Een middeleeuwse Ilias

acre beleg.jpgIn juli 1191 viel de stad Acre, in het huidige Israel, na een tweejarig beleg weer in de handen van de kruisvaarders. Een verslag van de strijd.

acre beleg.jpgMet de verovering van Jeruzalem en omliggende gebieden door de eerste kruisvaarders, begon in het huidige Syrië , Libanon en Israel aan het einde van de elfde eeuw een westerse aanwezigheid die ongeveer 200 jaar zou duren. Europese edelen en ridders stichtten de zogeheten kruisvaardersstaten in het gebied dat in het westen bekend stond als ‘Outremer’ (de landen overzee). Deze staten – Het Koninkrijk Jeruzalem, Prinsdom Antiochië, het Graafschap Edessa en het Graafschap Tripoli – wisten zich gedurende tientallen jaren goed staande te houden temidden van een verdeelde Arabische wereld. Door de jaren breidden zij zich zelfs uit en versterkten hun legers en fortificaties. Bij tijd en wijle was er een toestroom van nieuwe kruisvaarders – de meeste hiervan deelnemers van relatief kleine bewegingen – die zorgde voor een hernieuwde strijd tegen de aangrenzende landen. Een deel van deze nieuwe stroom gewapende pelgrims bleef uiteindelijk in Outremer om deel uit te gaan maken van de christelijke bevolking aldaar.

De opkomst van Saladin
Echter, langzaam maar zeker trad gedurende de twaalfde eeuw het verval in. De grootste indicatie van de verzwakking van de kruisvaardersstaten ten opzichte van hun buren was de verovering van het graafschap Edessa in 1144 door de troepen van Zengi, de heerser van Aleppo en Mosul. Het verlies van Edessa veroorzaakte veel beroering in het verre Europa, en als directe reactie hierop werd de tweede kruistocht georganiseerd (1147-1149). Deze rampzalige onderneming bracht de christelijke landen van Outremer echter weinig. Ondertussen stonden in de Arabische wereld twee leiders op die de onderling verdeelde en strijdende gebieden van de islam langzaam maar zeker aaneen zouden smeden.

De eerste heerser die na de val van Edessa een serieuze bedreiging vormde voor de christelijke staten van Outremer was Nur-ed-Din. Deze heer van Aleppo en Damascus, twee van de machtigste steden van Syrië, slaagde er aan het einde van de jaren ’60 van de twaalfde eeuw in om ook Egypte aan zijn machtsgebied te voegen. Hiermee werd hij een serieus gevaar voor de westerse aanwezigheid in de landen overzee. Het overlijden van Nur-ed-Din in 1174 gaf de kruisvaardersstaten echter wat respijt: de fragiele eenheid die de heerser gebracht had, viel spoedig na zijn dood uit elkaar. Nur-ed-Din werd echter al snel opgevolgd door Salah-ad-Din, beter bekend als Saladin, die onder zijn voorganger over Egypte had geregeerd. Hij slaagde erin over een periode van 13 jaar een aanzienlijke machtsbasis te vestigen in de Arabische wereld en een groot deel van de moslimwereld aaneen te smeden. In 1187 was zijn macht op zijn hoogtepunt en bond hij de strijd aan met de kruisvaardersstaten. In dit jaar versloeg hij het leger van Jeruzalem verpletterend in de slag bij Hattin. Niet alleen werd een groot deel van het christelijke leger daar vernietigd, maar ook de koning, Guy de Lusignan, werd hier gevangen genomen. Daarna had Saladin vrij spel. Hij veroverde vele steden en kastelen en reduceerde het Koninkrijk Jeruzalem tot een kleine verzameling kuststeden. Jeruzalem zelf viel enkele maanden na het drama van Hattin, tezamen met steden als Nazareth, Jaffa, Acre en Ceasarea. Het was een klap van ongekende proporties.

De derde kruistocht en het beleg van Acre
De schokgolf die na de val van Jeruzalem door de christelijke landen ging, was enorm: In Europa werden vrijwel direct na het nieuws voorbereidingen getroffen voor een derde kruistocht, en in het Heilige Land zelf bereidde men zich voor op een tegenoffensief. Jeruzalem was uiteraard de felbegeerde prijs die aan het einde van de campagne lag, maar de kruisvaarders hadden de middelen niet om de stad rechtstreeks aan te vallen. Bovendien was al het omliggende land in handen van Saladin gevallen, dus de strategische logica schreef voor dat men elders een start zou moeten maken. Acre, een belangrijke stad, en bovendien dicht bij de landen die nog onder christelijk beheer waren, was de logische keuze. In de zomer van 1189 trokken de troepen van de inmiddels vrijgekomen Guy de Lusignan op in de richting van de stad. Saladin vernam al snel van de plannen van de kruisvaarders en haastte zich in de richting van de kust. Daar aangekomen overwoog hij het christelijke leger, dat uit minder dan 9.000 manschappen bestond, aan te vallen, maar hij besloot toch te wachten op versterkingen. Later zou hem dit opbreken, want, eenmaal aangekomen bij Acre, sloeg het leger van Guy zijn kamp op rondom de stad en groef zich in.

Spoedig na het begin van de campagne, kwamen de eerste kruisvaarders uit Europa al aan om zich bij het initiatief van koning Guy aan te sluiten. Zij werden vergezeld door een vloot uit Pisa, die de omliggende wateren trachtte te beheersen. Kort na de eerste aanvallen op de stad werden de belegeraars nog versterkt door een vloot uit Noord-Europa. Deze vloot bracht strijders uit Denemarken, Engeland en zelfs uit verschillende delen van de Lage Landen. Volgens een ooggetuige groeide het christelijke leger dagelijks. Echter, ook Saladin zat niet stil en liet aanzienlijke troepenmachten aanrukken, die aanvallen uitvoerden op het kamp van de kruisvaarders.

Het beleg van Acre sleepte zich zo bijna twee jaar voort. Hoewel het de legers van Saladin niet lukte om de belegeraars uit hun positie te lokken om het kleinere leger in het open veld te kunnen verslaan, slaagden de laatsten er op hun beurt niet in de stad te veroveren. Een van de redenen dat de stad zo succesvol stand wist te houden, was het feit dat, hoewel indrukwekkend, het christelijke leger niet groot genoeg was om de gehele stad hermetisch af te sluiten. De verdedigers wisten daardoor voortdurend voorraden en versterkingen de stad binnen te krijgen. Enkele malen gebeurde het zelfs dat schepen, afkomstig uit Egypte of andere gebieden, zich met geweld toegang tot de haven van Acre verschaften om voorraden aan te leveren. De kruisvaardervloot was vaak niet bij machte hen dit te beletten. Pas tegen het einde van 1189 was de sterkte van de kruisvaarders van dien aard dat men de stad aan alle zijden kon bedreigen en de vloot sterk genoeg was om de schepen van Saladin bij de stad weg te houden. Ook toen echter lukte het de moslims enkele malen om een doorbraak te forceren en de stad te bevoorraden, of zich door middel van een list toegang tot de haven te verschaffen. Aldus werden de verdedigers van Acre enkele malen behoed voor een gedwongen overgave.

Een middeleeuwse Ilias
De voortdurende toestroom van legers en befaamde leiders en strijders, in combinatie met de hevige gevechten en de kleurrijke verslagen die door ooggetuigen werden gemaakt, en die nog altijd aan ons overgeleverd zijn, geven de belegering van Acre een welhaast epische status, in grandeur niet heel ver verwijderd van Homeros’ Ilias. Schermutselingen, intriges, helden, stormaanvallen en zelfs wonderen passeren allen de revue in de verslagen die vertellen over dit eerste hoofdstuk van de derde kruistocht.

Vol enthousiasme maken de schrijvers melding van de aankomst van grote leiders. Een van de eersten die ten tonele verscheen was James van Avesnes, die een grote krijgsmacht aan ridders met zich meebracht naar het beleg en hiermee in praktijk het leiderschap van de expeditie overnam, tezamen met de Markgraaf van Thuringen, Ludwig III. Een bron beschrijft James als een ‘Nestor in raadgeving en een Achilles in de wapenen’. In een later stadium van het beleg was er wederom een verschuiving in het leiderschap, toen Henry van Champagne in de zomer van 1190 arriveerde. Bij zijn aankomst was hij de grootste en machtigste edelman die aan het beleg van Acre deelnam. Tevens was hij verwant aan zowel Richard Leeuwenhart als Philips II August, de koningen van Engeland en Frankrijk. Echter, ook de aankomst van minder bekende edelen en ridders werd bejubeld en uitgebreid besproken.

De individuele krijger speelt bij het beleg van Acre weliswaar niet zo’n grote rol als in de verhalen over de strijd om Troje, maar de heldendaden van belangrijke deelnemers werden wel degelijk belicht. Een voorbeeld is de maarschalk van Frankrijk, Aubrey Clement. Hij slaagde erin zich met behulp van een stormladder toegang te verschaffen tot de stadsmuren, alwaar hij vreselijk huishield onder de verdedigers. De ladder waarover hij was gekomen, brak echter onder het gewicht van de vele manschappen. Verstoken van hulptroepen viel Clement uiteindelijk onder de zwaarden van zijn vijanden, vechtend tot zijn laatste ademtocht.

Ook Geoffrey van Lusignan, de broer van de koning, wordt bij naam genoemd vanwege zijn heldhaftige verrichtingen gedurende de expeditie. Tijdens een van de aanvallen die de kruisvaarders op Acre uitvoerden, trachtte het leger van Saladin het kamp van de belegeraars te overrompelen met een grootscheepse aanval. Geoffrey leidde zijn manschappen in een succesvolle poging deze aanval af te slaan. Hierbij wist hij met zijn bijl meer dan tien vijandelijke strijders te doden en velen gevangen te nemen.

Het bijzondere is echter dat niet alleen helden een plaats krijgen in de verhalen, maar dat ook de bijdrage van het gewone volk bij tijd en wijle in niet mis te verstane woorden verheerlijkt werd. Zo zou er een vrouw geweest zijn die zich, samen met vele anderen, inzette om de greppel rondom Acre te vullen met zand, opdat de stad gemakkelijker veroverd zou kunnen worden. Het noodlot sloeg echter toe en zij werd getroffen door een pijl van de verdedigers. Met haar laatste adem zou ze haar echtgenoot hebben bevolen haar lichaam niet te verplaatsen, maar het in de greppel te laten liggen, zodat het een zou worden met het zand en zo de inname van de stad zou bespoedigen.

De Hand van God
Naast de vele heldendaden van zowel edelen als armen speelde ook de Hand van God een rol in de verslaglegging van het beleg van Acre, zoals dit in de gehele geschiedenis van de kruisvaardersstaten en de gehele christelijke wereld altijd al het geval was geweest. Zoals bij Troje de Griekse goden bij tijd en wijle zouden hebben ingegrepen in de loop der gebeurtenissen, zo maakte God volgens de verslagen niet zelden zijn aanwezigheid bekend door middel van wonderen. Zo zou er een infanterist geweest zijn die werd geraakt door de pijl van een Turkse kruisboog. De pijl doorboorde zijn maliënhemd en andere beschermende kleding. Hij raakte echter niet gewond doordat de pijl bleef steken bij een amulet dat hij om zijn nek had hangen: een stuk perkament met daarop de naam van God.

Een ridder genaamd Ivo de Vipont werd onderweg van Acre naar Tyr belaagd door Turkse piraten. Hoewel hij slechts tien kameraden bij zich had en er minstens 80 piraten waren, sprong Ivo zonder vrees op het dek van het Turkse schip en begon als een razende tekeer te gaan. Zijn vrienden vatten hierdoor moed en volgden Ivo’s voorbeeld. Gezamenlijk joegen zij de piraten over de kling en behaalden een glorieuze overwinning.

Bovenstaande is slechts een kleine greep uit de vele meldingen van onverklaarbare verschijnselen die in de verslagen te vinden zijn. Voor de schrijvers stond het buiten kijf dat deze zaken konden worden verklaard als een direct ingrijpen van God.

De komst van de grote vorsten en de verovering van Acre
Bijna twee jaar lang hielden de kruisvaarders hun belegering van Acre vol, ingeklemd tussen het stadsgarnizoen en troepen van Saladin. Onophoudelijk lieten de belegeraars hun aanvallen neerdalen op de stadsmuren en hun bezetters. Echter, uiteindelijk bleken de vastberadenheid en moed van de aanvallers niet genoeg om de vijand op zijn knieën te krijgen. Beide zijden waren hongerig en moegestreden en ziekten eisten in alle gelederen dagelijks hun tol.

acre2.jpgDe hoop leefde weer op in de rangen van de kruisvaarders toen op een goede dag (20 april 1191) aan de horizon de masten verschenen van een grote vloot uit Europa. Aan het hoofd ervan stond Philips II August, koning van Frankrijk. Philips was bijna een jaar daarvoor vanuit Frankrijk vertrokken en had aanvankelijk samen met Richard Leeuwenhart van Engeland opgemarcheerd totdat beide legers vanuit Genua en Marseille scheep waren gegaan. Met Philips’ komst kreeg de belegering een nieuwe impuls. De kruisvaarders hernieuwden hun aanvallen op de machtige muren van Acre. Het werd al spoedig duidelijk dat de verdedigers danig verzwakt waren. De aanvallen van de kruisvaarders leken steeds meer succes te boeken en het kostte hun vijanden steeds meer moeite om hen terug te slaan. De grootte van het christelijke leger en de vloot had er duidelijk voor gezorgd dat bevoorradingen en verversingen van het garnizoen welhaast onmogelijk waren geworden. Toch bleven de verdedigers standhouden.

Met de uiteindelijke aankomst van Richard Leeuwenhart en zijn troepen op 8 juni 1191 raakten de gebeurtenissen definitief in een stroomversnelling. Richard’s leger was het grootste van de legers die aan het beleg van Acre deel zouden nemen. Het leger van keizer Frederik Barbarossa van het Duitse Rijk was nog groter geweest, maar na diens dood tijdens de reis voltooide slechts een klein deel ervan uiteindelijk de tocht naar de belegerde stad.

Kort na de komst van Richard arriveerde er een vloot uit Genua. Het overwicht op zee was nu definitief verschoven in het voordeel van de kruisvaarders. Het was nu onmogelijk om de stad nog te voorzien van voorraden en hulptroepen. Richard begon na zijn aankomst zo snel mogelijk met het fabriceren van belegeringswerktuigen. Ondertussen was de koning zelf enige tijd ziek. Dat weerhield Philips August er niet van om eind juni een grootscheepse aanval uit te voeren, die de verdedigers verder verzwakte, maar nog steeds niet wist te breken. De oorlogsmachines van de Engelsen waren nu echter ook operationeel en geselden de stadsmuren met onophoudelijke bombardementen. Begin juli mengden de Engelse troepen zich ook in de stormaanvallen op de stad. De situatie van de verdedigers was hopeloos. Gebukt onder de aanhoudende aanvallen van de legers van de machtigste vorsten van Europa en verstoken van voorraden en militaire middelen, gaf het garnizoen zich zonder toestemming van Saladin over. Op 12 juli 1191 marcheerden de kruisvaarders, onder aanvoering van de koningen van Engeland en Frankrijk, Acre binnen.

Interne conflicten
Hoewel de kruisvaarders verenigd waren in hun doel om Acre te veroveren, was er geenszins sprake van een coherente krijgsmacht. Binnen de gelederen van de christenen waren er voortdurende wisselingen van commando, intriges en strijd om eer en glorie. De duidelijkste competitie was die tussen Philips August, in naam de grootste van de aanwezige heersers en in het gezelschap van de machtigste edelen, en Richard, die als vorst minder groot was, maar een natuurlijk leider was en een formidabel soldaat. Richard genoot als strijder het meeste aanzien, en dat zorgde voor onenigheid tussen de vorsten. De strijd tussen de koningen was een belangrijke reden dat Philips August al kort na de inname van Acre het toneel verliet en terugkeerde naar Frankrijk. Evenmin gediend van Richard’s arrogantie en populariteit was de hertog van Oostenrijk, die na de dood van Frederik van Zwaben, de opvolger van keizer Barbarossa, het commando voerde over de Duitse troepen. Zijn vlag werd na de verovering van Acre door Engelse soldaten van de toren getrokken en naar beneden gegooid, omdat zij van mening waren dat deze niet op gelijke hoogte naast de vlag van de koning van Engeland behoorde te wapperen. Het is onduidelijk of Richard zelf het brein was achter deze respectloze actie van zijn soldaten. Prestige en politieke spelletjes waren echter niet alleen voorbehouden aan de twee koningen. Het waren belangrijke factoren gedurende het gehele  beleg van Acre, en de krijgsactiviteiten zelf leden hier niet zelden onder.

Respijt voor het Heilige Land
Het beleg van Acre was het begin van de derde kruistocht. Na de inname van de stad namen de onenigheid onder de aanvoerders en het onderlinge gekonkel danig af door het vertrek van enkele van de grote leiders: Richard Leeuwenhart werd de onbetwiste aanvoerder van de onderneming, hoewel zijn invloed op het Franse leger beperkt bleef door het tegenwicht van invloedrijke Franse edelen als hertog Hugh van Bourgondië. De derde kruistocht zou nog ruim een jaar voortduren. Hoewel er nog vele gevechten en veroveringen zouden volgen was de inname van Acre in zekere zin een Grand Finale aan de startlijn. Dat neemt niet weg dat de verrichtingen van de kruisvaarders tot aan de wapenstilstand in september 1192 geenszins van mindere waarde waren. Hoewel het einddoel Jeruzalem nimmer behaald werd, was de derde kruistocht van grote betekenis voor de christelijke staten in Outremer en droeg er in belangrijke mate toe bij dat deze nog tot ver in de 13e eeuw bleven voortbestaan.

Geef een reactie

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!