|
Het spookmeer Beulakerwiede |
|
In de buurt van Vollenhove spookt het. Soms hoor je de klokken in het water luiden, zo zegt de legende. Zijn hier watergeesten aan het werk? De ware historicus weet, wanneer een dergelijke legende de ronde doet, de oude kaarten uit de kast gehaald moeten worden. Waar spookt het en sinds wanneer? Klokgelui dus. Boven Vollenhove in het meertje Beulakerwiede. Ja. Ja. Op oude kaarten ligt daar helemaal geen meertje en in oude archieven staat geregistreerd dat er mensen woonden. En nu is het het grootste meer van de Kop van Overijssel. Wat is hier gebeurd? Niet altijd water Het grootste meer van de Kop van Overijssel, bij het oude stadje Vollenhove, is tegenwoordig een watersportgebied rondom Balkbrug. In de veertiende eeuw woonden hier mensen en liep er een kerkweg van Vollenhove naar Beulaker of Boedelaecke, zo heette het dorpje waar nu het grote meer ligt. De mensen uit Beulaker hadden geen eigen kerk. In de twaalfde eeuw wandelden de Boedelaeckers iedere zondag braaf naar Vollenhove voor hun zieleheil. Veel zullen het er niet geweest zijn. De naam Boedelaecke, Beulaker stamt waarschijnlijk ook uit deze tijd, een bodel of boele is Oudnederlands voor veehut. Veehutten op een rij, aan het water, zoiets. De Kop van Overijssel bestond alleen uit moerassen en venen. Beulaker lag aan de rand van dit onbegaanbare gebied. Voorzichtig Vanaf de tiende eeuw werd hier voorzichtig begonnen met het ontginnen van het moeras en met het kappen van het oerbos. Veen bleef achter en in de veertiende eeuw begon men met het afgraven ervan. De turf was goede brandstof, hoofdzakelijk voor eigen gebruik. De afgraving was kleinschalig, want een paar huizen en wat schuren, meer was Beulaker niet. De mensen konden voor hun boodschappen in Vollenhove terecht, waar ze op kleine schaal ook hun afgegraven turf verkochten, voor de lokale en regionale markt. Die turf bleek al snel een goudmijn, want brandstof was schaars. Het verbruik van deze bruine brandstof neemt langzaam maar gestaag toe. Brandende vraag om brandstof Vanaf de vijftiende eeuw nam de vraag grote vormen aan, vooral vanuit het westen. De grootste afnemers waren de steden Amsterdam en Rotterdam. Het grootschalige afgraven begon, zonder een vastomlijnd plan. De inwoners begonnen in het wilde weg, vanuit -kort gezegd- hun achtertuin veen af te graven. Het veen, verwerkt tot turf werd afgevoerd via de kanalen in het dorp. Een ervan was de Arembergergracht. Via de havens van Blokzijl en Zwartsluis werd de brandstof verscheept naar Amsterdam. Hoe ging dat in zijn werk, die turfwinning? Het veen werd afgegraven in blokken. Stuk voor stuk werden de afgegraven balen te drogen gelegd op een strook land, de legakker of rib. Op de plek van het afgegraven veen bleef water achter, een petgat. Na een paar decennia zag het landschap er totaal anders uit: brede sloten en lange stroken land wisselden elkaar om en om af. Door de stromingen in het water, en omdat de legakkers ook beetje bij beetje werden afgegraven, werden de stroken land steeds smaller. Van de meeste ribben, weggeslagen door golfslag, bleef op een gegeven moment niets meer over dan een grote plas water. De meeste meren in Nederland zijn op deze wijze ontstaan. Groei van de plas en van het dorp Het meer bij het dorp werd groter en groter, maar niemand bekommerde zich er om. Want het ging goed met de turfhandel en de opbrengst was belangrijk, want er moest brood op de plank, ook in Beulaker. Dit dorp was inmiddels uitgegroeid tot een nederzetting van 45 woningen, ongeveer 250 inwoners, het is dan 1650. Voor die tijd en voor Overijsselse begrippen een redelijk dorp. In 1665 kreeg het dorp een eigen kapel, met een hoge toren en een mooie klok. De inwoners hoefden niet meer iedere zondag helemaal naar Vollenhove te wandelen, maar konden voor de dienst in hun eigen dorp terecht. De veengravers bleven graven, de legakkers werden steeds smaller en spoelden steeds vaker weg. Uiteindelijk werd dit hun ondergang. Wind en water Wind en water waren de grootste vijanden voor de dorpelingen. Wanneer het veen was weggegraven, lieten de verveners de legakkers ongemoeid. Steeds meer ribben werden overspoeld en vormden grote plassen. Het water begon ook de vaste grond weg te spoelen. Nu werd het menens. In de zeventiende eeuw had door een storm, het water hele dorp afgesloten. Meestal was ‘s winters het hele dorp vaak geïsoleerd van de buitenwereld. Een normaal leven, met droge voeten, was eigenlijk niet meer mogelijk. Mensen begonnen weg te trekken. In Beulaker was het eigenlijk niet meer veilig. In de herfst van 1775 waaide het weer eens stormachtig. In de nacht van 14 op 15 november brak de Zuiderdijk bij Vollenhove door. De vloedgolf die volgde bereikte met een grote klap Beulaker. Het dorp werd verzwolgen. Het water was nog niet gezakt of er volgde een tweede storm, een week later. Weer brak er een dijk. De laatste inwoners vluchtten in paniek naar het kerkje. Pas na anderhalve dag kwamen er reddingssloepen en werden de slachtoffers van de ramp naar Vollenhove gebracht. Volgens de overleveringen bleven twee huizen en de kerk redelijk onbeschadigd. De rest van het dorp werd verwoest door het water. De inwoners zijn nooit meer teruggegaan, alleen om het interieur van de kerk leeg te halen. Een deel van het dak is hergebruikt voor een boerderij verderop. Het klokje waren ze vergeten mee te nemen en klinkt nu soms nog, volgens sommigen. Als je goed keek kon je vanuit Vollenhove de toren boven het water van de Beulakerwiede uit zien steken. Na een vloedgolf in 1876 kwam het hele kerkje onder water te staan en werd ook het laatste baken van Beulaker (de kerktoren met klok) weggevaagd. Onderwaterspoken laten zich echter niet kennen en luiden soms nog de klok. Goed luisteren dan maar voor een spoor van Beulaker. Meer artikelen door Ester Smit:
|
|
|
|
|
| |