Het rode gevaar

Niet alleen joodse maar ook politieke vluchtelingen stromen Nederland binnen na de machtsovername door Hitler in Duitsland. De communisten onder hen worden in Nederland niet bepaald met gejuich begroet. 

Inleiding

In 1933 komen de nazi’s onder leiding van Adolf Hitler in Duitsland  aan de macht. Vooral   joden en aanhangers van links politieke bewegingen zijn in Duitsland hun leven niet meer zeker. Ze worden door dit bewind gezien als een groot gevaar voor het Duitse volk. Veel joden en communisten vluchten het land uit. De communistische vluchtelingen vluchten niet alleen voor het behoud van eigen leven, maar ook om vanuit het buitenland het fascisme in Duitsland te bestrijden.

joodse_vluchtelingen

Joodse vluchtelingen in Amsterdam, in de jaren ’30. bron: NIOD

In dit artikel wordt beschreven waarom de communisten in nazi Duitsland zo gehaat zijn en waarom de Duitse communistische vluchtelingen in Nederland als een gevaar voor de  staatsveiligheid worden gezien. Hoe reageren de Nederlandse overheid en de Nederlandse samenleving op de komst van deze vluchtelingen? Ontstaat er na de inval van de Duitsers op 10 mei 1945 een gemeenschappelijke strijd tegen de fascistische bezetter of is het ieder voor zich? Deze vragen worden hier nader uitgewerkt

 1. Waarom vluchten communisten uit Duitsland?

Van de links georiënteerde stromingen in Duitsland werden de communisten door de nazi’s  als de gevaarlijkste politieke vijand gezien.

Na de Eerste Wereldoorlog in 1918 ontstonden er in Duitsland verschillende politieke partijen die elkaar, soms met gewelddadige middelen, bestreden. Tot die partijen behoorde de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD).  Deze partij richtte zich naar het voorbeeld van de Kommunistische Internationale (Komintern) in Moskou op  omverwerping van de bestaande kapitalistische orde. Het proletariaat zou de macht moeten krijgen.

De idealen van deze grensoverschrijdende communistische beweging stonden haaks op de doelstellingen van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterspartei (NSDAP) onder leiding van Adolf Hitler. De NSDAP streefde naar eenheid en verheffing van het Duitse Arische volk. Begrippen als krijgshaftigheid, trouw en gehoorzaamheid aan één leider stonden hierbij centraal.

Na de machtsovername door Hitler werd de jacht geopend op de Duitse communisten. Gesterkt door de gedachte dat  het communistische bolsjewisme deel uitmaakte van een joodse samenzwering tegen de Duitse cultuur, werd de KPD verboden. Meer dan de helft van haar partijleiders werd gevangen genomen of vermoord.

 De weg naar de concentratiekampen

In verschillende Duitse steden kregen gevangenissen de bestemming van Konzentrationslager voor politieke tegenstanders van het nazibewind. Zo ook bijvoorbeeld een voormalige vrouwengevangenis in Kleve – een Duitse stad dicht bij de Nederlandse

–  met een capaciteit van 90 gevangenen. Na de transformatie van gevangenis naar Lager werden 400 tot 500 man daarin ondergebracht. Dagelijks vonden martelingen plaats, soms met dodelijke afloop.

De huisvesting in bestaande gevangenissen bleek al snel onvoldoende voor het toenemend aantal gearresteerde politieke vijanden. In het Duitse grensgebied ter hoogte van Groningen en Drenthe zetten vanaf 1933 politieke gevangen de spade in het veen voor de bouw van vijftien gevangenkampen, later bekend als de Emslandkampen. Tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog verbleven daar politieke- , straf- en krijgsgevangenen onder erbarmelijke omstandigheden. Zij noemden zichzelf de ‘Moorsoldaten.’

Talloze Duitse communisten vluchtten naar het buitenland, waaronder Nederland.

 2. Vluchtelingenopvang in Nederland

De economische situatie in Nederland bepaalde voor een groot deel het Nederlandse vluchtelingenbeleid in de jaren dertig van de vorige eeuw. De economie verkeerde wereldwijd in een crisis na de Krach van 1929. Nederland, als handelsnatie gevoelig voor internationale economische schommelingen, ondervond dit aan den lijve door een toenemende werkloosheid. Mede om die reden wilde de overheid na 1933 de toelating van Duitse vluchtelingen beperken. Daarnaast was het van belang de goede betrekkingen met haar voornaamste handelspartner Duitsland te bewaren. Zij wilde het Duitse Rijk niet irriteren door de grenzen te openen voor Duitse vluchtelingen.

Kamp Westerbork. Alle originele barakken zijn verdwenen. Deze kunstzinnige "restanten geven aan waar de barakken ooit stonden. bron: Flickr

Kamp Westerbork. Alle originele barakken zijn verdwenen. Deze kunstzinnige “restanten geven aan waar de barakken ooit stonden. bron: Flickr

Het beleid van beperkte toelating kon niet voorkomen dat er in 1938 een nieuwe stroom Duitse en Oostenrijkse vluchtelingen Nederland binnenkwam. Oorzaak was de aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland en de Reichskristallnacht, waarbij in Duitsland wonende joden van al hun bezittingen werden beroofd. De Nederlandse overheid zag zich genoodzaakt kampen in te richten voor opvang van vluchtelingen. Begin 1939 waren er 25 vluchtelingenkampen, verspreid over het hele land. Kamp Westerbork in Drenthe is daarvan een bekend voorbeeld. Onder de bewoners van deze kampen bevonden zich naast joodse ook politieke vluchtelingen.

 Hulp vanuit de samenleving

Vanuit de Nederlandse bevolking werden allerlei hulporganisaties voor Duitse vluchtelingen in het leven geroepen. De overheid gaf hierin nauwelijks ondersteuning. Nederland bestond in die tijd uit een verzuilde samenleving. Elke zuil had een eigen hulporganisatie, gericht op vluchtelingen met een achtergrond waarin de leden van de betreffende zuil zichzelf herkenden. Iedere zuil zorgde dus voor zijn ‘eigen’ vluchtelingen. De Rode hulp was er voor hulp aan antifascistische, communistische Duitse vluchtelingen en Nederlandse antifascisten die behoorden tot de arbeidersklasse. Deze organisatie voerde regelmatig gerichte campagnes uit zoals de Winterhulp. Joodse vluchtelingen konden zich wenden tot het Comité voor Joodse Vluchtelingen (CJV). Voor protestanten was er het Protestantsch Hulpcomité voor Uitgewekenen om Ras en Geloof. Deze instelling verleende voornamelijk hulp aan ‘niet-arische’ christenen. Het Katholiek Comité voor Vluchtelingen stond in principe open voor alle vluchtelingen die om hulp vroegen.

Politieke vluchtelingen

De houding van de Nederlandse overheid ten aanzien van Duitse communistische vluchtelingen was duidelijk. Links georiënteerde politieke personen en groeperingen vormden  een bedreiging voor het gevoerde conservatieve beleid. Tussen 1933 en 1939 drukte een coalitie van politieke partijen met een christelijk orthodoxe en liberale signatuur haar stempel op de samenleving. Linkse groeperingen als het communisme en rechts extremistische stromingen als het nationaal socialisme waren numeriek klein, maar door hun revolutionaire optreden werden deze als een bedreiging voor de samenleving gezien.

 Jacht op ´rode´ elementen

De Vreemdelingenwet van 1849 trad in werking. Zij bepaalde dat vluchtelingen die een gevaar vormden voor de veiligheid van de staat, konden worden uitgezet. Het was buitenlanders voortaan verboden zich met politieke activiteiten bezig te houden. Zij mochten evenmin kritiek uitoefenen op de Nederlandse politiek, geen bijeenkomsten bezoeken waar Nederlanders het regeringsbeleid bekritiseerden en geen kranten of propagandamateriaal verkopen of distribueren.

De regering verscherpte haar maatregelen in maart 1934 om ‘rode’ elementen uit het land te verwijderen. Geholpen door aanwijzingen van Duitse overheidsinstanties volgden extra controles op sociaaldemocratische en communistische Duitse vluchtelingenorganisaties. Daarnaast hield de politie razzia’s en ging over tot arrestaties van politieke vluchtelingen, gevolgd door uitzetting en uitlevering aan de Duitse autoriteiten.

 Falende regelgeving

Het was voor de uitvoerende instanties niet altijd duidelijk hoe ze met de regelgeving vanuit Den Haag moesten omgaan. De overheid hield rekening met wisselende omstandigheden. De regelgeving was daarop aangepast. Door middel van circulaires werden de steeds wisselende maatregelen aan de betreffende ambtenaren bekend gemaakt. Door deze werkwijze was het voor douaniers en politiemensen aan de grens niet altijd duidelijk wat er van hen werd verwacht. Ze handelden dan ook vaak naar eigen goeddunken. Het gevolg was dat de Nederlands-Duitse grens niet potdicht was en er toch veel ongewenste vluchtelingen  Nederland binnenkwamen.

 Internering in kazernes

Om de gearresteerde politieke vluchtelingen tijdelijk onder te brengen, kwamen er in 1935 op verschillende plaatsen interneringskampen. Het eerste kamp was Fort Honswijk bij Utrecht. Dit initiatief werd niet door iedereen geaccepteerd. De communistische hulporganisatie, de Internationale Rode Hulp (IRH) protesteerde en geïnterneerden gingen in hongerstaking. De regering besloot daarop het kamp te sluiten.

Het alternatief was internering in kazernes. In 1937 werden de kazernes voor politietroepen te Nieuwersluis, Bergen op Zoom, Breda, Maastricht, Tilburg en Vlissingen aangewezen als gedwongen onderdak voor politieke vluchtelingen. In 1938 kwam er een kamp in Vlieland bij. Over het aantal politieke vluchtelingen in Nederland zijn de meningen verdeeld. Volgens een berekening van de toenmalige communistische hulporganisatie in Nederland, Rode Hulp, een onderafdeling van de IRH, zou deze naar schatting 5000 veelal politieke vluchtelingen hebben opgevangen.

 Humane behandeling in Willem III kazerne

De behandeling en huisvesting van geïnterneerden verschilde per kamp. In de Willem III kazerne te Nieuwersluis ging men vrij soepel om met de daar ondergebrachte geïnterneerden. In deze kazerne was het opleidingsinstituut gevestigd van het Korps Politietroepen, een militair apparaat dat in 1919 als een tweede militair politieorgaan was opgericht naast de al bestaande Koninklijke Marechaussee. In deze kazerne werden in 1938 barakken gebouwd voor maximaal twintig geïnterneerden. Voornamelijk Duitse vluchtelingen met een links georiënteerde politieke overtuiging werden hier gehuisvest. Onder hen waren sociaaldemocraten, communisten, leden van vakverenigingen en mensen die terugkeerden uit Spanje waar ze tegen het fascistische regime van Franco hadden gevochten. Ondanks de vrijheidsbeperking die een internering met zich meebrengt was de behuizing redelijk en genoten de geïnterneerden een zekere mate van bewegingsvrijheid. Ze deden samen met leden van de militaire politie mee aan verschillende sporten en maakten onder begeleiding wandelingen langs de Loosdrechtse Plassen. Ze mochten bezoek ontvangen en brieven schrijven. In 1938 werd er zelfs een dagtrip georganiseerd naar de bollenvelden. De Minister van Justitie, Gerbrandy vond regelmatig een verzoek om vrijlating van politieke gevangenen op zijn bureau, afkomstig van diverse hulpcomités voor vluchtelingen. De verzoeken werden afgewezen.

 Leven in illegaliteit

Wanneer het een Duitse communistische vluchteling was gelukt Nederland binnen te komen, moest hij/zij, gedwongen door het heersende vluchtelingenbeleid, onderduiken. De hiervoor genoemde hulporganisatie Rode Hulp kon wel enige hulp bieden in de vorm van een kleine financiële tegemoetkoming voor de eerste dagen, maar verwees meestal door naar sympathisanten die de vluchtelingen onderdak en voedsel konden bieden.

 Strijd tegen fascisme

Door de geleidelijke ontmanteling van de illegale KPD in Duitsland vanaf 1933, weken kaderleden, gewone leden en sympathisanten uit naar het buitenland. In diverse Europese landen ontstonden uitwijkplaatsen die onder leiding van kaderleden van de KPD al spoedig als centra van verzet dienst zouden gaan doen. In de zomer van 1933 kwam er ook in Amsterdam een dergelijke uitwijkplaats. In samenwerking met haar zusterpartij in Nederland, de Communistische Partij Holland (CPH) en de Rode Hulp zorgde de KPD niet alleen voor opvang en ondersteuning van communistische vluchtelingen. Ze verwachtte van deze vluchtelingen ook medewerking aan het verzet tegen het fascisme in Duitsland. Dit betekende onder andere het inzamelen van geld voor het bekostigen van illegale transporten van documentatiemateriaal en literatuur via treinen en schepen naar Duitsland. De vluchteling kon ook ingezet worden als ‘grenstechnicus’. Deze had de taak in een grensdistrict illegale grensovergangen op te sporen om koeriers, kaderleden en anderen die gevaar liepen veilig over de grens te brengen. Een andere mogelijkheid was deelname aan distributie van tijdschriften en literatuur en begeleiding van de treinen of rijnschepen die deze illegale handel naar Duitsland vervoerden.

Smokkel en sabotage vanuit de havens

De Internationale Zeeliedenclub aan de Willemskade in Rotterdam was een ontmoetingscentrum voor communistisch georiënteerde zeelieden. Deze club werd geleid door de in Moskou gevestigde International Seamen and Harbour Workers (ISH). De voorzitter in Nederland was Joop Schaap. Hij had de leiding over een aparte Duitse groep die communistische opvarenden van rijnschepen van propagandamateriaal voorzag voor smokkel naar Duitsland.

Naast de activiteiten, gericht op het nazibewind in Duitsland hield deze groep zich ook bezig met daden van verzet tegen het nationaalsocialisme elders in Europa. Schaap was de leidende figuur bij sabotagewerk in de havens van Antwerpen en Rotterdam. Duitse, Italiaanse en Japanse schepen met oorlogsmateriaal, bestemd voor het leger van Franco in de Spaanse burgeroorlog werden ‘bewerkt’. De saboteurs maakten gebruik van brandbommen of springladingen, waarvoor Hollandse zeelieden staven dynamiet uit de Zweedse ertsmijnen naar Nederland smokkelden. In de periode tussen 1937 en 1939 zijn er door deze sabotagedaden verschillende schepen gezonken of zeer zwaar beschadigd.

 3. De Duitse inval in Nederland

Op de vraag hoe het de Duitse communistische geïnterneerden na het uitbreken van de oorlog, op 10 mei 1940,  in Nederland is vergaan, is geen eenduidig antwoord te geven. Het is bekend dat de geïnterneerden in Nieuwersluis na de Duitse inval in Nederland naar Amsterdam zijn vervoerd en na de capitulatie zijn overgedragen aan de Duitse autoriteiten. Vier van hen zijn later in Duitsland terechtgesteld. Anderen gingen in Duitsland de gevangenis in of kwamen in een kamp terecht.

Op 23 mei 1940 zijn 36  Duitse gevangenen in Vlieland door de Nederlandse bewakers overgedragen aan Duitse politieofficieren. Ze werden vervolgens vervoerd naar het Huis van Bewaring in Groningen. Een groot deel van hen gingen niet veel later op transport  naar onbekende bestemmingen in Duitsland.[1]

 Ondergronds verzet ging door

Communisten die hulp kregen van links georiënteerde organisaties als de Rode Hulp troffen het beter. De communistische partijen in Europa beschikten over een uitgebreid netwerk van organisaties die centraal werden aangestuurd door de Komintern in Moskou. De communistische vluchtelingen hebben, ook in Nederland, baat gehad bij deze structuur. Hoewel ondergronds, bleven ze deel uitmaken van hun partij en konden als zodanig overleven en actief blijven in de strijd tegen het fascisme.

4. Verzet uit alle lagen van de bevolking

Al snel na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kwamen ook Nederlanders in verzet tegen de Duitse fascistische overheersing. Vanuit alle lagen van de bevolking kwam protesten tegen de anti-joodse maatregelen van de Duitse bezetter. De organisatie van de Februaristaking, begin 1941 in Amsterdam, lag bij de Communistische Partij Nederland (CPN), maar deze manifestatie werd gedragen door iedereen die zich wilde verzetten tegen de toenemende gewelddadigheden tegen joodse burgers.[2] [youtube]https://www.youtube.com/watch?v=CZLSDZh-QCU[/youtube]

Op 1 februari 1989 zond de VPRO Zomergasten met Pierre Jansen uit. Hij koos oa voor de Februari-staking uit De Bezetting van L. de Jong, uitgezonden in 1961. Bron: YouTube

 Verzetsgroepen

Tijdens de jaren van bezetting ontstonden er overal in het land verzetsgroepen. In het begin van de oorlog was deze vorm van verzet kleinschalig. Mensen, soms buurtbewoners, die elkaar kenden, zorgden bijvoorbeeld voor een tijdelijke onderduikplaats bij geruchten van een op handen zijnde razzia. Later breidde het verzet zich uit naar voedselhulp aan onderduikers, vervalsing van voedselbonnen en identiteitsbewijzen, hulp bij ontsnappingen uit gevangenissen, aanslagen en overvallen. [3]

 Diversiteit geeft  spanningen

 

Van samenwerking tussen verzetsgroepen die in het verloop van de oorlog actief waren, was nauwelijks sprake. De verschillen in levensbeschouwing of politieke overtuiging leverden  onderlinge spanning en wantrouwen op. Zo was het wantrouwen tussen communistische en andere verzetsgroepen groot. Deze verzetsgroepen vreesden voor een communistisch bewind na de bevrijding.[4]

Door het gebrek aan samenwerking tussen de verzetsgroepen besloten de drie belangrijkste verzetsorganisaties in het najaar van 1944 zich onder de naam Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS) te verenigen met het doel zich onder leiding van Prins Bernard gezamenlijk voor te bereiden op ordehandhaving na de bevrijding. De Ordedienst (OD), de Landelijke Knokploegen (LKP) en de communistisch georiënteerde Raad van Verzet (RVV) maakten deel uit van deze vereniging.[5]

 Politieke vluchtelingen in het joodse verzet

In Amsterdam was de verzetsgroep onder de naam Groep Oosteinde actief. Deze groep was een onderdeel van verschillende illegale verzetsgroepen, die allemaal op hun eigen manier verzet boden tegen de nazi´s. De groep Oosteinde gebruikte geen geweld, maar bood hulp bij het zoeken naar onderduikadressen, verstrekte levensmiddelen aan onderduikers, zorgde voor bonkaarten, kleding en valse identiteitsbewijzen. De leden stelden tevens nieuwsberichten samen over het verloop van de oorlog en verspreidden deze illegaal. Deze groep bestond voornamelijk uit ondergedoken joden en Duitse politieke vluchtelingen. Voor deze verzetsgroep was de communistische achtergrond van de deelnemende vluchtelingen geen enkel bezwaar. Van hieruit werd zelfs een illegaal mededelingenblad samengesteld, een uitgave van de Vereniging van Duitse en Statenloze Antifascisten in Nederland  (VDSA), een organisatie voor hulp aan Duitse vluchtelingen.

 5. Conclusie

Zowel voor als tijdens de Tweede Wereldoorlog werden Duitse communistische vluchtelingen beschouwd als een gevaar voor de staatsveiligheid in Nederland. De angst voor verspreiding van de communistische ideologie door deze vluchtelingen, maar ook door Nederlandse communisten, was groot. Het fascisme werd in de jaren dertig nauwelijks als een groot gevaar voor de Nederlandse samenleving gezien. Mede daarom was er geen begrip voor de strijd tegen het fascisme van de in Nederland ondergedoken Duitse vluchtelingen.

Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog was de aanwezigheid van een gezamenlijke vijand, de Duitse fascistische bezetter, geen aanleiding voor samenwerking met communisten. Mocht er sprake zijn van een vorm van verbroedering, dan zijn de Februaristaking en de samenwerking van Duitse communisten in het joodse verzet in Amsterdam hiervan een voorbeeld. In de joodse verzetsgroep werden vriendschappen voor het leven gesloten.

[1] Ruud Weijdeveld, Het communistische verzet in Groningen 1940-1945, deel 1 (Bedum 2014) 126-127.
[2] Ibidem, 176-178.
[3] Stadslezing in Velsen door Prof. Dr. Marjan Schwegman, directeur van het NIOD, 01-10-2014, “Niet van deze tijd? Verzet tijdens WO II als inspiratiebron voor het heden.” www.velseraffaire.nl/volledige-tekst-stadslezing-velsen/
[4] Ibidem.  L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 1 Voorspel 545-549, deel 5 tweede helft  791-959, deel 6 eerste helft, 94-223.
[5] “Verzet in Nederland”, Internet, trefwoord: Oranjehotel Nationaal Archief.nl/introductie/verzet.

 

Een groot deel van de inhoud van het artikel is gebaseerd op de inhoud van het in de bronnen genoemde boek, Beroep: gevangene. De lotgevallen van de Duitse jood en communist Werner Stertzenbach in de jaren 1909 tot 1945.

 

Bronnen

Boeken

Sophie Molema, Beroep: gevangene. De lotgevallen van de Duitse jood en communist Werner Stertzenbach in de jaren 1909 tot 1945 (Nijmegen 2012)

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

Ruud Weijdeveld, Het communistische verzet in  Groningen 1940-1945, deel 1 (Bedum 2014)

 Internetsites

“Verzet in Nederland”, trefwoord: Oranjehotel Nationaal Archief.nl/introductie/verzet

Stadslezing in Velsen door Prof. Dr. Marjan Schwegman, directeur van het NIOD, 01-10-2014, “Niet van deze tijd? Verzet tijdens WO II als inspiratiebron voor het heden.” www.velseraffaire.nl/volledige-tekst-stadslezing-velsen/

Schooltv Beeldbankclip Staakt! Staakt!

 

[bol_product_links block_id=”bol_544e2d18e8fe3_selected-products” products=”9200000010017645,9200000024674049,9200000014964250,9200000022062373,1001004011248952,1001004006538705″ name=”communisme” sub_id=”” link_color=”E94C00″ subtitle_color=”E94C00″ pricetype_color=”000000″ price_color=”E94C00″ deliverytime_color=”C20318″ background_color=”FFDF80″ border_color=”E94C00″ width=”600″ cols=”3″ show_bol_logo=”undefined” show_price=”1″ show_rating=”1″ show_deliverytime=”1″ link_target=”1″ image_size=”1″ admin_preview=”1″]

 

 

Schrijf je in voor TOEN!