bulgarije deel nemen maar onder bezwaar van de sultan.Er waren nog drie controversiële staatshoofden die in aanmerking kwamen voor een uitnodiging: de Paus en de presidenten van de twee Zuid-Afrikaanse republieken Transvaal en Oranje Vrijstaat. Bij de hereniging van Italië in 1870 was de Paus zijn gebied, de Kerkelijke Staat, kwijt geraakt. Deze situatie werd door de Paus niet erkend en sindsdien werd elk contact met de Italiaanse staat vermeden. Een uitnodiging aan de Paus zou om die reden niet geaccepteerd worden door de Italiaanse regering en een reden zijn om zelf niet deel te nemen aan de conferentie. Een uitnodiging aan de Transvaal en Oranje Vrijstaat zou door de Britse regering niet geaccepteerd worden omdat Engeland de twee staten beschouwde als Brits grondgebied en bovendien, al enige tijd in de clinch lag met de republieken over het Uitlandervraagstuk. Doordat de hierboven genoemde staatshoofden echter nooit de eerste circulaire hadden ontvangen en dus ook niet op de Russische lijst stonden zou Nederland niet verplicht zijn deze uit te nodigen. De Beaufort heeft desalniettemin toch met het vraagstuk geworsteld. Het wel uitnodigen van Bulgarije maar niet de Paus en de twee Zuid-Afrikaanse republieken leek hem onjuist.Hoewel de Paus dus niet op de lijst stond had de Russische vertegenwoordiger in Rome, N.V. Tcharykow (1855-1929), de circulaires van 24 augustus 1898 en 11 januari 1899 wel laten lezen aan de kardinaalstaatssecretaris Rampola. Dit kon als een uitnodiging gezien worden. De Beaufort besloot echter het wel of niet uitnodigen van de Paus af te laten hangen van Italië, hij wilde een formele verklaring van de Italiaanse regering dat zij af zouden zien van deelneming aan de conferentie indien de Paus werd uitgenodigd. Deze verklaring kwam op 1 februari waarna De Beaufort definitief afzag van het uitnodigen van de Paus. Toch werd er van uit de Heilige Stoel en ook door Mouravieff nog enige druk uitgeoefend op de minister om toch een uitnodiging te sturen. Korte tijd later kreeg De Beaufort bezoek van de internuntius Tarnassi die bleef aandringen op een uitnodiging, “met al de slimheid van een Italiaansch priester” had Tarnassi in een anderhalf uur durend gesprek De Beaufort proberen te overtuigen. Deze bleef echter volhouden dat de vredesconferentie zonder de aanwezigheid van Italië, een van de grootmachten, als mislukt beschouwd kon worden. Ook Mouravieff bleef ijveren voor de uitnodiging aan de Paus, De Beaufort meende dat hij dit deed om “Frankrijk een dienst te bewijzen”. Hij probeerde een compromis te vinden waardoor de aanwezigheid van de Paus getolereerd kon worden door de Italiaanse regering. Zijn pogingen leidden echter tot niets. Uiteindelijk heeft De Beaufort in april aan koningin Wilhelmina gevraagd om de Paus een brief te schrijven om zijn steun te vragen voor het welslagen van de conferentie. Dit kan als een gebaar aan de Nederlandse Rooms-katholieken gezien worden, deze hadden namelijk grote bezwaren gehad tegen het niet uitnodigen van de Paus. De Beaufort bracht de katholieke leiders in Nederland hiervan op de hoogte.Doordat in Nederland een grote sympathie bestond voor de Boerenrepublieken had De Beaufort gespeeld met de gedachte om ook de republieken uit te nodigen voor de conferentie. Van Duitse zijde werd De Beaufort geadviseerd om dit in overleg te doen met de Britse regering. Maar omdat Engeland zich waarschijnlijk zou beroepen op haar suzereiniteit over de republieken leek hem dit niet verstandig. De minister hoopte eigenlijk dat de republieken, in navolging van Marokko en Brazilië, bij voorbaat een uitnodiging aan de conferentie zouden weigeren in verband met de grote afstand en het geringe belang van de conferentie voor hen. De Beaufort wilde de republieken echter niet vragen om uit eigen initiatief af te zien van een uitnodiging. Mouravieff gaf te kennen dat het beter was om de republieken niet uit te nodigen om zo Engeland niet voor het hoofd te stoten. Dus toen de op 24 maart de zaakgelastigde van de Transvaal mededeelde een uitnodiging op prijs te stellen kon De Beaufort naar waarheid verklaren dat de Russische regering niet van plan was om de republieken uit te nodigen. Deze beslissing werd De Beaufort door de pers en de publieke opinie zwaar aangerekend, vooral ook omdat Bulgarije wel welkom was op de conferentie. In de Tweede Kamer was dan ook veel onrust en heel even was er ook sprake geweest van het terugtrekken van de financiering van de conferentie of het indienen van een motie van afkeuring. Kuyper, die er een politieke zaak van wilde maken, kondigde een interpellatie aan die op 2 mei plaatsvond. Tijdens deze zitting van de Tweede Kamer, die veel aandacht trok, dienden de katholieken en socialisten een protest in maar werd de financiering van de conferentie uiteindelijk toch door de meerderheid van de kamer goed gekeurd.
De conferentie
Met het oplossen van de problemen rond de uitnodigingen en de financiering kon de conferentie uiteindelijk plaats vinden. Op 6 april werden de officiële uitnodigingen opgestuurd. Hoewel bijna geen enkele Europese regering of staatshoofd dus fiducie had in het slagen van de conferentie, besloten alle uitgenodigden toch aan de conferentie deel te nemen. Want “no government wished to be held responsible for wrecking the proposal”. Op 18 mei 1899, de verjaardag van de tsaar, werd de conferentie geopend. Er waren 26 landen vertegenwoordigd met ruim 100 gedelegeerden. De Beaufort handelde als een soort erevoorzitter terwijl het presidium in handen lag van de Russen.Er werden drie commissies gevormd, een voor bewapening, een voor oorlogswetten en een voor arbitrage. Hoewel de vergaderingen besloten waren en de pers geen toegang had wist de eerder genoemde Stead toch via een “lek” een soort kroniek van de conferentie samen te stellen welke dagelijks in de kranten verscheen. De gedelegeerden, die de conferentie bij voorbaat als mislukt zagen, bleken na twee weken toch meer interesse in het welslagen van de conferentie gekregen te hebben. Vooral rond de arbitrage werden enige resultaten geboekt. Maar het hoofddoel van de conferentie, een einde te maken aan de wapenwedloop, leidde al gauw tot niets. Elk voorstel van de Russen, gesteund door voornamelijk kleine mogendheden, werd door de militaire experts van de overige mogendheden, met name Duitsland, als “onuitvoerbaar” afgewezen. Ook beriepen de mogendheden zich op de onaantastbaarheid van de nationale soevereiniteit.Naast de agenda die de Russen hadden opgesteld in de circulaire van januari 1899 was elke mogendheid vrij om zelf ook voorstellen te doen. Maar deze voorstellen mochten geen politiek karakter hebben zoals “het neutraliseren van sommige landen, de wereldlijke macht van de paus, door Frankrijk gewenschte wijzigingen in het Frankforter vredesverdrag , en wat dies meer zij”. De Nederlandse regering wilde graag dat de onschendbaarheid van particulier eigendom op zee aan het programma werd toegevoegd. Op 19 mei had De Beaufort het voorstel gedaan om dit onderwerp toe te voegen aan de agenda maar de Russische vertegenwoordiger in Den Haag, Martens, wees dit af. Hierna probeerde De Beaufort het onderwerp alsnog op de agenda te krijgen door de Nederlandse gezant in Berlijn, Van Tets, te verzoeken de Duitse regering hierover te polsen. Hoewel Von Bülow het onderwerp wel belangrijk vond moest hij Van Tets laten weten dat de Duitse regering op de conferentie Rusland zo min mogelijk in het harnas wilde jagen en zich daarom zoveel mogelijk aan het Russische programma te houden. Uiteindelijk werd besloten om het onderwerp te reserveren voor een toekomstige conferentie, maar hierover werd niets vastgelegd.De conferentie heeft uiteindelijk tot een drietal conventies geleid: de toepassing van de conventie van Genève op de zeeoorlog, de codificatie van het landoorlogsrecht en de conventie tot vreedzame oplossing van internationale geschillen, de arbitrage. Vooral met dit laatste punt heeft Nederland zich intensief mee bezig gehouden onder andere door het idee van het Permanente Hof van Arbitrage dat zich in Den Haag zou gaan vestigen. Hoewel rondom de arbitrage in eerste instantie ook geen overeenstemming bereikt kon worden, waarbij opnieuw vooral Duitsland dwars lag, wilde men toch niet de indruk wekken doelbewust de conferentie te laten mislukken. Men meende dat de Russische tsaar dit als een persoonlijke belediging zou opvatten. Om die reden stemden de mogendheden in met het idee van het Permanente Hof.Op 29 juli werd de conferentie plechtig afgesloten. Onder andere werden de door koningin Wilhelmina geschreven brief aan de Paus en zijn antwoord, waarin hij zijn steun voor de conferentie uitsprak, voorgelezen. Naast de hierboven genoemde conventies waren ook nog drie verklaringen over projectielen vanuit ballons, dumdumkogels en gifgassen opgesteld en werd een lijst opgesteld met een zestal wensen. Wensen met betrekking tot eventuele toekomstige resoluties. Ook werd te kennen gegeven dat er een tweede vredesconferentie moest komen. Het aanvankelijke pessimisme leek vervangen door optimisme. Deze eerste vredesconferentie bleek een grote stimulans voor Nederland om zich (nog meer) bezig te houden met zaken als ontwapening en arbitrage door neutrale landen. Van Vollenhoven cultiveerde het besef dat Nederland een bijzondere roeping had. men zag een “Nederlandse roeping in de internationale politiek als pleitbezorger van vrede en neutraliteit”.

Meer artikelen door Philip Vos:
|