|
Duitse eenheidsstreven in de 19e eeuw |
|
Op 18 januari 1871 komt uit de lappendeken van Duitse vorstendommen het Duitse Keizerrijk onder Wilhelm I voort. Deze eenwording van Duitsland gaat echter niet over een nacht ijs.
Heilige Roomse Rijk
Na het uiteenvallen van het Heilige Roomse Rijk tijdens de Napoleontische oorlogen in 1806 bleef er een onsamenhangende lappendeken over van Duitstalige staten en vorstendommen. Bij het herschikken van de Europese kaart tijdens het congres van Wenen in 1815 werd besloten dat voor het machtsevenwicht in Europa een sterk Duitsland nodig was. De oplossing was de Duitse Bond waarbij enerzijds de staten naar buiten toe gezamenlijk optrokken en anderzijds iedereen zijn eigen soevereiniteit kan handhaven. In praktische zin bleek al snel dat de twee grootste spelers in deze bond, Pruisen en Oostenrijk, de politiek bepaalden. In de periode 1815-1848 werden er op economisch gebied enige stappen gezet tot verdergaande samenwerking: in 1834 kwam er een ‘Zollverein’ (tolunie) tot stand waar de meeste Duitse vorstendommen zich bij aansloten. Industrialisatie en mijnbouw waren grote economische aanjagers.
Friedrich List
De bekende econoom Friedrich List (1789 – 1846) was een voorvechter van deze unie. Hij was een groot voorstander
van de laatste industriële vondst, de spoorwegen. Zoals in Frankrijk een spoorwegnet werd bedacht wat gecentraliseerd was op Parijs, bedacht List een Duits spoorwegnet wat er juist op gericht was om de Duitse eenheid te bevorderen. In de visie van List waren open grenzen en onderlinge fysieke verbondenheid essentiële onderdelen om de Duitse economische achterstand te overwinnen.
Verlangen naar eenheid
Onder de bevolking van de Duitstalige gebieden bleef een verlangen bestaan naar meer eenheid en meer vrijheden. Toen in Parijs in 1848 een revolutie uitbrak, sloeg de vonk snel over naar Berlijn, Wenen en andere steden in de Duitse Bond. Aanvankelijk leek het erop dat de revolutie succes had. Op 18 mei 1848 kwam in de Paulskirche in Frankfurt het Frankfurter Parlement bijeen om een grondwet op te stellen voor heel Duitsland.
Ruim achthonderd vertegenwoordigers van het Duitse volk, op grond van een algemeen mannenkiesrecht gekozen, vergaderden meer dan een jaar over de nieuwe grondwet. Een groot probleem voor het Frankfurter Parlement, dat de bijnaam Professorenparlement kreeg, was de vraag hoe groot de toekomstige Duitse staat moest worden. Moesten alle Duitstalige gebieden zoals Oostenrijk met bijvoorbeeld Bohemen en Hongarije erbij horen, de zogenaamde Groot-Duitse Oplossing of alleen de Noord-Duitse (en overwegend Protestantse) gebieden? Na lang beraad koos het
parlement voor de laatste oplossing, de zogenaamde Klein-Duitse Oplossing. De vertegenwoordigers vroegen de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV om keizer van dit nieuwe Duitsland te worden.
Het doek valt voor Frankfurter Parlement
Intussen hadden echter de meeste vorsten – die vrijwel allemaal anti-liberaal waren – orde op zaken gesteld in hun gebied. De Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV voelde zich daarom sterk genoeg om de aangeboden keizerstitel te weigeren. Een koning werd in zijn ogen uitverkoren door God, en niet door het volk. Hiermee was de rol van Het Frankfurter Parlement direct uitgespeeld. Het parlement werd ontbonden en het laatste revolutionaire bolwerk, de stad Rastatt in Baden, werd op 23 juli 1849 door Pruisische troepen ingenomen. De revolutie was mislukt, de vorsten hadden hun macht hersteld en de droom van een Duitse eenheidsstaat was vervlogen.
Bismarck en de opmars van Pruisen
Ruim 10 jaar later werd Otto van Bismarck benoemd tot Kanselier van Pruisen. Vanaf het eerste begin maakte Bismarck
duidelijk dat hij achter de eerder genoemde ‘ Klein-Duitse Oplossing’ stond. Vlak na zijn aantreden op 30 september 1862 hield Bismarck een beroemd geworden rede. Hij zei: “Niet door praten en meerderheidsbesluiten worden de grote vragen van deze tijd opgelost – dat is de grote fout van 1848 geweest – maar door ijzer en bloed.” Hij gaf daarmee aan dat volgens hem de eenwording met militaire en niet met democratische middelen tot stand zou worden gebracht. Volgens Bismarck moest Pruisen eerst Oostenrijk en Frankrijk verslaan om een Duits Keizerrijk te kunnen vormen. Oostenrijk moest – conform de klein-Duitse gedachte – buiten de eenwording gehouden worden maar mocht niet van Duitsland vervreemden. Frankrijk, dat een Duitse eenwording nooit toe zou staan, moest worden geïsoleerd.
In de ogen van de Pruisische eerste minister zou Oostenrijk anders de politiek in Duitsland veel te veel domineren. Deze polarisatie leidde in 1866 tot de Oostenrijk-Pruisische oorlog, ook wel de ‘Broederoorlog’ genoemd. Pruisen won deze oorlog in niet meer dan zeven weken. Hiermee was het lot van Oostenrijk bezegeld en had Pruisen het definitief voor het zeggen.
Frans-Duitse oorlog
In Frankrijk werd de ontwikkeling in het oosten en de groeiende invloed van Pruisen met argusogen bekeken. De positie van Frankrijk als machtigste staat van Europa werd bedreigd. Het zou enkele jaren later leidden tot de Frans-Duitse oorlog van 1870. De Franse keizer Napoleon III leidde hoogst persoonlijk zijn troepen aan in de slag bij Sedan. Het getuigde meer van moed dan van wijsheid want na de verloren slag werd Napoleon III gevangen genomen en was de oorlog al snel in het voordeel van Pruisen beslist. Zelfs Parijs werd belegerd en de stad moest zich in januari 1871 overgeven. De overwinning van de Duitse staten was voornamelijk te danken aan hun samenwerking. Dit werd ook ingezien door diverse ‘onafhankelijke’ Duitse staten en zo kon Bismarck het voor elkaar krijgen dat in datzelfde jaar de 22 prinsen van de Duitse staten bijeenkwamen en hem op 18 januari 1871 in de Spiegelzaal van Versailles Wilhelm I van Pruisen uitriepen tot hun keizer. Wilhelm kreeg de titel ‘Duitse Keizer’ en niet ‘Keizer van Duitsland’. Duitsland was een federatie geworden van verschillende staten geworden waarin Pruisen een leidende maar geen dictatoriale rol speelde. Het door Bismarck gewenste keizerrijk, één Duitsland onder Pruisische leiding, was een feit.
Prijs van eenwording
Het Duitse keizerrijk was vanaf het begin belast met een aantal zware hypotheken. Het was tot stand gekomen dankzij drie oorlogen. De eenwording zou voor altijd verbonden zijn met de Franse nederlaag en de nieuwe grootmacht in Europa was aan alle kanten kwetsbaar. Maar het Duitse keizerrijk was tegelijkertijd in staat om met zijn militaire, politieke en economische macht zijn buren angst en ontzag in te boezemen.
Meer artikelen door Arjan Segers:
|
|
|
|
|
| |