Geen mannen maar duivels!

Het boek ‘Geen mannen maar duivels’ verscheen op 27 september en gaat over de Nederlanders die dienst namen in het Franse vreemdelingenlegioen. De auteur Rende van de Kamp schreef uit eigen ervaring, want hij diende zelf zeven jaar in dit Franse legioen. 

Op het achterblad zien we een foto van een jong ogende man, kortom, de auteur is springlevend, en het Franse vreemdelingenlegioen is dat ook. Dat deze legereenheid nog bestaat en functioneert, is waarschijnlijk niet bij iedereen bekend.

geen_mannen_maar_duivels

cover van het boek

Vormgeving en indeling

Het onderwerp spreekt tot de verbeelding. Er doen sterke verhalen over het vreemdelingenlegioen de ronde. Van de Kamp rekent in het eerste hoofdstuk echter gelijk af met deze beeldvorming. De hoofdstukindeling komt -voor de leek- wat warrig over, maar dat mag de pret niet drukken, want het boek is prachtig vormgegeven en zeer rijk geïllustreerd in zwart-wit en kleurenafbeeldingen. Bovendien worden de hoofdstukken afgewisseld met interviews of overleveringen van Nederlandse veteranen die in het Franse vreemdelingenlegioen zaten. Dit geeft het boek een bijna interactief karakter. In de vormgeving is deze indeling op charmante wijze terug te vinden door middel van stippellijntjes; de groene wijzen op het doorlopende verhaal over het Franse vreemdelingenlegioen, waarbij onder de blauwe stippellijn de oudgedienden aan het woord komen.

De hoofdstukken

Voor iemand die niets of nauwelijks iets van militaire historie afweet, laat staan geïnteresseerd is in het Franse vreemdelingenlegioen, is het boek dus wat betreft kleur en illustraties aantrekkelijk. Het verhaal echter is voor de leek helaas wat taaier kost. Dat is jammer, omdat het een spannend onderwerp is. In hoofdstuk twee, drie en vier gaat de auteur in op respectievelijk de geschiedenis, de thuislanden (het zijn er vier; Algerije, Marokko, Indochina en Frankrijk, de laatste noemt hij niet in de hoofdstukindeling), vervolgens komt in het vierde hoofdstuk het verhaal van het vreemdelingenlegioen zelf aan de orde, waar de tradities, die beschreven staan in hoofdstuk drie, beter thuis zouden horen. Hoofdstuk vijf gaat over het leven in het legioen, vanaf de selectie van de rekruten tot en met vreemde vrouwen. Het zesde hoofdstuk gaat over de vele doden die gevallen zijn, en over de deserteurs. Hoofdstuk zeven handelt over het verlies van de nationaliteit voor de legionairs en over fantasieverhalen van nep-legionairs die weer bijdragen aan het verkeerde beeld over het legioen, waar de schrijver in het eerste hoofdstuk zo probeert mee af te rekenen. Het laatste hoofdstuk vertelt ons waar de oud-legionairs mee te maken kregen, wanneer ze de wapenen in de wilgen hadden gehangen om een bestaan als burger op te bouwen.

Inkadering

Voor de historicus is het werk nogal een saaie opsomming van feiten, namen, veldslagen, plaatsen en anekdotes die door elkaar heen lopen en geen samenhang of context bieden. Omdat de schrijver in zijn schrijfstijl de tegenwoordige tijd en de verleden tijd soms door elkaar gebruikt, is het moeilijk te achterhalen wanneer welk feit zich precies afspeelde (dit boek daarom misschien niet geschikt voor historici). Een ander groot gemis is een duidelijke  inkadering in de Franse politiek, (zowel internationaal als nationaal) met betrekking tot het vreemdelingenlegioen en met betrekking tot het franse kolonialisme. Vragen als: ‘Heeft het vreemdelingenlegioen ook oorlogsmisdaden gepleegd?’ ‘Waren de hoogste generaals Fransen of ook vreemdelingen?’, blijven onbeantwoord. Daarnaast zou het handig zijn geweest als er achterin het boek, naast de index, ook een naslagregister was aangelegd, met alle veldslagen chronologisch op en rij, bijvoorbeeld. Maar misschien is dit teveel gevraagd en wilde de schrijver helemaal geen naslagwerk publiceren (waar overigens wel vraag naar zou kunnen zijn).

Saai of spannend?

Saai boek? Moeilijk te zeggen. Wellicht is het een sympathiek Sinterklaasgeschenk voor een veteraan of voor een ingewijde (ex-)legionair. Voor de leek is het verhaal door de vele opsommingen en herhalingen te droog. Ik blader het zware boek nog eens door. Mijn oog valt op een van de vele illustraties in kleur. Ik herken de auteur meteen. Hij glimlacht als een kind in de snoepwinkel. Op zijn schoot zit een exotische schone. Zijn hand omklemt haar linkerborst. De mooie welvingen van haar prachtige lichaam zijn goed te zien. Ze staat, net als de auteur, lachend op de foto; sexy, roodgestifte lippen, roodgelakte lange nagels. Het onderschrift ‘Net als vroeger in Marokko, was ook in Djibouti een groot aanbod van plaatselijk schoon […]’ (bladzijde 209) spreekt boekdelen neemt alle ideeën over het harde en zware bestaan in het Franse vreemdelingenlegioen in een klap weg. Het was er feest! Genieten geblazen! En de legionairs namen het ervan; zowel erop als eronder. En het aanbod was groot, zo blijkt. Het hoofdstuk ‘Vreemde vrouwen’ is misschien wel het leukste deel van het boek. Op deze pagina’s is de droge stof overgoten met een sappig sausje.

Schrijf je in voor TOEN!