Wat zijn de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog geweest voor sportverenigingen in Haarlem en met name voor de Haarlemse voetbalvereniging “Haarlemsche Football Club” (HFC)?
Inleiding
Een onderzoek naar sportbeoefening in Haarlem tijdens de Eerste Wereldoorlog is in drie opzichten interessant te noemen. In de eerste plaats gaat het hier om sportgeschiedenis, een onderzoeksveld dat onder Nederlandse historici nauwelijks serieus genomen wordt, waar ze liever met een grote boog om heen lopen. Toch neemt sport een grote plaats in de maatschappij in en wordt deze door allerlei groeperingen gebruikt of misbruikt. Vooral rond de Olympische spelen gaat het vaak om politiek, men kan denken aan de Nazispelen van Berlijn in 1936, het Black Power gebaar op het erepodium van de Spelen van Mexico in 1968 of de terroristische aanslag op de Israëlische ploeg bij de Spelen van München in 1972.
Zelfs als men dit buiten beschouwing laat blijft de sport een belangrijke plaats innemen in de maatschappij: miljoenen Nederlanders zijn aangesloten bij sportverenigingen of beoefenen sport op eigen houtje. De altijd hoge kijkcijfers bij sportevenementen op de televisie en de vele toeschouwers laten zien dat ook de passieve sportbeleving een grote belangstelling kent. Kortom: als sport zo’n belangrijke plaats inneemt in het dagelijks leven, is het dan niet logisch dat er ook (meer) historisch onderzoek naar gedaan wordt?
In Duitsland en Engeland kent deze tak van geschiedenis al geruime tijd een grote belangstelling. Zo heeft Sir Derek Birley recentelijk een drietal boeken over de sport in Engeland gepubliceerd: Sport and the making of Britain, Land of sport and glory. Sport and British society 1887-1910 en Playing the game. Sport and British society, 1910-1945. In Nederland is het daarentegen moeilijk om aan goede, dat wil zeggen wetenschappelijk verantwoorde, literatuur te komen over dit onderwerp. Vaak moet men het in de sociologische hoek zoeken. Twee, ondertussen klassiek geworden, studies zijn: Strijd over sport (1979) van Ruud Stokvis en Verborgen competitie (1994) van Maarten van Bottenburg.
In de tweede plaats is dit onderzoek interessant omdat Haarlem beschouwd kan worden als de bakermat van de moderne sport in Nederland. Pim Mulier en Karel Lotsy, twee Nederlandse sportpioniers, waren op verschillende manieren met de stad verbonden. Zo drukten zij een grote stempel op de oudste en nog bestaande voetbalclub van Nederland: de “Haarlemsche Football Club” (HFC). Ook het moderne wielrijden is in Haarlem ontstaan. Dit gebeurde in de vorm van de: “Haarlemsche Vélocipide Club” (HVC), die later de ANWB werd.
Tenslotte kan de periode waar dit onderzoek zich op richt interessant genoemd worden: de Eerste Wereldoorlog. Nederland was niet betrokken bij de “grote wereldbrand”, maar de gevolgen van deze oorlog waren uiteraard wel merkbaar: mobilisatie, economische problemen en een grote werkloosheid. Er was geen plek in de maatschappij die niet geraakt werd door deze gevolgen. André Swijtink heeft in zijn boek “In de pas” uit 1992 gekeken naar de gevolgen van de oorlog en Duitse bezetting op de sport en lichamelijke opvoeding in Nederland. Een soortgelijk onderzoek naar sport tijdens de Eerste Wereldoorlog in Nederland is naar mijn weten nog niet gedaan.
Het is echter onmogelijk om in dit kleine onderzoek om op alle sporten en alle aspecten van de sportbeoefening in te gaan. Verdere inperking was dus nodig. In dit onderzoek beperk ik mij tot de gevolgen die de Eerste Wereldoorlog gehad heeft op de sportbeoefening in Haarlem en met name op één specifieke vereniging.
Omdat er van slechts een paar verenigingen goede bronnen uit de periode 1914-1918 zijn overgebleven, was de keuze niet moeilijk. Er was één vereniging die er het meest uitsprong, de HFC. Deze vereniging heeft een zeer bruikbaar archief. Aan de hand van jaarverslagen, notulen, financiële gegevens en gedenkboeken zal de geschiedenis van deze club onderzocht worden.
De opbouw van dit onderzoek is als volgt: in de eerste paragraaf wordt gekeken naar de geschiedenis van de moderne sport in Nederland tot circa 1920. In de volgende paragraaf komt de toestand van de sportbeoefening in Haarlem tijdens de Eerste Wereldoorlog aan bod. Het reilen en zeilen HFC tijdens de periode 1914-1918 wordt gevolgd in de derde paragraaf. In de vierde en laatste paragraaf zullen enige conclusies getrokken worden.
1.Sport in Nederland tot 1920
In het laatste kwart van de 19de eeuw werd de term “sport” in Nederland geïntroduceerd. Tot de sport werd niet alleen allerlei uiteenlopende activiteiten, zoals cricket, voetbal en tennis gerekend, maar ook een (Engelse) manier van leven. “To be a sport” hield in dat men een gentleman was, een moedig en goed mens.
Het ontstaan van de moderne sport hield een transformatie in van oude volksvermaken naar gereglementeerde sport, een proces dat in Engeland al aan het einde van de 18de eeuw grotendeels was afgerond. De eerste Nederlanders die in contact kwamen met deze moderne sporten waren leden van de nieuwe industriële elite, vooral jongeren, die veel reisden. Vooral de contacten met Engeland waren belangrijk. Engeland was toen het meest geïndustrialiseerde land van de wereld en één van de belangrijkste handelspartners van Nederland. Nederlanders die in Engeland waren geweest en Engelsen die in Nederland verbleven, zorgden ervoor dat de in Engeland reeds gereglementeerde sporten vrijwel ongewijzigd in Nederland werden overgenomen.
Een voorbeeld hiervan vormt W.J.H. Mulier, beter bekend als Pim Mulier. Hij was iemand die verschillende, uit Engeland afkomstige, sporten, in Nederland introduceerde en bevorderde. In 1879, op veertienjarige leeftijd, richtte hij de “Haarlemsche Football Club” (HFC) op en tien jaar later legde hij de basis voor de “Nederlandse Atletiek en Voetbal Bond” (NAVB). De NAVB werd later de “Nederlandse Voetbal Bond” (NVB). Verder coördineerde hij de reglementering van diverse andere sporten in Nederland en publiceerde hij een aantal artikelen over sport.
In eerste instantie waren het vooral de hogere klassen die deze moderne sporten beoefenden, terwijl de lagere klassen vooral de traditionele volksvermaken bleven beoefenen. Maar langzamerhand kwamen ook deze volksvermaken onder invloed van de moderne sport en trad daar ook een reglementering en een betere organisatie, een van de belangrijkste kenmerken van de moderne sport, in. Reglementering en organisatie waren nodig om op regionaal, nationaal en zelfs internationaal niveau wedstrijden te kunnen organiseren. Een ander proces dat nauw samenhangt met de opkomst van de moderne sport is de toenemende mobiliteit aan het einde van de 19de eeuw: de aanleg van spoorlijnen. De trein maakte het mogelijk om op een efficiënte en snelle manier deel te nemen aan wedstrijden en evenementen buiten de regio.
Langzamerhand werden steeds meer verenigingen en bonden opgericht, het initiatief lag steeds bij de hogere klassen. De eerste door lagere klassen opgerichte verenigingen kwamen rond de eeuwwisseling tot stand. Dit te maken met de toenemende industrialisering van de samenleving: de toename aan vrije tijd en een behoefte aan ontspanning na vele uren hard werken in de fabrieken zorgden voor een groeiende belangstelling van de lagere klassen om deel te nemen aan de moderne sporten in verenigingsverband. Tussen 1900 en 1910 nam het aantal leden van sportorganisaties in Nederland dan ook toe van circa 27.000 tot 57.000. De verenigingen die het grootst aantal leden hadden in 1910 waren de schaats- kaats- en voetbalverenigingen met respectievelijk 17.000, 10.000 en 7.500 leden.
De media pikte het fenomeen sport eveneens op: er verschenen steeds meer (korte) verslagen van sportwedstrijden in de kranten. Alhoewel het eerste Nederlandse sportblad, de Nederlandsche Sport, dateerde uit 1882, zou het tot 1902 duren voordat Nederland haar eerste sportjournalist had: Johan Coucke bij de Telegraaf. Andere bladen volgden al snel en vanaf toen nam het aantal sportberichten toe, al hadden deze tot aan de jaren twintig een ‘notulistisch’ karakter: een letterlijk verslag zonder interviews of achtergronden.
Gedurende de 19de eeuw is er van de kant van het Nederlandse leger een grote belangstelling geweest voor sport en lichaamsoefeningen. Zwemmen en schermen waren al sinds 1815 activiteiten die in het leger gepropageerd werden. Rond de eeuwwisseling vond de fiets ook haar plaats in het leger en kwam er een samenwerking met de ANWB tot stand.
De “Nederlandsche Bond voor Lichamelijke Opvoeding” (NBVLO) uit 1908 kwam voort uit de “Nederlandsche Militaire Bond voor Lichamelijke Opvoeding”. En deze NBVLO zou later het “Nederlands Olympisch Comité” (NOC 1912) worden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de invloed van het leger en van de overheid op de ontwikkeling van de sport in Nederland het grootst, hierna nam dit af en kwam het initiatief meer te liggen bij burgers. Tijdens het Interbellum zou de betrokkenheid van de overheid bij de ontwikkeling van het sportgebeuren in Nederland zeer klein blijven.
De Eerste Wereldoorlog zorgde voor een aantal ontwikkelingen binnen de sportbeoefening. Als we bijvoorbeeld naar het voetbal kijken zien we het volgende: door de mobilisatie konden er minder spelers ingezet worden. Alleen als de voetballers op verlof waren konden zij voetballen voor de vereniging. Het waren vooral de kleine verenigingen die niet aan de NVB competities meededen die hier het meest onder leden. Dit zorgde voor slechte resultaten en dat zorgde weer voor minder inkomsten.
De NVB had in het eerste oorlogsseizoen dan ook een “Noodcompetitie” ingesteld samen met een “NVB fonds 1914″, waar elke vereniging 25% van de bruto recettes, van elke wedstrijd, in moest deponeren. Hier was veel protest tegen, dus besloot de NVB om de bijdrage voor dit fonds door elke vereniging zelf te laten bepalen.
De gemobiliseerde voetballers konden dus tijdens het verlof terugkeren naar de voetbalclub om te spelen. Dit werd pas moeilijker in de laatste twee oorlogsjaren door de intrekking van de militaire verloven, de oprukkende Spaanse griep en de ontregeling van het treinverkeer op zondagen.
De NVB stimuleerde het voetballen onder de militairen door voetballen en andere voetbalmaterialen te leveren. Veel militairen raakten zo bekend met het spel en gingen er vaak mee verder na de mobilisatietijd. In sommige garnizoensplaatsen werd er soms met en tegen de burgerbevolking gevoetbald. Deze contacten zorgden ervoor dat de voetbalsport onder bredere lagen van de bevolking werd verspreid. Men ziet dan ook na 1918 een toename van voetbalverenigingen die opgericht zijn door oud-militairen en de lagere klassen. De mobilisatie zorgde dus indirect voor een grotere verspreiding van de voetbalsport in Nederland
Ook bij andere sporten dan het voetbal zien wij een verdubbeling van het aantal leden tussen 1910 en 1920. Ook hier werden er steeds meer sportverenigingen door leden uit de lagere klassen opgericht. Vooral de voetbalsport had te maken met een steeds groter wordende belangstelling, het voetbal werd steeds meer een volkssport. Elitaire sporters waren bang voor spelverruwing door dit proces en velen weken uit naar andere sporten waar de lagere klassen nog niet waren door gedrongen (zoals hockey). In 1922 werd daarom dan ook de vereniging “Nederlandsche Corinthians” opgericht met de volgende doelstelling:
‘Het hooghouden van de amateurbeginselen bij de beoefening der voetbalsport onder de meer beschaafde kringen die zich steeds meer aan de actieve deelname onttrekken’
Sport kwam in de eerste twee decennia ook steeds meer onder invloed van de verzuiling te staan. Veel orthodoxe protestanten vonden de sport en alles wat er mee te maken had bezwaarlijk. Maar dit was slechts een fractie van de samenleving. De meeste confessionelen aanvaarden de sport, maar wilden deze onderbrengen in hun eigen organisaties. Zo ontstonden er christelijke en katholieke sportbonden en sportverenigingen. De socialisten volgden halverwege de jaren twintig toen zij de “Nederlandse Arbeiderssportbond” (NASB) oprichtten.
Tot aan de Eerste Wereldoorlog was de sportbeoefening in Nederland vooral een elitair gebeuren al nam de invloed van de lagere klassen toe. Steeds meer mensen gingen actief of passief deelnemen aan sport. Door de grote belangstelling van het leger voor de sportbeoefening ging de overheid ook een grotere stempel hierop drukken. Toen het leger na de mobilisatie minder betrokken raakte bij de sport, trok de overheid zich ook terug en namen particulieren het over.
2.Sport in Haarlem tijdens de Eerste Wereldoorlog
Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak bleef neutraal. Maar omdat Nederland aan de oorlogvoerende landen grensde was het onmogelijk om niet op de een of andere manier geconfronteerd te worden met de oorlog. Nederland moest mobiliseren om haar grenzen te beveiligen, de internationale handel kwam vrijwel stil te liggen door de Engelse blokkade. Problemen met de voedselvoorziening waren het gevolg en dit leidde weer tot het invoeren van een distributiestelsel. Door het oorlogsgeweld in België werd Nederland in de eerste maanden overspoeld met Belgische vluchtelingen. Door de onbeperkte duikbootoorlog in de laatste maanden van de oorlog kreeg Nederland ook te maken met getorpedeerde schepen. Maar Nederland had uiteindelijk heel weinig schade ondervonden van de oorlogsjaren.
Ook Haarlem had in de periode 1914-1918 te kampen met de gevolgen van de oorlog. Door de mobilisatie werden vele mannen opgeroepen en over heel Nederland verspreid in garnizoenen. Uit andere gedeelten van Nederland kwamen militairen naar de kazernen en manschappendepots in Haarlem. Deze raakten al gauw overvol en veel militairen werden bij particulieren ondergebracht. Veel burgers wilden ook op andere terreinen helpen. Zo boden een aantal Haarlemse tandartsen hun diensten aan. Het “Comité voor Ontwikkeling en Ontspanning van de Gemobiliseerde Troepen” zorgde ervoor dat de vele militairen zich konden vermaken en er werden ook allerlei cursussen gegeven om de militairen cultureel te vormen. Zo konden de militairen zich onder andere in de volgende vakken bekwamen in het Nederlands, Engels, Duits, Frans, Esperanto, boekhouden, wiskunde, muziek, geschiedenis, stenografie, machineschrijven, schoenlappen, militaire regels, lezen en schrijven (voor degenen die dit nog niet konden) en de kennis van het menselijk lichaam.
De industrie in Haarlem kreeg, naarmate de oorlog vorderde, het steeds harder te verduren. De gehele export kwam te vervallen door de Engelse blokkade en zo was er ook minder import. Er werd steeds minder wol en katoen ingevoerd waardoor de kledingindustrie stil kwam te liggen. De lompenhandel deed het daarentegen juist erg goed. De bloembollenteelt, welke een belangrijke plaats innam in de Haarlemse economie, kreeg aan het einde van 1917 te maken met een uitvoerverbod op bloembollen om het “abnormale” gebruik (veevoeder en industriële doeleinden) van de bloembollen in het buitenland tegen te gaan. Als gevolg hiervan had de stad te maken met grote werkloosheid en armen.
Ook in de sportbeoefening was de invloed van de oorlog hier en daar merkbaar maar over het algemeen ging het leven in eerste instantie gewoon verder. Soms verdwenen er mensen uit besturen of andere functies door de mobilisatie. Zo was de gymnastiekdocent van school 4, 5 en 7, de heer Bongertman, gedurende de hele oorlogsperiode gemobiliseerd, waardoor er aan deze scholen geen of weinig gymnastieklessen gegeven kon worden. Dat sommige sportverenigingen soms moeite hadden om financieel rond te komen blijkt wellicht uit het verzoek van enkele gymnastiekverenigingen aan de gemeente in 1916 om geen zaalhuur meer te betalen. Dit verzoek werd in de vergadering van 18 oktober gehonoreerd en de verenigingen werden voor het komende jaar ook vrijgesteld van kosten voor vuur en licht.
Dit soort verzoeken waren zeer zeldzaam, de meeste verenigingen wisten de periode 1914-1918 zonder hulp van de gemeente te overleven. Wanneer wij kijken naar het aantal verenigingen zien we dat de meeste verenigingen in 1918 nog steeds bestaan.

Opvallend is het verdwijnen van de meeste wielrenclubs, postduivenverenigingen, kegelclubs en hengelsportverenigingen in de laatste twee oorlogsjaren. Toekomstig onderzoek zal misschien uitwijzen wat de redenen zijn van deze drastische terugloop. De meeste verenigingen blijven echter gelijk en sommige nemen zelfs toe. In de volgende paragraaf zullen we dieper ingaan op de ontwikkelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog van één specifieke vereniging. Hoofdvraag is: wat zijn de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog geweest voor HFC?
3.HFC tijdens de Eerste Wereldoorlog
Seizoen 1914-1915
“Mijn jaarverslag is dit keer somber, geheel in overeenstemming met de toestand om ons heen: met de schrikkelijke misére en ellende, waarin we, gelukkig bij ons nog maar in gedachte zijn gedompeld.”
Zo opende J.Haak zijn jaarverslag van HFC van het seizoen 1914-1915. Zijn woorden geven aan dat de Wereldoorlog, ondanks het feit dat Nederland buiten de strijd bleef, toch invloed had op alle terreinen van de samenleving:
“toen geweldige legermachten werden opgesteld om hun moord- en verdelgingswerk te beginnen, toen moest ook ons klein landje bij zijn mannetjes aankloppen om zich in gereedheid te brengen tegen eventuele aanvallen. Van overal zijn ze opgeroepen, geen plekje zoo klein of de lui moesten er weg; allicht dat onze vereniging niet gespaard bleef.”
Door de mobilisatie zag HFC haar spelers en bestuursleden verdwijnen en het leek erop dat er nu wel niet zo heel veel gevoetbald zou worden. Bovendien verwachte men minder inkomsten door een daling van de contributies en recettes, wie zou er in zulke tijden geld uitgeven om naar voetbalwedstrijden te komen kijken? Verder keerde de Engelse trainer, Stephenson, bij het uitbreken van de oorlog naar Engeland terug, waardoor de ploeg zonder trainer zat.
Ondanks dit sombere vooruitzicht werd het voor HFC toch een succesvol seizoen, binnen de door de NVB ingestelde “Noodcompetitie” behaalde HFC de tweede plaats en in de Bekercompetitie zelfs de eerste plaats. Van de achttien wedstrijden die HFC speelde in het seizoen 1914-1915 won het er elf, speelde het twee gelijk en verloor het er vijf. Geen slecht resultaat voor een ploeg in crisistijd. In die tijd betekende HFC ook wel “Hollands Fijnste Combinatie”
Dat Haak in zijn jaarverslag niet positief was, ondanks de behaalde resultaten, kwam door de zijns inziens ontbrekende “ware clubliefde”. Volgens Haak waren de meeste overgebleven bestuursleden te beroerd om de handen uit de mouwen te steken. En zo bleek het heel moeilijk om de zaak draaiende te houden.
Op financieel gebied bleek het seizoen 1914-1915, vergeleken met het vorige seizoen niet zo denderend te zijn. Er werd in totaal Fl.3.890,57 binnen gebracht aan recettes.
Seizoen 1915-1916
In dit seizoen was de “Noodcompetitie” weer vervangen door de normale competitie. Over het algemeen had de mobilisatie in het vorige seizoen (1914-1915) eigenlijk weinig invloed gehad op de resultaten doordat er vrij normaal gevoetbald kon worden. Men maakte gebruik van invallers en tijdens het verlof van de militairen konden de gemobiliseerde spelers meespelen. In het seizoen 1915-1916 werd dit heel anders. In het voorjaar werden alle militaire verloven ingetrokken en miste HFC ineens meer dan de helft van haar eerste elftal. Het tweede elftal hield nagenoeg op te bestaan.
Dit had invloed op de resultaten: HFC kwam dit keer niet verder in de competitie dan een zesde plaats. Van de achttien wedstrijden werden er slechts zes gewonnen, vijf gelijk gespeeld en maar liefst zeven verloren. Aan de Bekercompetitie werd dit seizoen niet deelgenomen, hoewel HFC de bekerhouder was. De normale competitie was al zwaar genoeg.
Behalve de gemobiliseerde spelers en bestuursleden waren er ook een mensen, die
“ondanks het gevaar voor mijnen en torpedo’s, naar het land van de klapperboomen [vetrokken], waar geen militieplicht bestaat”
Aan het begin van het seizoen kreeg HFC een verzoek van ‘t Fort Penningsveer om de militairen op het terrein van de club te laten spelen. Dit verzoek werd ingewilligd en vanaf oktober 1915 konden de militairen elke ochtend tot 12:00 op het derde veld terecht.
Een andere regeling voor militairen en dan met name de militairen beneden de rang van officier, was de vrije toegang tot de wedstrijden van het tweede elftal.
De financiële positie van de club was vergeleken met het vorige seizoen flink verbeterd maar was nog niet zo goed als in het seizoen daarvoor. Het bedrag van de donateurs viel dit jaar ook tegen. Al met al kon men toch tevreden zijn, de binnengehaalde recettes waren dit jaar: Fl. 8.683,16, een ruime verdubbeling. Bij een zuinig beleid kon men de schulden verder af betalen. Gedurende de rest van het jaar waren geen buitengewone uitgaven mogelijk.
Seizoen 1916-1917
Haak gebruikt de jaarverslagen van HFC regelmatig om zijn schrijfkunst en zijn mening te manifesteren. Zo ook nu:
“De gedachten schoten kris en kras uit mijn hersens op; tolden in een ratjetoe door het hoofd rond; eerst zonder eenige regelmaat en orde, om langzamerhand te groeperen en eindelijk in volle harmonie naast elkaar te staan, gereed om naar buiten te worden afgeleverd”
Het grootste gedeelte van het jaarverslag over 1916-1917 gebruikt hij om te klagen over het voetbal van tegenwoordig:
“Het voetbal om ons heen bloeit tegenwoordig enorm, echter niet op de manier zoals dat algemeen wordt gewenscht. De matches, die elke zondag plaats hebben, zijn de verplichte open-lucht-spelen geworden waar honderden in den lande naar toe worden opgezweept, om zich tegen fancy-fair prijzen op te winden over het spel van een troepje kerels die allemaal alsnog de naam: amateurs dragen.”
Hierna wond Haak zich op over het verliezen van de ware clubgeest. Bovendien kwam het voetbal steeds meer in handen van de “mindere standen”. Ook de bestuursvergaderingen waren niet meer wat ze geweest waren. Ze waren hartstikke gezellig en zonder problemen, het waren feestjes, maar de echte problemen werden niet aangepakt. Was Haak’s pessimisme terecht?
De mobilisatie die het vorige seizoen zo hakte in het eerste en tweede elftal had dit seizoen alleen invloed op het derde elftal. Er werd weer meegedaan aan de Bekercompetitie, maar niet zo succesvol als in het seizoen 1914-1915. HFC werd in de vijfde ronde verslagen. In de eerste klasse van de NVB werd HFC tiende: van de twintig wedstrijden die gespeeld waren won het er slechts vijf, speelde het vier gelijk en verloor het er elf. In de tweede klasse en in de Kampioenscompetitie deed HFC IV het veel beter: in beide competities werd de club eerste. Het resultaat van de lagere elftallen is waarschijnlijk te danken geweest aan de nieuwe trainer: Short, een geïnterneerde matroos te Groningen.
Even leek het erop dat HFC haar speelvelden zou verliezen toen de terreineigenaar Van den Beek overleed. De terreinen werden door de gemeente Heemstede gekocht en met deze gemeente werd een regeling getroffen.
Het nieuwe clubblad, De HFC’er, bleek weinig belangstellenden te trekken, slechts een gering aantal mensen abonneerden zich hierop. Dit was een tegenvaller voor HFC en ook de recettes – slechts Fl.4.634,16 – vielen tegen, maar over het algemeen ging het financiële plaatje van de club er steeds beter uitzien: na aftrek van de schulden kwam de bouw van een nieuw clubhuis eindelijk in zicht en ook het aankopen van meer terrein kon ter sprake gebracht worden.
Seizoen 1917-1918
In dit seizoen gebeurde er weinig bijzonders. De mobilisatie bleef voortgaan en HFC bleef het slecht doen in de competitie: de club haalde een negende plaats door van de tweeënntwintig wedstrijden er zeven te winnen, drie gelijk te spelen en twaalf te verliezen. Van alle door HFC gespeelde wedstrijden in het seizoen 1917-1918 – dat zijn er negentig – won het er dertig, speelde het er twaalf gelijk en verloor het achtenveertig.
In 1917 vond het bestuur het nodig om de contributie met vijfenvijftig cent te verhogen, van Fl.5,60 naar Fl.6,15, de contributie voor aspirant-leden werd van Fl.2,- naar Fl.2,40 verhoogd. Na een tijdje werd toch besloten de contributies terug te brengen tot het oude bedrag en in plaats daarvan een rangenstelsel in te stellen bij de wedstrijden. Er kwamen vier rangen met de volgende prijzen: 25 cent, 50 cent, 75 cent en Fl.1,25. De contributieverhoging zorgde waarschijnlijk ook voor een daling van het ledenaantal van 400 leden in 1916-1917 naar 276 leden in 1917-1918. In 1918-1919, nadat de contributie weer verlaagd was, waren dat er weer 400.. De opbrengsten van de recettes was dit seizoen: Fl.7.769,63. Financieel ging het toch niet slecht: mei 1917 werd een nieuw stuk grond aan het terrein toegevoegd en eind augustus werd het langverwachte nieuwe clubgebouw geopend: mooi op tijd voor het nieuwe seizoen.
Seizoen 1918-1919
In dit seizoen had HFC niet alleen te kampen met de mobilisatie – alle verloven waren tot 3 november ingetrokken – ook de Spaanse griep kreeg vat op de spelers. Daardoor konden er veel minder wedstrijden gespeeld worden dan normaal, en als er gespeeld werd moesten er veel invallers ingezet worden. Zo ging HFC met tien man naar een wedstrijd in Wassenaar, waarvan er zes invallers waren. Op het speelveld werd het elftal pas compleet gemaakt doordat er in Wassenaar toevallig iemand beschikbaar was. Het hielp niet. HFC ging met een 7-0 nederlaag naar huis. Op 17 november moest de wedstrijd zelfs worden afgelast omdat de griep te veel spelers in bed hield.
Toch betekende dit niet dat HFC slechter presteerde dan de voorgaande jaren, in de competitie werd de club zevende door van de tweeëntwintig wedstrijden er acht te winnen, zes gelijk te spelen en acht te verliezen. HFC IV deed het weer goed en werd eerste in de eerste klasse van de B-competitie.
Op 11 november 1918 werd de wapenstilstand gesloten en was de Eerste Wereldoorlog voorbij. Die avond werd er door het bestuur van de voetbalvereniging vergaderd in Café Neuf Op de agenda stonden de dagelijkse zaken van de club.Van het einde van de oorlog werd geen melding gemaakt.
Conclusie
Aan het begin van dit onderzoek stelde ik mij twee vragen: wat voor gevolgen had de Eerste Wereldoorlog op de sportbeoefening in Haarlem in het algemeen en welke op één specifieke vereniging?
We hebben gezien dat de Eerste Wereldoorlog eigenlijk maar weinig invloed heeft gehad op de sportbeoefening in Haarlem. Het aantal sportverenigingen bleef nagenoeg – met uitzondering van de wielrenclubs, postduivenverenigingen, kegelclubs en hengelverenigingen – vrijwel gelijk. Wel zorgde de mobilisatie er voor dat spelers, bestuursleden of leraren een paar jaar lang niet beschikbaar waren, maar dezelfde mobilisatie zorgde er ook voor dat bepaalde sporten, vooral voetbal, onder brede lagen van de bevolking werd verspreid.
Wat HFC betreft: uit het onderzoek blijkt dat de voetbalvereniging alleen in het seizoen 1915-1916 en het seizoen 1918-1919 te kampen had met grote problemen als gevolg van de Eerste Wereldoorlog. In het eerste geval door het intrekken van de militaire verloven, waardoor er in het weekend ook niet meer veel gevoetbald kon worden en in het tweede geval door de verspreiding van de Spaanse griep die behalve de voetbalvereniging ook grote delen van de bevolking lam legde.
Financieel gezien was alleen het seizoen 1914-1915 een echte tegenvaller, terwijl de rest van de oorlogstijd de club aardig boerde. De recettes vertonen vooral een stijgende lijn, met alleen een inzakking in het seizoen 1916-1917.
Deze inzakking was misschien wel de reden om de contributies te verhogen. Financieel ging het in ieder geval zo gunstig dat de bouw van een nieuw clubhuis en aankoop van een stuk grond mogelijk was geworden. Terwijl aan het begin van de oorlog nog extra vergaderingen werden belegd en de verwachting was dat er wel niet gevoetbald zou worden in het seizoen 1914-1915 ging het einde van de oorlog haast onopgemerkt voorbij, getuige de vergadering van 11 november 1918 waar met geen woord over het einde van de oorlog gerept werd.Alhoewel steeds meer mensen in Nederland betrokken raakten bij de sportbeoefening bleef dit nog lange tijd het terrein van de elite, welke van de Eerste Wereldoorlog minder gevolgen ondervond dan de “gewone” man. Dit verklaart misschien waarom het aantal sportverenigingen stabiel bleef gedurende de periode 1914-1918 met uitzondering van de wielrenclubs, postduivenverenigingen, kegelclubs en hengelverenigingen waar het aandeel van de lagere klassen wellicht groter is geweest. Dit is een interessante stelling die in toekomstig onderzoek nader bekeken kan worden. De Tweede Wereldoorlog had een veel grotere invloed op de sportbeoefening in Nederland. In de eerste plaats door de Duitse bezetting. Alle groeperingen moesten gelijkgeschakeld worden en hier behoorden sportverenigingen ook toe. Deze kwamen onder toezicht en werden gedwongen om tot een grotere eenheid te komen. In de tweede plaats waren in de jaren ’40-’45 veel meer mensen aangesloten bij sportverenigingen en dat waren ook veel meer niet-elitaire groepen. En in de derde plaats had Nederland direct te maken met de gruwelen van de oorlog waardoor veel Nederlanders de sport in “vluchtten”.Deze elementen ontbraken in de periode 1914-1918 waardoor de invloed van de Eerste Wereldoorlog op de sportbeoefening veel kleiner was.
Bijlagen
Het artikel Hollands Fijnste Combinatie is in maart 1999 op het internet gepubliceerd. Dit leverde een aantal reacties op in de nieuwsbrief over sportgeschiedenis Uit het veld en in het NRC Handelsblad.
Waarom vliegen duiven niet in een oorlog? – Uit het veld van oktober 1999
Casa is een niet-commerciële Internet-site over historische onderwerpen, met onder andere een onderzoek naar voetbalclub HFC tijdens de Eerste Wereldoorlog. In deze periode nam, zo concludeert auteur Philip Vos, het aantal duivensport-verenigingen opmerkelijk af van acht naar één. Een verklaring heeft hij niet en daarom voel ik mij geroepen een hypothese te formuleren.
Duiven moeten ver van huis worden uitgezet, doorgaans in het buitenland, om als eerste huiswaarts te keren. In dat buitenland was echter de oorlog gaande, inclusief het aktief inzetten van mosterdgas, wat niet uitnodigend was om de vogels daarheen te brengen. Teamsporten daarentegen waren gedurende de mobilisatiejaren wel erg populair, omdat wegens gebrek aan vijandelijke manoeuvres de soldaten zich doodverveelden. Waarom kegelen en wielrennen tussen 1914 en 1918 ook een dalende populariteit kenden, snap ik weer niet.
Waarom postduiven niet vliegen in een oorlog – Uit het veld van oktober 1999 – een week later
Vorige week probeerde ik een verklaring te vinden waarom postduivenverenigingen het in de Eerste Wereldoorlog zo moeilijk hadden. Daarop volgden twee reakties.
Allereerst Marnix Koolhaas van het VPRO-radioprogramma OVT.
‘Het postduiven-oorlogsprobleem is simpel. Postduiven hadden (hebben?) een militair belang. Zo werd in 1948 het bevel tot de eerste Politionele Actie in Indonesië aan de verspreide troepen mede door postduiven bekend gemaakt. De postduiven-sport is tijdens oorlog of bezetting dus gewoon verboden, net zoals bijvoorbeeld schietverenigingen, ballonvaart etc. Dus weinig zin om een club in stand te houden als er niet gevlogen kan worden. Bovendien is een goede postduif zo waardevol, dat geen duivenmelker het risico zal nemen dat zijn blank gevleugelte uit de lucht gehaald zou worden. Net zoals de populariteit van het voetbal tijdens WO1: de troepen in de loopgraven speelden met elkaar voetbal, alvorens elkaar aan de bajonet te rijgen. Voetbal is oorlog, zei de generaal.’
En vanuit België, van Marijke den Hollander van de Faculteit Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie aan de Katholieke Universiteit Leuven: “het antwoord op je vraag waarom duiven niet vlogen in de oorlog, is eenvoudigweg omdat ze niet mochten vliegen tijdens de oorlog. Vanwege de vrees voor militaire spionage werd de duivensport door de Duitsers verboden. Wie toch met zijn duiven op stap ging riskeerde dat ze in beslag werden genomen.”
Duiven en voetbal – NRC Handelsblad van vrijdag 10 maart 2000
De Eerste Wereldoorlog heeft een grote invloed gehad op de ontwikkeling van de Nederlandse sport. Alhoewel Nederland niet direct was betrokken bij de gevechten, werd een groot aantal mannen gemobiliseerd. Ook werden speciale maatregelen genomen vanwege de omstandigheden. Dat heeft veel gevolgen had voor de sporten, waarbij de duivenhouders het moeilijk hadden en de voetballers juist niet. Sporthistoricus Philip Vos onderzocht vorig jaar de sport in Haarlem tijdens de Eerste Wereldoorlog en kwam met opmerkelijke cijfers over de duivensport in deze stad. In 1914 waren er acht verenigingen, waar er nog maar een over was in 1918.
Marijke den Hollander van de Faculteit Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie aan de Katholieke Universiteit Leuven zegt hierover: “Het antwoord op deze vraag is eenvoudigweg dat ze niet mochten vliegen tijdens de oorlog. Vanwege de vrees voor militaire spionage werd de duivensport verboden. Wie toch met zijn duiven op stap ging riskeerde dat ze in beslag werden genomen.”
Marnix Koolhaas van het VPRO-radioprogramma OVT geeft nog een voorbeeld: “Postduiven hadden een militair belang. Zo werd in 1948 het bevel tot de eerste Politionele Actie in Indonesie aan de verspreide troepen mede door postduiven bekend gemaakt. De postduivensport is tijdens oorlog of bezetting dus gewoon verboden, net zoals bijvoorbeeld schietverenigingen en de ballonvaart.”
Voor Haarlem ging dat trouwens niet op, want de enige schietvereniging van de stad bleef de gehele oorlog bestaan. Maar in dit geval is onbekend hoeveel leden ze had en hoeveel activiteiten ze ontplooide. Het voetbal heeft ook het nodige meegemaakt tijdens deze jaren. Omdat hier niet werd gevochten, dreigde het gevaar van verveling onder de soldaten. Gezien de politiek explosieve situatie met revolutiedreiging was de legerleiding bijzonder bevreesd voor de eventuele gevolgen. Het beste was om een bezigheid te verzinnen en de keuze werd gemaakt voor voetbal, omdat dat makkelijk was te organiseren.
Voor de eerste keer kwamen jongens en mannen uit de lagere sociale kringen en van het platteland in aanraking met deze sport, waar het nog niet was doorgedrongen. Dat beviel zo goed dat ze na afloop van hun soldatenjaren eigen clubs oprichtten, waar niet meer exclusief de hoogste sociale kringen zich in bewogen. En dat werd duidelijk met het nationale kampioenschap dat het Deventer Go Ahead in 1917 behaalde. Voor de eerste keer in Nederland won een volksclub deze titel. Opeens was voetbal dus een volkssport. Voetbal door oorlog.
Duiven en voetbal (Het volgende hoofdstuk) – Uit het veld maart 2000
Vorige week stond mijn NRC-artikel over duivensport in de Eerste Wereldoorlog in ‘Uit het veld’. Sofie Verbeke uit Belgie stuurde daarop een gedeelte uit het boek ‘Passendale 1940-1945′ van G. Versavel, waarin specifieke richtlijnen staan in verband met de Belgische duiven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 17 juni 1940 verscheen een verordening waarbij de reisduiven geteld dienden te worden. Het verslag moest op een formulier worden opgesteld in het Nederlands en het Duits. Op 17 september 1940 moesten op bevel van de Bevelhebber van Belgie en Noord-Frankrijk de lijsten der reisduiven regelmatig bijgehouden worden en in de eerste maand binnengestuurd worden.Tien dagen later volgden nieuwe verordeningen nopens het houden van reisduiven: ‘Iedere duivenliefhebber moet binnen de 48 uur een degelijk ingevulde hoklijst op het gemeentehuis binnenbrengen.’ Verder moest iedere wijziging op het hok onmiddellijk aan de burgemeester kenbaar worden gemaakt.Tot slot volgde op 17 oktober 1940 Verordening Nr. 11.401: ‘De gemeente wordt verzocht gevolg te geven aan de omzendbrief van 4 oktober betreffende het binnensturen der hoklijsten der reisduiven.’ Verbeke schrijft verder dat wederom is aangetoond hoe merkwaardig en moeilijk de rol is geweest van duivensport in oorlogstijd. Ik kan niet anders dan daar volkomen mee instemmen.
(De nieuwsbrief over sportgeschiedenis Uit het veld wordt verzorgd door Jurryt van de Vooren. Men kan zich hier gratis op abonneren door een mail te sturen naar:jurryt@xs4all.nl)
Meer artikelen door Philip Vos:- De keizerskwestie
- De eerste Marokkocrisis (1905)
- Empire in the mind
- Sinterklaas: man achter de baard
- Mata Hari, ‘onze’ beroemdste spion
Vind ons ook hier: