|
Duel tussen schuin en beschaafd |
|
Na het klassikaal opzeggen van de tafels van 8 en 9, de Drentse topografie en de 7 hoofdzonden uit de catechismus, moet een vrolijk O, Nederland let op uw Saeck tot genegenheid voor het vaderland gestemd hebben. Of dat in de 20ste eeuw nog zo was, kan iedereen die In een blauw geruite kiel of ‘t Is plicht dat iedre jongen uit het hoofd kent, voor zichzelf uitmaken.
In de stofomschrijvingscommissie moet iemand geweten hebben wat in de 19de eeuw aan onwelvoeglijks op straat te horen was. Er werd in ieder geval meer gezongen dan nu. Hilversum 3 bestond nog niet en ieder had zijn eigen stem… Maar werd er veel scabreus gezongen? En wat dan wel?
Scabreus
Het mag niet, maar is wel grappig. Je giechelt er om achter een kanten zakdoekje. Scabreus is ook een relatief begrip. Het Poep- en Piesmenuet van Willem Wilmink uit de Stratemakeropzeeshow (jaren ’70) werd door het ene ouderpaar scabreus gevonden en glimlachend gedoogd. Andere ouders vonden het schunnig en banden de VPRO gramstorig uit het kinderrepertoire.
Wie grinniken of boos worden, zijn het erover eens dat een waarde wordt belaagd. De een vindt echter dat de waarde wel tegen een stootje kan en de ander ontbeert die rekkelijkheid. De botsing wordt heftiger wanneer het gaat om reine kinderzielen, geneigd tot het goede, maakbaar, onschuldig. Mag je die zuiverheid op de proef stellen?
Jantje, Cornelis, de Brave Hendrik en Gilles Zoetekoek
Dat was onmiskenbaar Jantje die pruimen zag hangen en, ondanks zijn trek, niet plukt. Maar ik wil gehoorzaam wezen en niet plukken, ik loop heen. Zou ik om een handvol pruimen ongehoorzaam wezen? Neen! Of Cornelis, die bij het fors raketten, een bal door een ruit slaat en er rond voor uit komt. Hij had een afschrik van te liegen, wijl God het ziet. En zou hij nu Mamma bedriegen? Dat kon hij niet. De Brave Hendrik verdient zijn epitheton ornans, omdat hij zoo gehoorzaam is, en omdat hij zich zoo vriendelijk jegens ieder gedraagt. Hij doet nooit iemand kwaad. Er zijn wel kinderen die hem niet liefhebben. Ja, maar dat zijn ook ondeugende kinderen.
En Gilles, die al etende leert lezen. De Vader (Govert Zoetekoek) vindende dat Gilles tot goeddoen en tot leeren genegen was, maakte hem een nieuw ABC boek van Zoetekoek, daar Gilles veel van hieldt, en zo vlytig uit leerde als hy kon.
Het wordt een hele toer de leerlingen duidelijk te maken dat zij niet met een persiflage van doen hebben, maar dat zij de 19de eeuwse opvoeders serieus moeten nemen en nederig de historische vaardigheid (3a,b) moeten betrachten: verplaats je in mensen van vroeger; ze waren anders dan wij; probeer ze te begrijpen.
Behaviorisme, psychoanalyse, constructivisme en terug
Of waren Hiëronymus van Alphen en Nicolaas Anslijn psychoanalytici avant la lettre? De kinderen ontwikkelen, waar je bij staat, hun Ueber-ich. Ze sublimeren aan een stuk door driftmatige impulsen (pruimen jatten, liegen, luieren, meppen) en verinnerlijken de eisen van vader, moeder en beschaving. Jantje, Cornelis en andere kinderen uit de 19de-eeuwse leesboeken zijn wandelende gewetentjes.
Het is duidelijk dat zij, eenmaal volwassen, het hoofd zullen weten te bieden aan onmatigheid in spijs en drank en naaktzwemmen en dat zij uit hun verdiende rijkdom gul zullen geven aan de armen. Leonard de Vries heeft er een bloemlezing (1712-1898) van samengesteld, Bloempjes der Vreugd voor de lieve Jeugd. Een vertederend boek. Ik kreeg heimwee naar ongecompliceerde opvoedingssituaties.
Wat is er toch gebeurd? Waarom is de Brave Hendrik geen Idealtype meer, maar een softie? Wat hebben we gedaan dat we moeten onderwijzen in een wildernis van mondigheid? Er lijkt geen troost voor mijn generatie. We hebben het zelf gewild. Waren we in de jaren ’70 niet van mening dat we kinderen moesten leren de werkelijkheid op eigen kracht te onderzoeken en te construeren?
Hebben we Hendrik en Jantje niet ontmaskerd als gedachteloze organismen, reagerend op als beloning vermomde repressie zoals Pavlovs hondje? Onttoverden we daarmee niet de schoolse werkelijkheid en willen we daarom terug naar Arie’s en Piets’ gecanoniseerde Pruikentijd? Het scabreuze kindervers
In het straatje van Tante Kaatje, Hèhè. Dat lucht op. Ook op een School met de Bijbel.
De dominee van takkenbos, Het is waarschijnlijk van alle eeuwen. Kinderen zetten de trots op hun pas verworven zindelijkheid en taalvaardigheid om in anaal gefixeerde rijmdwang.
Peter van den Hoven heeft een artikel op het internet geplaatst (DBNL): Uit de onderbuik. Over het scabreuze kindervers. Er hoort een fikse literatuurlijst bij. Verzuilde kinderen wierpen scabreusheden de straat over en weer, als sneeuwballen of eikels. Katholieke Elastieke! Protestante Olifante! Openbare Klapsigare! Protestante katteklante! Nikse hufters, grote rufters! Roomse papen, zingen als apen. Klimmen in bomen, tot ze in de hemel komen. Dan trekken ze aan de bel en donderen in de hel.
Wilde ‘t Nut dit soort poëzie door zangonderwijs verdringen? Of was het een strijd tegen De Zeven Vlooien? Zij trokken vaders onderbroekie an, een broek met gouden knopen, die gingen ze verkopen, aan wie, aan wie, aan wie? Aan Koning Willem III. Ai, het schennen van de majesteit!
Of het schennen van de dikke dominee, Tararaboemdejee, die had zijn gat verbrand al aan de kachelrand. Toen ging hij naar de plee en nam zijn pijpje mee. Maar bij de eerste druk, toen viel zijn pijpje stuk. Scabreus of schunnig? En wat te zeggen van het hobbelpaard van Constant, dat hij bereed, zomaar in zijn blote Constant…
Het scabreuze volwassenenvers
Gerrit van der Linde (1808-1858), die, niet onbegrijpelijk, schreef onder het pseudoniem de Schoolmeester, nam het op voor een gevallen meisje.
Haar mond was rood.
En Ko Cassandra (1802-1868) neemt zoete wraak op Hiëronymus van Alphen:
Jantje zag een pruikje hangen. We kennen Willem Bilderdijk van omfloerste trom en rouwgebrom. Maar wie verwacht Aan Lotje van deze zwaarmoedige conservatief.
Gij hebt een roos, die fris bekoorlijk is en eêl (gaaf). Bilderdijk schreef ook ‘Het vermakelijk ABC’ Iedere letter geeft aanleiding voor een schuin versje.
De letter C. In 1815 schreef de toenmalige dichter des vaderlands, Hendrik Tollens (1780-1856), in op een prijsvraag voor een volkslied van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. Het Wilhelmus vonden Vlamingen en Walen minder geschikt. Tollens won.
Wien Neêrlands bloed door d’ aders vloeit, Het lied werd nooit populair en toen de Belgen hun Brabançonne hadden, maakte het Wilhelmus een come back. Maar beide gezangen hebben het scabreuze lied niet kunnen doen vergeten.
Tegendraads
Maar waren er dan geen volwassenen, wie de barstjes in het glazuur sprongen bij zoveel spanning tussen ideaal en werkelijkheid? Was er in die eeuw geen Stratemakeropzee of Puk van de Petteflet? Wie verstoorde de rust in opvoedingsland? Ik laat vier kribbenbijters aan het woord, die scabreuze of schunnige – dat was destijds ook al een probleem – bakens waren in de zee van 19de-eeuwse belering.
De schoolmeester, eerder genoemde Gerrit van der Linde (1808-1858) was hoofd van een kostschool in Londen en schreef, misschien uit heimwee, spotdichten op typisch Hollandse zaken, zoals het schoolmeesterschap rond 1840.
Hij die, uit vrije keus,
Hildebrand, (Nicolaas Beets, 1814-1903) was aanvankelijk dichter en schrijver van lichtvoetig werk. Nadat hij dominee geworden was (1840), kreeg zijn werk meer galm en gewicht. Hij schreef de Camera Obscura (een verzameling vrolijke schetsen) rond 1839 en stelt ons gerust: de Brave Hendrik gaat niet over een kind, maar over Anslijn zelf. “Toen ik op school ging, maakten we in de hoogste klas, bestaande uit heertjes van negen en tien jaar, allen op woensdagmiddag een opstel, soms over een gegeven onderwerp, soms over een zelfgekozen onderwerp. Maar ik roep alle Jannen, Pieten, Willems en Heinen, waarmee ik in de schoolbanken zat op tot getuigen, dat er nooit iemand geweest is, die zijn lei heeft volgeschreven met ongestoord geluk uit zijn kindertijd. Nee, wij schreven diepzinnige betogen over de Deugd, of de Vier Jaargetijden. De Hollandse jongen met zijn blauwe kiel …
Mevrouw! Ik spreek hier niet van uw bleekneuzige zoontje met de blauwe kringen onder zijn ogen. U maakt te veel werk van zijn haar, dat u wilt laten krullen. U bent te gevoelig bij het kiezen van zijn pet, die alleen geschikt is om beleefd af te nemen voor oom en tante, maar totaal onverdraaglijk bij het oplaten van vliegers en het spelen van krijgertje; spelletjes die U te wild vindt. Mevrouw, u heeft te veel boeken over opvoeding gelezen. Weet u wat u van uw zoontje maakt? Een gluiper, een klikspaan en een bangerd. Och mevrouw geef hem een andere pet en laat hem nooit thuis komen zonder buil of schram. Dan wordt hij een vent!”
Multatuli, (Eduard Douwes Dekker 1820-1887) vatte invallen, spreuken en korte schetsen (1862-1877) samen in een bundel ‘Ideeën’.
Ze werden niet door een groot publiek gelezen en zeker niet door kinderen, maar het verhaal van meester Pennewip en Woutertje Pieterse werpt vanuit 1877 een vrolijk licht op de stofomschrijving van 2006. “De school was leeg. De banken zagen er uit alsof de leerlingen daarop al hun verveling hadden achtergelaten. De kaart van Europa keek verdrietig neer op de stapel schrijfboekjes, waarnaast de potloodstompjes lagen, tot op het bot afgekloven. Pennewip kijkt kindergedichtjes over de deugd na.
Op het vaderland. Vaderland, koek en amandelen, ik ga in de maneschijn wandelen, koek, vaderland en brandewijn, ik ga wandelen in de maneschijn, vijf vingers heb ik aan mijn hand, ter eer van het lieve vaderland. Na een hele reeks deugdzame rijmpjes: Woutertje Pieterse, Roverslied… – Hè wat is dat? En de deugd… waar is de deugd? Helaas, helaas… er was geen spoor van deugd te zien op Wouters blaadje! Arme pruik! Meester Pennewip rukte haar af… ‘Heremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven’”
Pennewip zoekt, ontzet over Woutertjes gedicht en verdorvenheid, troost bij een gezelschap opvoeders. “- Uw zoon, juffrouw Pieterse, behoort tot de klasse der rovers, moordenaars, vrouwenschenders en brandstichters. Ik zal zijn gedicht voorlezen…
Roverslied
Piet de Smeerpoets
Hij ontwierp zijn ‘Struwwelpeter’, (1844), een anti-heldje, een mooi voorbeeld van paradoxale opvoedkunde. In Nederland was er een markt voor. Struwwelpeter werd Piet de Smeerpoets. Stoute kinderen lopen in de gedichtjes steevast tegen een absurde straf aan, zoals in ‘De allerdroevigste geschiedenis met de zwavelstokjes. ‘
Paulientje bleef te huis, alleen, O, schrik! Haar kleertjes vatten vlam! Paulientje brandt in 8 versregels helemaal uit:
De kinderen weken onder druk van de deugdzaamheid uit naar het scabreuze. De meesters, zoals in alle tijden tobbend tussen ideaal en klaslokaal, konden Multatuli, de Schoolmeester, Hoffmann en Hildebrand lezen en opgelucht grinniken.
De moraal
Schurftig, eerbaar of anaal,
Joop Walhain (Joop Walhain is geschiedenisdocent en mede-auteur van het eindexamenkatern Van kind tot burger van NijghVersluys.)
Literatuur
Bij dit artikel hoort een klankbeeld of les, die NijghVersluys in 2006-2007 aanbood aan geïnteresseerde docenten en leerlingen. De les wordt gegeven aan de hand van teksten, opdrachten en een cd met muziek en voordracht.
Ook de les ‘De Vietnamese Rock Opera’ (zie de Onderwijsrubriek op deze site) kan verzorgd worden. Als tegemoetkoming in de kosten wordt een bijdrage van €2,= per leerling per workshop gevraagd.
Bent u geïnteresseerd? Neem contact op met de auteur, joopwalhain@home.nl Meer artikelen door Joop Walhain: |
|
|
|
|
| |