|
Geschiedenis nu |
|
Tijdens de Nacht van de Geschiedenis 2007 hield Nelleke Noordervliet een lezing over historisch bewustzijn en nostalgie. De ingekorte versie verscheen in de Volkskrant, hier de volledige versie… Als we met mijn vader langs de vaart reden waaraan zijn geboortehuis had gestaan, kwamen we bij een punt waar het water van de weg af knikte. “Daar was de rolpaal”, zei hij steevast. De bedoeling was dat wij dan vroegen wat een rolpaal was, waarna hij kon uitleggen dat de lange schuiten die naar de groentenveiling werden geboomd de knik konden nemen door te caramboleren tegen een rollende paal in de hoek van de elleboog. Zo herinner ik mij zijn verhaal. Mijn vader vertelde het talloze malen alsof hij ons voor het eerst vergastte op dit stukje lokale geschiedenis. Wij lieten hem dat genoegen. We zagen aan zijn ogen hoe innig hij op dat moment verbonden was met zijn jeugd. De rolpaal was een van de vensters in de canon van mijn vaders leven. Hoewel het idee van de canon is ingeslagen als een bom, is het nog veel te vroeg om te beoordelen of het ontwerp van de canon voor de geschiedenis van ons grondgebied het gewenste effect sorteert, namelijk het kweken van historisch besef te beginnen bij leerlingen van de basisschool. Voorlopig blijkt uit het succes van de blauwe poster dat er heel wat historisch gevoel in de bevolking heeft liggen sluimeren. Canoniseren is een gezelschapsspel. Daar kunnen we ironische grappen over maken, maar ik zou er liever wat verwonderde kanttekeningen bij willen plaatsen. De revival van ‘geschiedenis’ (ja mensen, geschiedenis is weer helemaal terug van weggeweest, geschiedenis is trendy, in, vet cool, desnoods keigaaf!) doet onweerstaanbaar denken aan Lazarus die gehuld in zijn lijkwade uit het graf stapt met het ongeloof om het wonder nog in zijn ogen. Vóór de wederopstanding was het geweeklaag van historici en andere adepten van de geschiedenis niet van de lucht. Hun discipline, respectievelijk hun hobby had aan gezag ingeboet, de verdiensten van de kennis van het verleden voor het heden werden miskend, het volk was bijgevolg een speelbal geworden van onbegrepen bewegingen die het als op een stormwind meevoerden naar globalisering en brusselisering en amerikanisering en islamisering. Politici, gevoelig voor de klacht, zagen opeens de geschiedenis als een reddingsboei omhoogsteken in de zee van zwevende kiezers en klampten zich eraan vast. Veel maatschappelijke en politieke problemen werden teruggevoerd op het ontbreken van historisch besef en van een stevig gewortelde identiteit. En dus zou het herstel van wat verloren ging het begin van een oplossing voor de maatschappelijke en politieke problemen betekenen. De canoncommissie, op die golf omhooggetild, betoogde dat de canon voor de Nederlandse geschiedenis die zij zou ontwerpen los stond van het ‘moeilijke, ja zelfs gevaarlijke begrip’ als een nationale identiteit. Liever moest de canon worden gezien als een onderdeel van de collectieve herinnering. Zoek de zeven verschillen, zou ik zeggen. In de praktijk is het moeilijk en ook onwenselijk de canon van de geschiedenis van ons grondgebied helemaal schoon te boenen van noties als natievorming, staatsvorming, nationale symbolen, trots, eigenheid, het typisch Nederlandse. Het door velen verguisde identiteitsbegrip sluipt via de achter- of de voordeur elk debat over de maatschappelijke en politieke problemen binnen. Je kunt ontkennen dat het er is, maar hoe harder je het ontkent hoe sterker het tevoorschijn springt. De laatste poging om de Nederlanders een identiteit te ontzeggen werd door de WRR en door prinses Maxima ondernomen. Ze hebben het geweten. Autochtoon Nederland klom in de pen. Historici niet uitgezonderd. Het ontlokte de kroonprins de onvergetelijke, beteuterde uitspraak: ‘dat je zo je best doet en dat er dan zo’n discussie van komt.’ We zullen voortaan iedereen die zijn best doet uit de wind houden. In het WRR-rapport wordt de problematiek van allochtonen en met name moslims in ons land opgelost door van iedereen een allochtoon te maken. Het begrip ‘nationale identiteit’ zou historisch bezien fluctuerend, veel-lagig, opportunistisch, vaag, van bovenaf opgelegd, en au fond non-existent zijn. Uit dit eenzijdige beroep op de geschiedenis blijkt maar weer eens hoe geduldig de muze is. Hoeveel zij toelaat. Geschiedenis is een hoer. Wij zijn allen haar pooiers. Als de maatschappelijke problematiek voortkomt uit angst voor het verlies van ‘onze eigen Nederlandse identiteit’ dan lossen we de kwestie niet op door het bestaan van een identiteit of een verlangen daarnaar taboe te verklaren. In feite ondergraaft de WRR daarmee het belang van de canon voor de geschiedenis van ons grondgebied en het belang van historisch besef. Komt de hernieuwde belangstelling voor geschiedenis inderdaad voort uit angst voor verlies van de eigen identiteit? Wordt daarom ‘Europa’ gedwarsboomd en gevreesd? Hebben we daarom zo’n ambivalente houding ten opzichte van allochtonen? Die verklaring heeft de verdienste van oppervlakkigheid. Het ligt allemaal iets gecompliceerder. Was er daadwerkelijk sprake van een teloorgang van het collectieve historische besef ? Hoe zag dat besef er vroeger dan uit? Toegegeven: het vak geschiedenis moest inleveren, maar was daarin niet het enige. De veranderingen in het onderwijs deden zich voelen op een breed terrein. De aloude humaniora liepen in het oog van techneuten hopeloos achter. Het was dood gewicht. Het kon wel een pondje minder. De geesteswetenschappen hielden met hun tijdrovende opbouw van kennis en eruditie de voortjagende ontwikkelingen tegen, voegden niets toe, hadden geen nut, gaven geen meetbaar return on investment. Er gaapte een kloof tussen de leeftijdloze beige mannen gebogen over de leggers uit het archief en de gretige jonge overname-juristes in powerpakjes met een carrièreplanning al even strak als hun figuur. De blik op de geschiedenis van ons grondgebied werd in de na-oorlogse decennia sterk gekleurd door een doorwerken en verwerken van de meest recente geschiedenis van oorlog en bezetting. Enerzijds werd de bezetting verdragen dankzij een innerlijk besef van de eigenheid, de nationale Nederlandse identiteit. Anderzijds werd nationalisme als zodanig afgekeurd juist vanwege de rampzalige gevolgen die het in zijn militaristische en agressieve variant had gehad voor heel Europa. Enerzijds werd de nationale trots gevoed door het bezit van onze sinds de zeventiende eeuw veroverde koloniën, anderzijds moesten we erkennen dat het verzet van de Indonesiërs tegen het Nederlandse koloniale bestuur tot op grote hoogte net zo gerechtvaardigd was als ons verzet tegen de Duitse bezetter. Er is geen Europees land dat niet op de een of andere manier worstelde met de erfenis van kolonialisme, imperialisme en totalitarisme, een erfenis met diepe wortels in de negentiende eeuw en daarvoor. Het historische besef was een ongemakkelijk besef. Het negentiende eeuwse positivistische beeld van de geschiedenis moest worden vervangen door een twintigste eeuws pessimistisch beeld van de geschiedenis. En voor we het wisten was dat twintigste eeuwse beeld alweer aan vervanging toe. Historisch besef is als een paradigma in de wetenschappen: het is gebonden aan een periode en verliest gaandeweg zijn elasticiteit en betekenis. Met het na-oorlogse, twintigste eeuwse historische besef konden de nieuwste maatschappelijke problemen en ontwikkelingen niet meer worden verklaard. Hoe moesten we het veranderde heden voorzien van zinvolle ankers in het verleden? En hoe verbonden we die ankers aan het Nederlanderschap dat verwaterde in een gezamenlijk Europa en een toestroom aan mensen van buiten. De behoefte aan een nieuw paradigma, een nieuwe manier om met het verleden om te gaan, wordt nu ten dele en zeer voorlopig verwezenlijkt in de canon. Maar hoe gaan we met de canon om? De oorsprong van het woord ligt aan het eind van de zeventiende eeuw. Johannes Hofer, een Zwitserse arts, omschreef het verlangen van huursoldaten naar huis en haard met het aan het Grieks ontleende neologisme ‘nostalgie’, een ziekte van de ziel. Die nam soms epidemische vormen aan, zeker als het leger waarin de zwitsers dienden weinig succesvol was. Je bent niet waar je wilt zijn. Je bent afgesneden van al wat je dierbaar is.. Misschien keer je nooit meer terug naar je vaderland. Je wordt ziek van verlangen naar wat onbereikbaar achter je ligt. Het verlangen naar het verleden is zo sterk dat het heden vervaagt en onleefbaar wordt. Elke handeling is erop gericht het beeld van het verleden te versterken. Het leven komt tot stilstand. In het versterken van het historische besef moet het accent liggen op verbondenheid met het verleden, niet op de angst gescheiden te raken. Het versterken van het historisch besef moet het handelen in het heden niet belemmeren, maar juist verdiepen en verrijken. Dat lijkt een evidentie, maar is het niet. Behalve voor de blauwe poster met de staties van het verleden zal de aandacht voor de geschiedenis voornamelijk moeten worden bewerkstelligd in het aanbrengen van een houding van verbondenheid, niet van angst. Frank Ankersmit bespreekt in ‘De sublieme historische ervaring’ de notie van de ‘dual revolution’ zoals ontwikkeld door Hobsbawn. Het samenvallen van de Franse Revolutie met de industriële revolutie veranderde het aanzien van de wereld in korte tijd onherkenbaar. De vertrouwde instrumenten om het leven te analyseren werkten niet meer. Het gebied tussen heden en verleden deed zich opeens voor als een gebergte vol breuklijnen en kloven. Weg was het glooiend landschap met de brede, trage wegen van vroeger naar nu. Van het begin af aan kleefde de historische roman het lichte verwijt van nostalgie aan: het heden is onleefbaar en onbegrijpelijk, we keren terug naar het verleden als naar een betere plaats. Maar dat verwijt is onterecht als we beseffen hoe diep de kloof was. Meer dan in de geschiedwetenschap konden in de historische roman aan het verlangen naar verbinding beelden worden gekoppeld en op grote schaal verspreid. Het verleden herleefde, het heden kreeg zijn coördinaten. De kloof werd overbrugd. In een tijd waarin het contact met het verleden door grote veranderingen in het heden verloren dreigt te gaan, is de neiging tot nostalgie groot. Zoals uit Tony Judt’s woorden blijkt is nostalgie een kwestie van psychologie: de onmogelijkheid in het heden te leven. Angst. Om in de omgang met de geschiedenis het gevaar van nostalgie te vermijden is het dus raadzaam – paradoxaal genoeg – het heden te aanvaarden, het hier en nu als de plaats van ons handelen te zien, in de rug gesteund door onze kennis van de geschiedenis en gericht op de toekomst. http://www.nachtvandegeschiedenis.nl/
|
|
|
|
|
| |