Donderdag 17 mei 2012
Histocasa | Contact | Colofon
Geschiedenis nu  

Tijdens de Nacht van de Geschiedenis 2007 hield Nelleke Noordervliet een lezing over historisch bewustzijn en nostalgie. De ingekorte versie verscheen in de Volkskrant, hier de volledige versie…  

Als we met mijn vader langs de vaart reden waaraan zijn geboortehuis had gestaan, kwamen we bij een punt waar het water van de weg af knikte. “Daar was de rolpaal”, zei hij steevast. De bedoeling was dat wij dan vroegen wat een rolpaal was, waarna hij kon uitleggen dat de lange schuiten die naar de groentenveiling werden geboomd de knik konden nemen door te caramboleren tegen een rollende paal in de hoek van de elleboog. Zo herinner ik mij zijn verhaal. Mijn vader vertelde het talloze malen alsof hij ons voor het eerst vergastte op dit stukje lokale geschiedenis. Wij lieten hem dat genoegen. We zagen aan zijn ogen hoe innig hij op dat moment verbonden was met zijn jeugd. De rolpaal was een van de vensters in de canon van mijn vaders leven.

 Hoewel het idee van de canon is ingeslagen als een bom, is het nog veel te vroeg om te beoordelen of het ontwerp van de canon voor de geschiedenis van ons grondgebied het gewenste effect sorteert, namelijk het kweken van historisch besef te beginnen bij leerlingen van de basisschool. Voorlopig blijkt uit het succes van de blauwe poster dat er heel wat historisch gevoel in de bevolking heeft liggen sluimeren. Canoniseren is een gezelschapsspel. Daar kunnen we ironische grappen over maken, maar ik zou er liever wat verwonderde kanttekeningen bij willen plaatsen.

De revival van ‘geschiedenis’ (ja mensen, geschiedenis is weer helemaal terug van weggeweest, geschiedenis is trendy, in, vet cool, desnoods keigaaf!) doet onweerstaanbaar denken aan Lazarus die gehuld in zijn lijkwade uit het graf stapt met het ongeloof om het wonder nog in zijn ogen. Vóór de wederopstanding was het geweeklaag van historici en andere adepten van de geschiedenis niet van de lucht. Hun discipline, respectievelijk hun hobby had aan gezag ingeboet, de verdiensten van de kennis van het verleden voor het heden werden miskend, het volk was bijgevolg een speelbal geworden van onbegrepen bewegingen die het als op een stormwind meevoerden naar globalisering en brusselisering en amerikanisering en islamisering. Politici, gevoelig voor de klacht, zagen opeens de geschiedenis als een reddingsboei omhoogsteken in de zee van zwevende kiezers en klampten zich eraan vast. Veel maatschappelijke en politieke problemen werden teruggevoerd op het ontbreken van historisch besef en van een stevig gewortelde identiteit. En dus zou het herstel van wat verloren ging het begin van een oplossing voor de maatschappelijke en politieke problemen betekenen.

 De canoncommissie, op die golf omhooggetild, betoogde dat de canon voor de Nederlandse geschiedenis die zij zou ontwerpen los stond van het ‘moeilijke, ja zelfs gevaarlijke begrip’ als een nationale identiteit. Liever moest de canon worden gezien als een onderdeel van de collectieve herinnering. Zoek de zeven verschillen, zou ik zeggen. In de praktijk is het moeilijk en ook onwenselijk de canon van de geschiedenis van ons grondgebied helemaal schoon te boenen van noties als natievorming, staatsvorming, nationale symbolen, trots, eigenheid, het typisch Nederlandse. Het door velen verguisde identiteitsbegrip sluipt via de achter- of de voordeur elk debat over de maatschappelijke en politieke problemen binnen. Je kunt ontkennen dat het er is, maar hoe harder je het ontkent hoe sterker het tevoorschijn springt.

De laatste poging om de Nederlanders een identiteit te ontzeggen werd door de WRR en door prinses Maxima ondernomen. Ze hebben het geweten. Autochtoon Nederland klom in de pen. Historici niet uitgezonderd. Het ontlokte de kroonprins de onvergetelijke, beteuterde uitspraak: ‘dat je zo je best doet en dat er dan zo’n discussie van komt.’ We zullen voortaan iedereen die zijn best doet uit de wind houden. In het WRR-rapport wordt de problematiek van allochtonen en met name moslims in ons land opgelost door van iedereen een allochtoon te maken. Het begrip ‘nationale identiteit’ zou historisch bezien fluctuerend, veel-lagig, opportunistisch, vaag, van bovenaf opgelegd, en au fond non-existent zijn. Uit dit eenzijdige beroep op de geschiedenis blijkt maar weer eens hoe geduldig de muze is. Hoeveel zij toelaat. Geschiedenis is een hoer. Wij zijn allen haar pooiers.

Als de maatschappelijke problematiek voortkomt uit angst voor het verlies van ‘onze eigen Nederlandse identiteit’ dan lossen we de kwestie niet op door het bestaan van een identiteit of een verlangen daarnaar taboe te verklaren. In feite ondergraaft de WRR daarmee het belang van de canon voor de geschiedenis van ons grondgebied en het belang van historisch besef.

Komt de hernieuwde belangstelling voor geschiedenis inderdaad voort uit angst voor verlies van de eigen identiteit? Wordt daarom ‘Europa’ gedwarsboomd en gevreesd? Hebben we daarom zo’n ambivalente houding ten opzichte van allochtonen? Die verklaring heeft de verdienste van oppervlakkigheid. Het ligt allemaal iets gecompliceerder.

Was er daadwerkelijk sprake van een teloorgang van het collectieve historische besef ? Hoe zag dat besef er vroeger dan uit? Toegegeven: het vak geschiedenis moest inleveren, maar was daarin niet het enige. De veranderingen in het onderwijs deden zich voelen op een breed terrein. De aloude humaniora liepen in het oog van techneuten hopeloos achter. Het was dood gewicht. Het kon wel een pondje minder. De geesteswetenschappen hielden met hun tijdrovende opbouw van kennis en eruditie de voortjagende ontwikkelingen tegen, voegden niets toe, hadden geen nut, gaven geen meetbaar return on investment. Er gaapte een kloof tussen de leeftijdloze beige mannen gebogen over de leggers uit het archief en de gretige jonge overname-juristes in powerpakjes met een carrièreplanning al even strak als hun figuur.
De onderwijshervormingen waren op zichzelf geen pesterij van de alfavakken maar in de grond een machteloos antwoord op grote maatschappelijke en technische omwentelingen, waarvan de reikwijdte ons in menig opzicht nog altijd ontgaat. Ze waren de reactie van een blinde slingeraar op een raketaanval. Analoog daaraan lijkt het mij evenzeer mogelijk dat het historische besef dat er was niet zozeer teloorging maar simpelweg niet meer voldeed aan de eisen van de tijd. Om het populair te zeggen: ‘we konden er niets meer mee’.   

De blik op de geschiedenis van ons grondgebied werd in de na-oorlogse decennia sterk gekleurd door een doorwerken en verwerken van de meest recente geschiedenis van oorlog en bezetting. Enerzijds werd de bezetting verdragen dankzij een innerlijk besef van de eigenheid, de nationale Nederlandse identiteit. Anderzijds werd nationalisme als zodanig afgekeurd juist vanwege de rampzalige gevolgen die het in zijn militaristische en agressieve variant had gehad voor heel Europa. Enerzijds werd de nationale trots gevoed door het bezit van onze sinds de zeventiende eeuw veroverde koloniën, anderzijds moesten we erkennen dat het verzet van de Indonesiërs tegen het Nederlandse koloniale bestuur tot op grote hoogte net zo gerechtvaardigd was als ons verzet tegen de Duitse bezetter. Er is geen Europees land dat niet op de een of andere manier worstelde met de erfenis van kolonialisme, imperialisme en totalitarisme, een erfenis met diepe wortels in de negentiende eeuw en daarvoor. Het historische besef was een ongemakkelijk besef. Het negentiende eeuwse positivistische beeld van de geschiedenis moest worden vervangen door een twintigste eeuws pessimistisch beeld van de geschiedenis. En voor we het wisten was dat twintigste eeuwse beeld alweer aan vervanging toe.

Historisch besef is als een paradigma in de wetenschappen: het is gebonden aan een periode en verliest gaandeweg zijn elasticiteit en betekenis. Met het na-oorlogse, twintigste eeuwse historische besef konden de nieuwste maatschappelijke problemen en ontwikkelingen niet meer worden verklaard. Hoe moesten we het veranderde heden voorzien van zinvolle ankers in het verleden? En hoe verbonden we die ankers aan het Nederlanderschap dat verwaterde in een gezamenlijk Europa en een toestroom aan mensen van buiten. De behoefte aan een nieuw paradigma, een nieuwe manier om met het verleden om te gaan, wordt nu ten dele en zeer voorlopig verwezenlijkt in de canon. Maar hoe gaan we met de canon om?
 
Tony Judt opperde in ‘Postwar’ de mogelijkheid dat de belangstelling voor het verleden voor een deel nostalgie is, nostalgie als angst: belangstelling voor het verleden niet omdat men zich ermee verbonden voelt maar omdat men bang is ervan gescheiden te raken. Het onderscheid is essentieel. Nostalgie is meer dan het verzamelen van vergeelde ansichtkaarten of het demonstreren van oude ambachten op braderieën. Nostalgie tekent niet alleen een houding ten opzichte van het verleden, maar vooral een houding ten opzichte van het heden, het hier en nu. Ze tekent een houding ten opzichte van de eigen identiteit.

De oorsprong van het woord ligt aan het eind van de zeventiende eeuw. Johannes Hofer, een Zwitserse arts, omschreef het verlangen van huursoldaten naar huis en haard met het aan het Grieks ontleende neologisme ‘nostalgie’, een ziekte van de ziel. Die nam soms epidemische vormen aan, zeker als het leger waarin de zwitsers dienden weinig succesvol was. Je bent niet waar je wilt zijn. Je bent afgesneden van al wat je dierbaar is.. Misschien keer je nooit meer terug naar je vaderland. Je wordt ziek van verlangen naar wat onbereikbaar achter je ligt. Het verlangen naar het verleden is zo sterk dat het heden vervaagt en onleefbaar wordt. Elke handeling is erop gericht het beeld van het verleden te versterken. Het leven komt tot stilstand.  
Terug naar de rolpaal van mijn vader. Rijdend in de auto van het heden langs de vaart waar hij zijn jeugd had doorgebracht, herleefde hij een kort ogenblik met warmte die jeugd en vertelde hij ons erover, steeds weer, en dan, de rolpaal eenmaal voorbij, gingen we verder naar later.  Hij was niet gescheiden van zijn jeugd. Die was deel van hem en hij vertelde erover en leefde verder naar zijn toekomst. De lijn brak niet.

In het versterken van het historische besef moet het accent liggen op verbondenheid met het verleden, niet op de angst gescheiden te raken. Het versterken van het historisch besef moet het handelen in het heden niet belemmeren, maar juist verdiepen en verrijken. Dat lijkt een evidentie, maar is het niet. Behalve voor de blauwe poster met de staties van het verleden zal de aandacht voor de geschiedenis voornamelijk moeten worden bewerkstelligd in het aanbrengen van een houding van verbondenheid, niet van angst. 
Menig criticus van de canon wees op het exclusief Nederlandse uitgangspunt. Daardoor zou de geschiedenis tezeer worden beperkt tot het eng-nationale en de ontwikkelingen in Europa en de wereld totaal buiten beschouwing laten Bovendien: hoe zouden de nieuwkomers zich tot die kaaskoppengeschiedenis kunnen verhouden? Die kritiek zou een terechte vrees herbergen, indien de houding waarmee de canon wordt gedoceerd een houding van nostalgie is: als wij niet snel deze verhalen uit de oude doos van de glorieuze vaderlandse geschiedenis uit het hoofd leren raken we voorgoed gescheiden en afgesneden van onze wortels en onze identiteit en gaan we restloos op in de grote, boze wereld en hebben we geen thuis meer. Zijn we niemand meer. Staat het leven stil. Die houding sluit anderen uit. Die houding slaat het verleden dood.  De betere houding is het erfgoed, hoewel Nederlands van karakter, niet als het exclusieve bezit van de Nederlanders te beschouwen, zomin als we het erfgoed van anderen als hun exclusieve bezit behoeven te beschouwen. Vestig ik mij in Engeland, Argentinië of India, ik zal met belangstelling kennis nemen van de geschiedenis van die landen en mij voegen in het jongste hoofdstuk. Dat geldt voor Nederlanders maar ook voor nieuwkomers. Het land dat hen heeft opgenomen heeft een geschiedenis en die staat voor hen open.
Nostalgie is een begrijpelijke emotie voor iedereen die zich slachtoffer voelt van het grote anonieme raderwerk van de macht, en wie voelt zich niet soms machteloos of bedreigd in het verwarrende heden, vanwaaruit de een vlucht naar het verleden en de ander vlucht naar de toekomst, maar de beweging is altijd weg, weg van het hier en nu. En naarmate het heden verwarrender is, is de beweging naar de toekomst of naar het verleden onweerstaanbaarder.

Frank Ankersmit bespreekt in ‘De sublieme historische ervaring’ de notie van de ‘dual revolution’ zoals ontwikkeld door Hobsbawn. Het samenvallen van de Franse Revolutie met de industriële revolutie veranderde het aanzien van de wereld in korte tijd onherkenbaar. De vertrouwde instrumenten om het leven te analyseren werkten niet meer. Het gebied tussen heden en verleden deed zich opeens voor als een gebergte vol breuklijnen en kloven. Weg was het glooiend landschap met de brede, trage wegen van vroeger naar nu.
De nieuwe historici van de negentiende eeuw, één been in het al versteende verleden, één been in de moderne tijd, probeerden de breuk te herstellen, in ieder geval te verklaren, de verbinding aan te brengen. Naast een nieuwe vorm van geschiedbeoefening, ontstond de nieuwe historische roman. Die interessante kant van de zaak noemt Ankersmit niet. Walter Scott schreef zijn romans met uitvoerige historische details over een periode die nog niet zo ver in het verleden lag, alsof niemand meer wist hoe het leven er toen uit zag en welke waarden golden.

Van het begin af aan kleefde de historische roman het lichte verwijt van nostalgie aan: het heden is onleefbaar en onbegrijpelijk, we keren terug naar het verleden als naar een betere plaats. Maar dat verwijt is onterecht als we beseffen hoe diep de kloof was. Meer dan in de geschiedwetenschap konden in de historische roman aan het verlangen naar verbinding beelden worden gekoppeld en op grote schaal verspreid. Het verleden herleefde, het heden kreeg zijn coördinaten. De kloof werd overbrugd.
Er zijn meer dergelijke breuken te zien in het verleden, perioden van versnellende veranderingen met navenante schoksgewijs veranderende visies op de maatschappij en de tijd. Het is mogelijk dat een nieuwe ‘dual revolution’ onze verwarring over heden en verleden in onze tijd bepaalt. Het nabije verleden lijkt ver. Te ver. En misschien is er wel sprake van een ‘triple revolution’, een politieke, een sociale en een technologische. Het eind van de grote verhalen, het eind van de ‘systemen’, het eind van de supermachten en de balance of powers, het eind ook van de overtuigingskracht van de democratie, de veranderende verhouding tussen mannen en vrouwen door de beheersing van de vruchtbaarheid, samen met de IT-revolutie, die nieuwe gemeenschappen schept en oude grenzen uitwist, die schokkende omwentelingen hebben een barrire opgeworpen tussen het leven nu en het leven toen, die van het leven toen, het leven van gisteren,  een bijna onbereikbaar en onbekend verleden maakt, een object van historisch onderzoek. Voor sommigen het land waarnaar ze nostalgisch verlangen. De herleving van de belangstelling voor de historische roman, waarvan ik met dankbaarheid de vruchten pluk, heeft met die situatie te maken. We moeten verhalen vertellen om ons verbonden te voelen.

In een tijd waarin het contact met het verleden door grote veranderingen in het heden verloren dreigt te gaan, is de neiging tot nostalgie groot. Zoals uit Tony Judt’s woorden blijkt is nostalgie een kwestie van psychologie: de onmogelijkheid in het heden te leven. Angst. Om in de omgang met de geschiedenis het gevaar van nostalgie te vermijden is het dus raadzaam – paradoxaal genoeg –  het heden te aanvaarden, het hier en nu als de plaats van ons handelen te zien, in de rug gesteund door onze kennis van de geschiedenis en gericht op de toekomst. 

http://www.nachtvandegeschiedenis.nl/
http://www.nellekenoordervliet.nl/index.php

Bookmark and Share
Meer artikelen door Redactie Historiën: