Interview gouden Olympiër Booij

Minke BooijTopsporters worden vaak als hard, egoïstisch en wereldvreemd getypeerd. Toch is dat zeker niet altijd zo. Ex-tophockeyster Minke Booij, die goud won tijdens de Olympische Spelen in Peking (2008), zet zich bijvoorbeeld in voor goede doelen als Spieren voor Spieren en het Liliane Fonds. Een interview met Booij.

Denken kan heel storend zijn in de sport. Als ik niet nadacht was ik eigenlijk op mijn allerbest”

Ex-hockeyster Minke Booij behoort met haar gouden medaille die ze behaalde tijdens de Olympische Spelen van Peking tot de elite van de Nederlandse en Internationale topsport. Weinig mensen bezitten immers zo’n prestigieuze Olympische medaille. Daarnaast haalde ze ook nog zilver op de Spelen in Athene (2004) en brons in Sydney (2000). In 2006 werd Booij zelfs tot beste speelster ter wereld uitgeroepen. Naast haar indrukwekkende sportcarrière studeerde Booij bedrijfscommunicatie en PR. Ook zet ze zich in voor verschillende goede doelen. Een gesprek met Booij over de hardheid van topsport, intuïtie en rationaliteit, het belang van coaching, in een flow raken, toeval in de sport en de maatschappelijke waarde van haar gouden plak etc.

Wat doe je tegenwoordig allemaal?

Booij: “Ik werk bij de Lotto. Ik zit daar op de afdeling Sport en Goede Doelen. Ik houd me bezig met de partijen die geld krijgen van de Lotto. De Lotto is een stichting die geld verdient voor de sport. 70% van onze netto winst gaat naar NOC/NSF. Die verdelen dat weer over 76 aangesloten sportbonden. Ik houd me vooral bezig met deze sportbonden, die daar ook wat voor terugdoen: exposure (het merk Lotto uitdragen op evenementen en in hun communicatie).”

Lotto“De Lotto is een heel leuk balspel waarmee je miljonair kunt worden, maar de opbrengst en de winst onder aan de streep komen ten goede aan de breedtesport en de Topsport. Ik werk daar vier dagen in de week.”

“Daarnaast heb ik nog allerlei nevenactiviteiten: Speakers Academy, mensen motiveren en inspireren wat betreft samenwerken en ambities hebben plus doelen stellen en succesvol zijn. Dat kan op elk vlak. Ik heb ervaring in succesvol zijn in de sport. Dat is best te vertalen naar het bedrijfsleven en dat soort zaken. Er zijn zeker verschillen, maar er zijn ook overeenkomsten. Zo kun je misschien van elkaar leren. Ik ben voor presentaties in te huren, maar ook voor evenementen en als dagvoorzitter op congressen. Dat doe ik er allemaal bij als mijn agenda het toelaat. Rondom de Spelen waren er veel organisaties die iets met een oud-Olympiër wilden doen. Toen had ik het even heel druk. Ik ben veel van huis geweest terwijl ik ook moeder ben. Ik wil namelijk ook graag tijd met mijn kindje doorbrengen. Ik probeer dat allemaal goed te managen. Hahaha.”

“Ik ben ook nog ambassadeur voor een aantal goede doelen die met name gericht zijn op kinderen met beperkingen: Spieren voor Spieren en het Liliane Fonds (staat allemaal op mijn website).”

“Ik vind veel dingen leuk als het maar een link heeft met sport, gezond leven, bewegen en kinderen. Als het in de buurt van Den Bosch is, wil ik het graag doen. Sport en gezond leven zijn voor mij de basis, net als het inzetten voor kinderen die niet de mogelijkheden hebben die ik ooit gehad heb.”

“Als je geboren wordt met een bepaalde beperking of in het leven een handicap hebt opgelopen dan kan het namelijk zo zijn dat bepaalde dromen voor kinderen in duigen vallen. Toch is er altijd nog veel dat wel kan. Het mooie aan Spieren voor Spieren en het LilianeFonds is dat zij laten zien dat er toch nog wel mogelijkheden zijn. Daar hebben ze echter wel bepaalde middelen voor nodig.”

“Als jij niet kunt lopen en je woont in een ontwikkelingsland wordt alles echt een klus natuurlijk. Als je dan een rolstoel, krukken of prothesen krijgt dan is zo’n kind zo ontzettend geholpen. Dat is gewoon heel mooi om te zien.”

Hockey je tegenwoordig nog ?

Booij: “Nee, ik kom nog wel veel op mijn oude club (HC Den Bosch) en geef veel hulp aan dames 1 (de topsporters). Ik help met name op het gebied van facilitering: wat hebben ze financieel gezien nodig, maar ook wat betreft de randvoorwaarden als auto, huis, studies, advies, ondersteuning etc. Ik ga heel veel kijken. Ik vind het vooral leuk om op zondag met vriendinnen langs de lijn te staan en mijn kindje om me heen te zien spelen. Dan hoef ik zelf niet ook nog een uur op het veld te staan. Mijn vriend is hockeycoach en dus ga ik ook veel bij hem kijken.”

”Ik sport tegenwoordig te weinig. Het zou wel gezond zijn om als topsporter wat af te trainen. Dat heb ik in het begin ook wel gedaan, maar toen ik zwanger raakte, was dat vrij snel voorbij. Binnen een half jaar was het toen over. Maar aftrainen is met name belangrijk voor (duur)sporters die tijdens hun carrière een buitenproportioneel lichaam hebben gekregen zoals marathonlopers of wielrenners. Zij kunnen een buitensporig groot hart ontwikkelen terwijl turners of zwemmers een overontwikkeld bovenlijf kunnen krijgen. Bij hockeyers valt dat wel mee. Je moet er daarbij wel op letten dat je niet meer calorieën inneemt dan je verbrandt. Ik eet daarom dus ook een stuk minder dan ik deed toen ik nog sportte. Daar moet je wel op letten. Ik ben sindsdien daarom ook niet veel zwaarder geworden. Dat scheelt.”

Coach je zelf een team of ben je van plan het te gaan doen?

Booij: “Ik vind coaching wel heel leuk, maar dan meer in de zin van personal coaching, niet zozeer hockeycoach. Ik vind het te weinig interessant om me met de tactiek en de techniek van het spel bezig te houden als ik zelf niet speel. Daarom geef ik ook steeds minder clinics.”

“Maar ik vind het wel heel interessant om te kijken waarom het de één wel lukt om het beste uit zichzelf te halen en de ander niet.”

“Ik heb zelf  tijdens mijn weg naar succes bij veel meiden van mijn leeftijd gezien dat sommigen het wel haalden en anderen weer niet. Soms heeft dat gewoon met keuzes te maken. Dan heeft iemand gewoon geen zin meer. Dat is prima. Maar soms heeft het er ook mee te maken dat iemand gewoon niet in staat is om op het moment dat het spannend wordt het best uit zichzelf te halen of dat ook ontvlucht. Dat vind ik jammer. Zoiets kan door spanning komen. Daar heb ik zelf ook heel veel last van gehad moet ik zeggen.”

Hoe heb je dat opgelost?    

Booij: “Door daar heel veel met mensen over te praten en deskundigen op te zoeken die me daarbij konden helpen. Dat werkte bij mij echt goed. Bij mental coaching denken mensen dat je op een divan moet gaan liggen bij een mental coach en dat je al je jeugdtrauma’s er uit moet gooien, maar dat is niet mental coaching. Dergelijke dingen kunnen wel een rol spelen en heel effectief zijn, maar mental coaching is eigenlijk meer bedoeld om te leren wat het met je lichaam doet als je onder spanning komt. Het herkennen is al een eerste stap.”

“Ik heb na een finale meisjes gesproken waarbij het leek of ze er mentaal helemaal niet bij waren. Dat beseffen ze dan helemaal niet. Het begint met herkennen waarom je je vreemd of gek voelt. Waarom voel je je in grote finales bijvoorbeeld niet als op een training of bij een normale wedstrijd? Waarom gaat je hartslag omhoog en begin je te zweten? En waarom is het soms dat je naar jezelf kijkt in plaats van dat je actief deelneemt aan het spel? Je moet herkennen dat zoiets door spanning komt. Je moet je dan afvragen wat je kan doen om je hartslag weer omlaag te brengen en negatieve gedachten uit je hoofd te krijgen. Ik kreeg hele negatieve gedachten in mijn hoofd en dacht dan aan wat er kon gebeuren als dit of dat zou plaatsvinden. En als er dan maar niet … etc. Dat soort gedachten maken je niet sterker.”

“Hoe kun je er dan voor zorgen dat je op een andere manier tegen jezelf gaat praten en je op een wedstrijd voor kunt bereiden zonder angst te hebben en gewoon zin krijgt om te spelen. Dat is de vraag. Ik was immers ooit begonnen met hockeyen omdat ik het zo leuk vond. Ik genoot toen van de spanning en vond het geweldig om wedstrijdjes te spelen. Dat was op een gegeven moment echter helemaal weg. Dat is natuurlijk niet ok. Ik speelde alleen nog maar om te winnen en om doelen te bereiken. Daarvoor was ik vroeger echter niet begonnen met hockeyen. Dat is zo zonde. Ik vind het jammer als sporters zo ver wegdrijven van wat ze zo leuk vinden aan het spel: het samen zijn met de overige meiden en het gezamenlijk een wedstrijd spelen.”

Hoe reduceer je die spanning en hoe breng je effectief je hartslag omlaag?

Booij: “Je hartslag kun je omlaag brengen met ontspanningsoefeningen en soms helpt het ook om je op andere dingen te richten. Maar dat is voor elke topsporter anders want ik heb ook sporters gesproken die vonden dat ze hun hartslag juist heel hoog moesten zien te krijgen. Als je dat prettig vindt en je voelt dat dat je sterker maakt dan is dat uiteraard prima.”

“Wat ik geleerd heb, is dat je een soort spanningsboog hebt en het is de kunst om op de top daarvan te zitten. Sommige sporters zitten er onder en sommigen zitten er overheen. Ik zat er altijd overheen, dus ik moest terug. Je hebt ook sporters die er altijd onder zitten dus die moeten zich voortdurend oppeppen. Op de Spelen in Londen heb ik dat allemaal van dichtbij gezien bij het judo. Dan staan ze in een halletje te wachten totdat ze op de mat mogen. Het is zo grappig om te zien dat de ene sporter een soort meditatie doet, op zijn knieën gaat zitten met zijn ogen dicht, en een handdoek over zijn hoofd gooit, terwijl een ander zich juist op zijn gezicht en spieren slaat (of dat door zijn coach laat doen).

Ik zeg niet welk van deze methodes goed of fout is, alleen is het wel belangrijk dat je zelf weet wat goed is voor jou als sporter. Je moet als topsporter namelijk zeker weten dat wanneer je coach je in je gezicht begint te slaan je daar ook echt sterker van wordt en niet bloednerveus of geïrriteerd van raakt. Dat heeft met je persoonlijkheid en ervaringen te maken en ook met wat voor jou werkt en wat je prettig vindt. Het zijn ingewikkelde processen die je vertrouwen moeten geven. Het is wel leuk en interessant om daar naar te kijken en er met sporters over te praten. Ik heb daar geen achtergrond in en heb daar ook geen studie in gevolgd, dus weet ik niet precies hoe dat soort dingen werken, maar bewust zijn van wat je aan het doen bent en je afvragen waarom je de dingen doet die je doet, is wel heel interessant. Dan zie je vaak dat iemand bepaalde dingen heel goed kan terwijl andere dingen altijd mis gaan. Sommige mensen krijgen bijvoorbeeld altijd ruzie. Daar kun je iedereen de schuld van geven, maar uiteindelijk kom je toch bij jezelf uit. Hahaha.”

Fatima Moreira de MeloJe collega Fatima Moreiro de Melo hoorde ik een keer zeggen dat zijzelf extravert is van karakter en jij meer introvert. Daarom is zij naar eigen zeggen in het leven en bij het hockey aanvaller en jij verdediger? Klopt dat? Bepaalt je karakter je instelling in het leven en je plaats in het veld?

Booij: “Dat klopt niet helemaal. Ik ben ook meer extravert, maar begrijp wel wat ze bedoelt. Fatima is inderdaad iets extraverter dan ik en doet meer op gevoel en intuïtie terwijl ik veel rationeler ben. Wat ze ook bedoelt, is dat zij een creatieve aanvaller is. Zij ging risico’s aan terwijl ik heel erg een houding heb van afspraak is afspraak. Dat is het verschil tussen ons. Ik ben heel erg van de controle en basis en structuur etc. Zij is veel meer de chaoot die lekker creatief en impulsief wil zijn en gewoon wil doen wat er in haar hoofd opkomt. Dat is een mooie combinatie en ook wel een kenmerk van aanvallers. Ik ben een controle-freak en dat is echt een kenmerk van verdedigers. Die willen graag afspraken hebben. Ik heb geleerd dat het in de verdediging handig is als je afspraken hebt en structuur aanbrengt. Het is alleen de vraag in hoeverre dat uit mezelf komt en in hoeverre ik dat geleerd heb? Dat zijn ingewikkelde vragen.”

“Soms heb je er ook mee te maken dat je op een bepaalde positie in het veld komt te staan omdat je nu een maal bepaalde technische of fysieke capaciteiten voor andere posities niet hebt. Ik was niet snel en niet handig genoeg dus ging ik naar achteren. Het is een combinatie van facetten, maar Fatima heeft wel gelijk: aanvallers zijn veel vaker creatief, chaotisch en impulsief. Dat geldt niet voor iedereen, maar je ziet het wel heel vaak. Ik heb ook wel spelers meegemaakt die eigenlijk van nature echte aanvallers zijn en graag risico willen nemen, maar op een gegeven moment door hun fysieke en technische kwaliteiten toch achterin kwamen te staan. Die hebben daar wel een klus aan in het begin en blijven de eerste tijd nog gewoon gedurfde acties maken. Maartje Paumen is daar een mooi voorbeeld van. Zij is helemaal niet zo’n verdediger van nature. Zij wil heel graag acties maken en risico nemen etc. Ze wil altijd heel graag scoren. Dat is het ego dat in aanvallers zit. Die willen heel graag in de spotlights staan. Dat had ik zelf niet zo. Ik vond het prima om achterin het vuile werk op te knappen voor anderen. Ik wilde wel erkenning en waardering, maar niet meer dan dat. Maartje Paumen staat nu achterin en heeft gemerkt dat je sober verdedigen kunt leren. Je kunt namelijk alles leren. Ik zelf moest juist leren om meer risico te nemen. Dat is me ook wel gelukt. Anders wordt het ook heel saai als je altijd maar het zelfde doet. Dan word je een soort robotje.”

Wat is het goede aan risico nemen als verdediger?

Booij: “Dan wordt het spel sneller en geef je bijvoorbeeld eens een pass die niemand verwacht en die vervolgens bij een spits uitkomt die vrij voor de goal staat. In het verleden durfde ik zo’n bal nooit te geven en dan passte ik altijd naar de zijkant. Toen ik wat ouder werd, meer zelfvertrouwen kreeg, en mijn technische kwaliteiten vooruit gingen, wist ik gewoon dat ik die bal kon geven. Dat moet je gewoon een paar keer doen. Ik mocht vroeger nooit fouten maken van mijzelf, maar dat is niet goed. Het mag best, anders word je niet beter. In een finale is het echter niet zo handig om zoiets te doen. Hahaha. Dan kun je het beter achterwege laten, maar zelfs op een training mocht ik niet falen van mijzelf. Ik wilde alleen maar doen wat ik goed kon en dan word je niet sterker. Je moet ook af en toe proberen om iets nieuws te proberen. Onze coach Marc Lammers was daar goed in. Hij probeerde me daar ontzettend in te prikkelen. Hij kwam steeds met nieuwe dingen waarna ik weer in de remmen ging. Ik wilde het eerst meestal niet doen, maar deed het uiteindelijk toch. Hahaha.”

Jan MulderIs coaching dus echt nuttig volgens jou? Jan Mulder heeft wel een gezegd dat een coach eigenlijk alleen moet zorgen dat de bus op tijd vertrekt. Jij denkt daar dus anders over?

Booij: “Ja, voor mij was coaching wel degelijk nuttig. Ik kan me voorstellen dat briljante spelers als Messi zeggen: ‘laat mij maar gewoon gaan’. Prima. Maar ik had het echt wel nodig om gestimuleerd en uitgedaagd te worden. Ik was van mezelf ook een tikkeltje lui en had iemand nodig die me af en toe achter de vodden zat. Daardoor ben ik echt uit mijn comfort zone gekomen en een veel betere hockeyer geworden dan iedereen ooit verwacht had.”

“Ook in de wedstrijd zelf helpt coaching volgens mij zeker. Ik kon mezelf namelijk echt verliezen in de adrenaline en de emotie van het spel. Dan had ik een rustpunt aan de kant nodig die af en toe zei: ‘ho ho, doe even rustig’. Hahaha. Dat hoeft niet altijd van de hoofdcoach te komen. Het kan ook een medespeelster, fysiotherapeut of vertrouwenspersoon zijn die in het begeleidingsteam zit en die even met een blik duidelijk maakt dat je rustig moet zijn. Dat is goed. Hahaha.”

“Dat wat Jan Mulder zegt over coaching vind ik dus echt te simpel. Ik ben het daar dus niet mee eens. Ik ben het trouwens vaker niet dan wel met Jan Mulder eens. Hahaha. Maar ik vind hem wel heel leuk hoor. Topsport is volgens mij ook sterk veranderd sinds hij op hoog niveau voetbalde. Dat idee heb ik wel.”

Mis je de topsport nog wel eens?

Booij: “Meestal niet. Ik mis de heftige emoties en de enorme spanning die ik voor mezelf kon opbouwen helemaal niet. Ik was op de Spelen in Londen aan het kijken naar de hockey-meiden. Dan zie ik ze inlopen en komt bij mij de spanning die ik had als speelster ook weer op. Omdat ze vrij veel hetzelfde doen als wij voel ik het ook allemaal weer. Dan zeg ik echt tegen mezelf: ‘Mink rustig want je hoeft het veld niet in. Dan krijg ik een golf van verlichting over me heen en denk ik ‘oh ja, heerlijk, ik kan hier gewoon gaan zitten.’ Dat zenuwen-gedoe mis ik dus niet. Ik heb nu een heel ander leven waarvan ik heel erg geniet: met een kindje en werk. Lekker een biertje en een wijntje drinken wanneer je er zin in hebt.”

“De topsport is namelijk ook een keurslijf. Daar wilde ik niet uit omdat ik er zelf voor had gekozen. Maar op een gegeven moment begon dat wel steeds meer te knellen. Ik merkte na twee tot vier weken met zo’n team op pad te zijn dat ik echt weer behoefte had om mijn eigen leven te leiden en zelf mijn plan te trekken.

“Ik merk dat het huidige Nederlands team ook heel erg aan elkaar blijft hangen. Op Twitter kan ik ze volgen en dan hebben ze het alleen maar over elkaar. Ze zoeken elkaar continu op. Dat had ik aan het eind va mijn carrière helemaal niet meer en wilde ik ook niet langer. In de laatste jaren had ik daar geen zin meer in. Dan dacht ik: even niet die meiden. Ik vind het leuke meiden hoor. We hebben zo veel gedeeld en het is altijd leuk als ik ze zie. We hebben een hele hechte band, want dat is wat succes ook doet. We hadden laatst een reünie van het team uit 2006 en dat was super leuk. Je hebt immers zo veel heftige dingen met elkaar meegemaakt. Dat is echt heel mooi en daar ben ik ook heel dankbaar voor. Ik vind het heel gezellig om weer samen te zitten, te kletsen en mooie herinneringen op te halen. Maar ik vind het ook weer heerlijk om het achter me te laten en me te richten op andere dingen. Het sportleven is namelijk ook een heel eenzijdig bestaan, Je bent zo op jezelf gericht en zo bezig met fit zijn en mentaal sterk wezen. Ik voelde namelijk veel verantwoordelijkheid voor het team en vond dat ik allerlei dingen moest doen. Ik moet namelijk altijd nogal veel van mijzelf. Dat is nu gewoon wat minder geworden en dat vind ik wel prettig.”

Topsporters moeten vaak individualistisch, egocentrisch en hard zijn. Jij zet je echter ook in voor allerlei goede doelen. Is er een overeenkomst aanwezig tussen de topsport en je werk voor goede doelen of helemaal niet?

Booij: “Ik was wel heel hard en egocentrisch voor mijzelf, maar zat natuurlijk ook in een team. Ik moest altijd wel om mij heen kijken. Dat geldt overigens ook voor individuele sporters, want die hebben ook meestal een coach en hun mensen om zich heen.”

“Als topsporter heb je te maken met een golfbeweging: je bent heel erg op jezelf en daarna weer heel open naar je begeleiders toe etc. Dat gaat maar door. Ik wilde wel altijd het beste uit mijzelf halen en dat ook graag delen. Daarnaast wil ik mensen ook graag helpen om te kijken hoe ze het beste uit zichzelf kunnen halen. Ze hoeven echt niet de top te bereiken of heel succesvol worden. Het is meer dat je voor jezelf het gevoel hebt: ik doe goede, mooie dingen en ben een goede, lieve moeder. Dat heb ik ook met die goede doelen. Dat wil ik met andere mensen delen. Ik wil graag mensen inspireren. Ik ben heel dankbaar voor alle mogelijkheden die ik heb gekregen en ben me heel erg bewust dat veel kinderen die mogelijkheden niet hebben. Als ik daarom anderen iets kan geven wat het voor een kind ietsje makkelijker of leuker maakt, dan doe ik dat graag. Dat heeft te maken met het gevoel dat je altijd iets meer kunt doen. In de sport heb je dat soms in het extreme: dan moet je van jezelf steeds harder trainen. Dat is ook niet altijd goed, dus moet je op tijd weer je rust nemen en zeggen: ‘het is nu even goed genoeg’. Topsporters zijn vaak zo streberig en ambitieus dat je jezelf daar ook helemaal gek mee kunt maken. Ik kon net doen alsof de wereld verging als we verloren. Dat gedrag was toch een tikje overdreven besef ik nu.”

Ik herinner me dat je eens een bal hard op je oog had gekregen met een breuk tot gevolg. Dat leek je niet veel te doen, maar in de documentaire Goud, over jullie weg naar de Wereldtitel, zag ik jou en andere speelsters soms ook in tranen over een verschil van mening met iemand etc. Zijn mentale zaken in de topsport vaak moeilijker te dragen dat fysieke kwalen?

Booij: “Ik heb wel vaker dan één keer een bal op mijn hoofd gehad. Hahaha. Fysiek is het tophockey uiteraard pittig. Met zo’n bal op mijn oog ging ik op mijn eigen manier om: stoer dus. Niet huilen en er gewoon overheen stappen. Dat was altijd mijn manier om met zulke dingen om te gaan. Ik heb inmiddels ook wel geleerd dat dat niet altijd functioneel is. Hahaha. Maar op dat moment hield me dat goed staande.”

“Maar inderdaad, bij mij hakte dat mentale er inderdaad meer in dan het fysieke aspect.Ik zie sport als iets heel simpels. Je hebt vier dingen die je goed moet verzorgen: techniek, het tactische spel op het veld, je fysiek en het jezelf goed mentaal verzorgen. Het is namelijk nogal wat waar je mee bezig bent. Je bent topsporter van laten we zeggen je 15e tot je 30ste (soms korter/ soms langer). Ik ben begonnen met hockeyen op mijn 7e en op mijn 15e ben ik gestart met een traject richting Nederlands elftal. Dat is een periode waarin je volwassen wordt en waarin je levenskeuzes maakt. Heel veel mensen trouwen en krijgen kinderen in die periode. Ik had een topsport-leven met selectie-procedures en mensen die zeggen dat je niet fit, te zwaar of niet goed genoeg bent. Dat is best heftig en confronterend in die levensfase. Je moet daar allemaal maar goed mee zien om te gaan en het tot een goed einde zien te brengen. Ik ben daar veel sterker uit gekomen. Ik heb er ongelofelijk veel van geleerd en ook heel veel plezier gehad in die tijd. Ik heb er veel aan te danken. Het heeft me echt gevormd. Absoluut.”

“Natuurlijk vormen ook andere dingen je. Mijn moeder overleed ook in die tijd. Toen was ik 18. Dat was super heftig. Ook omdat ik toen in dat topsport-leven zat. Ik ben er toen ook even uit geweest. Niet uit eigen keuze overigens. Dat liep toen zo en het is ook wel goed voor me geweest om een bewuste keuze te maken over wat ik nu eigenlijk wilde. Toen bleek echt dat ik wilde sporten. Vervolgens ben ik dat gaan doen met uiteindelijk Olympisch goud als ultiem succes.”

“Dat tophockeytraject is een trein die maar door rijdt en waar je per se op wilt blijven zitten. Je houdt je er krampachtig aan vast. Dat heeft me alles gebracht en het was echt fantastisch, maar ook heftig. Ik heb daar gelukkig hulp bij gekregen door middel van mental coaches etc. Je mag jezelf immers niet vergeten in de tussentijd. Het moet echt wel goed begeleid worden. Ik heb daar ook best veel meiden op zien stranden. Die trokken het echt niet. Ze vielen dan buiten de selectie of kregen van hun coach te horen dat ze niet goed genoeg waren. Dat maakten mijn vriendinnetjes van toen die niet aan topsport deden echt niet mee. Die hadden een introductie-week bij hun studentenvereniging en dat vonden ze al heel heftig. Dat is ook heftig, maar topsport is dat continu: je hoort er de ene keer wel bij en dan weer niet etc.”

Leontien van Moorsel“Anky van Grunsven, Leontien van Moorsel en Inge De Bruijn zijn de meest succesvolle Nederlandse Olympische dames. Ze beweerden onlangs in een tijdschrift dat ze nooit mental coaching gehad hebben, maar vervolgens ging het in het artikel alleen maar over de mental coaching die hun begeleiders of partners hen gaven. Ze hadden mentale begeleiding gevonden bij hun partner, coach etc. In ieder geval was het iemand in hun directe omgeving die dat deed. Ze willen er  duidelijk niet van ‘verdacht’ worden dat ze op de divan bij een psycholoog of psychiater liggen. Ik snap dat wel, maar vind het wel zonde. Zo blijft het een taboe en wordt het nooit normaal om mental coaching te zoeken etc.”

“Henk Grol is daar ook een goed voorbeeld van. Hij is zo’n goede judoka: technisch, tactisch en fysiek is hij geweldig. Eén schakel mist er volgens mij en dat is die mental coaching. Waarom roept hij in zijn situatie geen mentale begeleiding in? Dat vraag ik me dan zo af. Ik vind het wel zonde. Ik snap niet waarom je je zelf fysiek zo uitput en het mentale gedeelte laat liggen. Maar het enige wat hij zegt als het mentaal niet goed gaat, is dat hij nog harder moet trainen. Misschien moet hij juist iets minder hard trainen. Wellicht is dat de oplossing… ”

Soms wordt over topsport gezegd dat het een soort metafoor is voor het leven. Beiden zijn  “snoeihard en oneerlijk”. Wat denk jij als ex-topsportsters van deze uitspraak uit de wielerwereld?

Booij: “Ja, uiteindelijk klopt dat wel. Alleen hoop ik altijd toch nog een beetje dat je zelf ook heel veel invloed hebt en dat als je goed traint je iets kunt bereiken. Je moet natuurlijk wel een bepaalde mate van aangeboren talent hebben, want succes is niet helemaal maakbaar. Maar als ik naar mezelf kijk: ik was in de Nederlandse jeugd echt niet degene met het meeste talent hoor, maar ik wilde gewoon heel graag. Ik heb kei- en keihard getraind en heb er altijd voor gezorgd dat de coach niet om me heen kon. Ik geloof er ook nog wel in dat je zelf wel wat invloed hebt op het geheel. Al heb je niet het grootste talent dan kun je toch door heel fit te zijn, keihard te werken en het heel graag te willen, ver komen.”

Wat is belangrijker in de topsport: je aanleg, je mentaliteit, hard werken of het vermogen om dingen te leren?

Booij: “Bij mij was dat het harde werken en de mentaliteit. Maar het begint natuurlijk wel met een basis van een bepaalde fysieke mogelijkheid. Ik zat fysiek super-goed in elkaar. Ik heb nooit echt ernstige blessures gehad als gewrichtsproblemen etc. Zo’n bal op mijn oog en andere dingen waren meer ongelukjes. Met die goede fysiek begint het net als met een bepaald baltalent en een goede oog-hand-coördinatie. Ik zie het nu ook bij mijn kindje dat die nooit mis slaat. Als ik andere jongetjes van zijn leeftijd zie hockeyen of voetballen dan hebben die dat talent veel minder. Mijn zoontje van 2,5 pakt een hockeystick en slaat simpel een balletje weg. Andere kindjes bij hem op de peuter-groep doen dat nog niet. Dat ligt aan een bepaalde motoriek en oog-hand-coördinatie die je ook in het top-hockey moet hebben. Voor andere sporten als wielrennen en turnen heb je weer andere talenten nodig: fysiek, kracht, snelheid en explosiviteit.”

“Er zijn heel veel kinderen die die basis hebben. Op een leeftijd van 12-13 zijn er heel veel kindjes die op sportief gebied en met name hockey heel ver kunnen komen. Dan gaat het er om wie heel graag wil. Dan bedoel ik echt het kind zelf en niet de ouders. Ik spreek nu immers heel veel topsportende kinderen en hun ouders, waarbij ik heel vaak zie dat de ouders veel liever willen dan het kind. Het kind moet het echter zelf ook graag willen. Ik wilde het echt zelf. Ik wilde echt zelf de allerbeste zijn. Mijn vader dacht in het begin zelfs nog: ‘zo veel talent heeft ze niet. Ik hoop maar dat ze het leuk vindt.’ Ik heb gezorgd dat ik op het gebied van de talenten die ik had de aller, allerbeste werd. Ik kon een aantal dingen namelijk uitmuntend. Die kon ik dan ook zo goed waardoor ik er mee opviel. Ik heb vervolgens het beste uit mijn talenten, en dat wat me gegeven was, gehaald.”

“Je kunt echter niet alles ontwikkelen. Ik kon bijvoorbeeld niet zo heel goed tennissen, maar was wel heel erg fanatiek. Toch hield het een beetje op wegens een gebrek aan talent. Dat heeft ook te maken met je vermogen om nieuwe dingen te leren.”

“Clinics (kinderen hockey leren) doe ik steeds minder Dat komt omdat ik het niet meer zo leuk vind om op het veld te staan. Ik vind het wel heel leuk om met mensen te praten, maar met hockey mensen techniekjes aanleren daar heb ik niet zoveel mee. Daar had ik zelf als sporter ook al niet veel mee. Hahaha. Daar zijn anderen weer heel goed in. Dat moeten zij dus maar doen. Ik denk dat kinderen die echt veel talent hebben ook veel zelf leren. Dat gaat automatisch. Techniek bijbrengen helpt daarom maar tot op zekere hoogte. Het zal je niet naar de top brengen. Het gaat er veel meer om of ze het echt willen. Daarna komt die goede training vanzelf wel. Als je op een bepaald niveau komt, krijg je namelijk altijd goede training. Ouders die vinden dat hun kind al heel vroeg weg moet bij een club of heel veel sportkampjes en clinics moet doen, zijn volgens mij niet goed bezig. Dat moet je alleen doen als de kinderen het echt leuk vinden en echt willen, anders helpt het niet. Ik zeg altijd tegen kinderen: creëer je eigen manier. Doe het op je eigen wijze. Doe wat goed voelt. Intuïtie is daarbij waarschijnlijk ook een talent. Dan voel je meteen hoe je dat moet doen. Begin dus met een goed gevoel. Dat is belangrijk. Ik zelf wilde gewoon een bal afpakken. Daar begon het bij mij mee. Ik had niet eens techniek, maar wilde gewoon die bal hebben. En dan had ik hem ook. Uiteindelijk ben ik ook gaan leren hoe het echt moest.”

“Toen ik dat ging leren ging het eerst veel slechter. Dat is vaak zo. Hahaha. In eerste instantie ben je bewust onbekwaam. Dan kun je iets gewoon niet. Als baby kun je niks (niet lopen en praten etc.) Dan ga je dat leren. Ook als sporter doe je soms bepaalde dingen onbewust niet goed. Als je eenmaal weet dat je het niet kan, ga je het vervolgens leren, maar dan wordt het vaak minder. Als je met iemand tennist en diegene zegt dat je een hele goede forehand hebt, dan ga je er op letten wat je aan het doen bent en dan gaat het vaak helemaal mis. Dat kan eerst erg nadelig werken. Pas later word je er sterker van.”

Denken kan dus heel storend zijn in de sport?

Booij: “Ja, heel storend. Als ik niet nadacht was ik eigenlijk op mijn allerbest want als je gaat nadenken over wat je eigenlijk aan het doen bent dan kun je makkelijk in de war raken. De normaliteit en spontaniteit verdwijnt dan. Het mooiste is als je onbewust bekwaam bent. Dat je dus eigenlijk niet eens weet waar je mee bezig bent, maar het toch gewoon goed doet. Dan wordt het routine en speel je op intuïtie. De bewegingen zitten er dan gewoon goed in. Hup, bam. Soms heb je dat van nature, maar er komen altijd momenten dat je dat moet bijschaven. Er komt immers altijd een tijd dat je moet gaan denken over wat je eigenlijk doet.”

Waarom gaat het eigenlijk minder als je er over gaat nadenken?

Booij: “Omdat je er dan bewust van wordt wat je doet en je gaat afvragen of hetgeen je doet eigenlijk wel goed is en of het misschien anders moet. Dan komt er vaak twijfel. Eigenlijk is dat helemaal niet erg omdat je daar ook weer beter door wordt. Maar dan moet je er wel voor zorgen dat je er zo goed in wordt dat je onbewust bekwaam wordt, zodat je het op een gegeven moment weer gewoon spontaan doet. Anders werkt het niet.”

Als je twijfelt, gaat de handelingssnelheid ook omlaag toch?

Booij: “Ja, natuurlijk. Dat is funest in de topsport. Zeker. En angst komt daar vaak bij kijken. Doe ik het wel goed? Moet het misschien anders? Dat ga je je dan afvragen. Eerst ben je een talent en dan roept iedereen dat je fantastisch bent. Dat is lekker om te horen en zorgt voor een fantastische tijd, maar er komt ook altijd een moment dat het verwachtingspatroon omhoog gaat. Daarna komt er een moment dat je dat ook van jezelf gaat verwachten en je er niet altijd meer aan kunt voldoen, mede omdat het verwachtingspatroon steeds omhoog gaat. Iedereen verwacht namelijk continu meer. En zelf verwacht je ook continu meer want je komt steeds op een hoger niveau.”

“Voor ieder talent komt er een moment dat je op je tenen moet gaan lopen of dat het effe niet meer gaat. Dat is het moment waarop je gaat zien wie het gaan redden en wie niet. Er zijn dan mensen die daarin blijven hangen, het niet aankunnen, er ongelukkig van worden of het ontvluchten. Maar je hebt ook altijd een paar mensen die op zo’n moment juist denken: ‘Oh, nu wordt het interessant. Bam.’ Die redden het. Zij gaan er mee aan de slag, houden zich een spiegel voor of zoeken naar mensen om zich heen die hen kunnen helpen. Die groep redt het.”

Denken en reageren echte topspelers en topspeelsters sneller in het veld dan matige spelers en andere stervelingen? Het voormalige hoofd van het wetenschappelijke laboratorium van AC Milan (Milan Lab), de Belg Jean-Pierre Meersseman heeft dat onderzocht. Volgens hem hebben toppers ook een groter blikveld dan middelmatige spelers.

Johan CruijffBooij: “Dat zou kunnen. Johan Cruijff heeft dat ook gezegd en volgens hem ben je daardoor ook intelligenter etc. Hij verbindt er allerlei conclusies aan. Je leert natuurlijk als topsporter wel dat je in een split-second een keuze moet maken. Zeker in sporten als hockey en voetbal, wat tactische spelletjes zijn, maken sommige spelers altijd de moeilijke keuze (ze zoeken het duel op) terwijl er andere spelers zijn, zoals ik vroeger, die altijd voor de makkelijke optie kiezen. Als er ruimte was, schoot ik vervolgens de bal daarheen.”

“Maar of topsporters ook echt sneller denken weet ik niet. Ikzelf kan wel redelijk snel denken. Maar of je dat dan geleerd hebt door het hockeyen of dat ik dat al had en dat dat in het hockeyen van pas kwam, weet ik niet. Dat vind ik lastig om te bepalen.”

Moet je beide soorten spelers hebben in een team?

Booij: “Ja, ik denk het wel. De moeilijke oplossing kan ook goed zijn. Het is altijd druk bij de goal dus daar bleef ik van weg. Voor een verdediger is het immers heel handig dat je weg hockeyt van de goal, maar voor een aanvaller is het niet altijd handig als je weghockeyt van het doel. Hahaha. Het mooiste team is altijd een combinatie van beiden, met hele uiteenlopende karakters erin. Dat is gewoon mooi. Als je dat tot een goed team weet te smeden en de spelers voor elkaar door het vuur gaan, elkaar het succes gunnen, maar ook de rotklussen voor elkaar opknappen, dan word je als team ongelofelijk goed. Daarbij is coaching heel belangrijk. Ik geloof niet in teams met één vedette waar de rest achteraan hobbelt. Nee, iedereen heeft een rol en een taak. Natuurlijk kun je wel vedettes hebben, maar pas met meerderen wordt het team succesvol. Iedereen moet goed weten wat zijn taak en bijdrage aan het team is. Als je je daar met elkaar op richt, word je een geweldig team. Dan blinkt ook iedere keer weer iemand anders uit. Dat is zo leuk.”

Had je in Londen nog actief willen zijn of helemaal niet?

Booij: “Nee. Ik zat daar nu dan ook heel ontspannen. Het was super leuk dat ik door allerlei partijen was uitgenodigd om mee te gaan. Ik vond het geweldig om het allemaal te zien, maar meedoen wil ik niet meer. Als ik het heel graag gewild had, had dat best gekund, maar dat was helemaal niet mijn ambitie.”

Je bent op de Olympische Spelen eerst derde, toen tweede en uiteindelijk eerste geworden. Daar zit een duidelijk opgaande lijn in. Hoe zie jij dat?

Booij: “Ja, mooi hè. Ik ben alleen maar vooruit gegaan. Dat is super. De eerste keer was ik piepjong (23) en kwam net kijken. Ik had een hele kleine rol in het team, stond rechtsachter en moest gewoon mijn taak uitvoeren. Maar ik was niet echt blij met brons in die tijd. Hahaha. Ik vond het geweldig dat ik naar de Spelen mocht en ons team ging voor goud, maar het liep gewoon niet. Dat was het ergste. Op zich is brons een fantastische medaille, alleen speelden we niet goed en ik zelf al helemaal niet. Ik raakte daar echt helemaal bevangen door de grootsheid van het evenement en de spanning. Daar ontwikkelde ik voor het eerst echt bewust faalangst. Ik wilde eigenlijk het veld niet in omdat ik zo bang was om fouten te maken. Dus voor mij was Sydney in die zin niet zo leuk omdat ik me daar niet zo lekker voelde. Ik ruik nog wel eens een geur die er ook in Sydney hing. Dat was een soort zure lucht die in het Olympisch dorp hing (dat uit een soort bouwketen bestond). Dan denk ik meteen met afgrijzen terug van ‘oh ja, dat was Sydney’.”

“In Athene, waar we zilver wonnen, was ik nog geen aanvoerder, maar wel al een belangrijke speelster. Toen hockeyden we fantastisch tot de laatste wedstrijden. We begonnen echt geweldig, maar tijdens het toernooi werd het steeds minder. Dat was zo zonde. Het stelde ons zo teleur dat we daar niet het beste uit elkaar hebben weten te halen en als team steeds minder werden. In Peking was dat juist andersom. Daar begonnen we veel moeizamer, maar bouwden we het echt met elkaar op en werden daarna beter en beter. Ik heb daar zelf lekker gespeeld, was aanvoerder van het team en had echt het gevoel dat ik samen met anderen grip, controle en verantwoordelijkheid op het team en het toernooi had. Ik had ook een goede verstandhouding met coach Marc Lammers en we waren het er over eens hoe we het allemaal gingen doen. In Peking kwam alles bij elkaar. Het was voor mij het perfecte toernooi. Ik heb zelf lekker gespeeld en het team ging als een speer. En zelfs toen gebeurden er ook nog genoeg dingen die mis gingen, maar dat deerde ons niet. Onverstoorbaarheid is ook iets dat een goed team typeert. Er kan dan van alles gebeuren, maar dat maakt dan niet uit. We waren met iets bezig en er ontstond een Flow.  Het is moeilijk om te omschrijven wat dat is, maar het heeft iets met onverstoorbaarheid te maken. Gewoon Eyes on the Prize en gaan.”

Kun je er zelf voor zorgen dat je in zo’n flow komt of moet dat spontaan ontstaan en kun je het niet sturen?

Booij: “Je kunt heel veel voorwaarden creëren die daarbij helpen. Je super goed voorbereiden is daarbij nummer één. Het geeft heel veel vertrouwen als je weet dat je het super-goed kan. Vertrouwen is heel belangrijk. Zeker voor mij. Ik kan namelijk nogal negatief tegen mezelf gaan praten op het moment dat het spannend begint te worden. Maar ik had in Peking zoveel vertrouwen dat mijn communicatie sowieso veel positiever werd. Dan weet je gewoon zeker dat het goed komt omdat we zo goed waren. Ik dacht destijds: ik ben goed, ik voel me goed, ik heb er zin in, ik heb het leuk hier en vind het fantastisch waar ik mee bezig ben.”

“Twee keer ben ik naar de Spelen geweest zonder er echt van te kunnen genieten omdat er van alles rondom het team gebeurde waar ik geen grip op had, wat ik niet begreep en wat ik heel moeilijk vond. In Peking had ik het daarentegen zo naar mijn zin en heb me vervolgens ook alleen maar daarop gericht. Ik wilde een keer naar de Spelen gaan om er echt van te genieten en om het leuk te vinden dat ik daar was. Voor mij hielp dat.”

“Dat heeft er ook mee te maken dat wij als team twee weken in zo’n toernooi zaten. Ik heb namelijk een keer met judoka Mark Huizinga gesproken en hij zei juist dat je niet moest genieten maar oogkleppen dient op te zetten. Dat komt doordat je bij het judo maar één dag hoeft te presteren. In die ene dag moet alles eruit. De judoka’s laden zich op en dan komt op de wedstrijddag de explosie eruit en dat is het dan. Dat kan bij hockey niet. Je moet die energie bij ons in twee weken verdelen. In Athene ging dat verkeerd terwijl we dat in Peking heel mooi hebben opgebouwd.”

Hoe kan dat eigenlijk zo verschillend uitpakken? In Athene startten jullie goed wat dan flow en zelfvertrouwen zou moeten genereren, maar toch ging het mis. Wat is daar dan de oorzaak van?

Booij: “Wat ook heel belangrijk is bij flow is ritme en routine. Je lichaam is gebaat bij ritme en routine. Soms is het goed om je lichaam te prikkelen als het iets anders moet gaan doen, maar in een flow moet je dat natuurlijk juist even niet doen. We zaten in Athene in een flow en het ging goed. Maar toen kregen we drie dagen vrij waarbij Marc en zijn begeleiding zeiden dat we maar even het dorp uit moesten gaan om te gaan genieten van de stad en omgeving. Ik ging het dorp uit en mijn vriend was daar ook op vakantie. Daardoor kwam ik in een soort vakantie-setting waar ik me helemaal niet lekker bij voelde omdat ik helemaal niet op vakantie was. Dat hadden we nooit moeten doen. We hebben er wel van geleerd en daardoor gingen we later na Athene bij elk toernooi op vrijdag altijd even trainen en ons voorbereiden op de volgende wedstrijd. Dat stramien hebben we vervolgens altijd vastgehouden. We wilden in het ritme blijven. Als je gewend bent elke dag te trainen, moet je dat op het moment dat je dient te presteren ook doen. Dat is namelijk wat je gewend bent. Bij het zwemmen heb je de tapering off, maar dat is een hele andere sport. Bij ons is er de wedstrijddag en vervolgens trainen. In Athene was het programma anders en hebben we dat niet gedaan. Dat heeft toen de hele dynamiek verstoord. Er waren nog honderd andere factoren, maar hiervan dacht ik wel dat we dat nooit meer moesten doen. Dat hebben we ook nooit meer gedaan en dat heeft gewerkt.”

Heeft je topsportmentaliteit je maatschappelijk geholpen?

Booij: “Ja, het heeft me sowieso heel erg geholpen in mijn netwerk. Ik heb heel veel mogelijkheden en heb nog nooit hoeven solliciteren. Ik krijg vrij veel banen aangeboden. Dat heeft ook met jezelf te maken, hoe actief je bent en hoe je je presenteert. Ik was naar sponsors toe altijd wel degene die het woord voerde en degene die altijd beschikbaar was om wat pr te doen of om een clinic te geven. Als je dat goed doet, onthouden bedrijven je en nodigen ze je ook weer uit. Als ze dan ook nog horen dat je ideeën hebt over dingen buiten het hockey (bijvoorbeeld communicatie, pr of marketing) dan hebben ze meestal wel interesse als je op zoek bent naar een baan. Ze vinden het sowieso leuk dat je een bekende naam bent. Ze vertrouwen erop dat je gedisciplineerd bent en ook weet wat het is om hard te werken, om kritisch te zijn en om jezelf een spiegel voor te houden. Dat zijn allemaal positieve dingen. In een teamsport ben je daarnaast ook nog eens gewend om met verschillende karakters om te moeten gaan. Maar ik moet ook zeggen dat het me af en toe in de weg zit in mijn werk. Ha ha ha. Topsport is namelijk een hogedrukpan. Daar kun je af en toe echt goed tegen elkaar uitvallen en moet je elkaar ook regelmatig ongelofelijk een spiegel voorhouden. Dat wordt in het dagelijks leven toch niet zo geapprecieerd. Ha ha ha. Daarom moet ik nu dus af en toe wel echt even wat geduldiger zijn. Het hoeft niet altijd deze week af, maar kan ook volgende week wel.”

“Ik heb het er ook erg moeilijk mee als ik zelf de fout in ga. Ik ben namelijk een perfectionist en een controlefreak. Dat zijn dingen die in de sport heel erg worden aangemoedigd omdat het je helpt om beter te worden. In je werk helpt dat slechts tot op zekere hoogte. Soms mag het daar wel ietsje losser. Geduld is namelijk een schone zaak. Dat zeg ik nu ook tegen mijn kindje, maar ik mag het ook vaak tegen mezelf zeggen. Ha ha ha.  Ik heb moeite met fouten maken bij mezelf, maar ook bij anderen. Dan denk ik vaak van ‘rustig aan Minke’. Ik kan ook boos worden op anderen op het moment dat dingen fout gaan. Dat kan ik niet accepteren vanwege mijn topsport mentaliteit. Maar in je werk gaan natuurlijk gewoon dingen fout. Dat moet je simpelweg zien op te lossen.”

“Ik ben extravert, snel en direct. Dat werd in de sport ook niet altijd gewaardeerd door teamgenoten. Die vonden mij ook wel eens lastig, maar daar kwam je altijd wel uit met elkaar. Op je werk is dat toch anders. Iets sociaal-wenselijker gedrag is daar wel aanbevolen. Ha ha ha.”

Olympische SpelenHeeft de Olympische titel je maatschappelijk veel opgeleverd?

Booij: “Ja, ik zou liegen als ik zou zeggen dat dat niet zo is. Op de Spelen gaat het gewoon om goud. Dat zag je in Londen ook weer. We hebben prachtige medailles gehaald, maar iedereen heeft het over Epke en Ranomi. Het gaat echt om de eerste plaats. Dat merk je aan alle huldigingen. Goud is magisch. Als je tegen iemand vertelt dat je Olympisch goud hebt gewonnen of ze zien het op je cv staan, dan lichten de ogen op. De winnaar heeft namelijk altijd gelijk. Dat vinden mensen geweldig. Andere medailles zijn ook mooi hoor. Dat vindt iedereen ook prachtig, maar goud blijft magisch.”

“Ik heb heel veel goud gewonnen (Europese en wereldtitels etc.) en dat is allemaal prachtig, maar Olympisch goud is van een andere orde. Die gouden medaille heb ik trouwens in mijn aller, allerlaatste wedstrijd op topniveau gewonnen. Dat was echt een droom die uitkwam. Het was echt Cool. Mijntje Donners, een hele goede vriendin van mij, een van de beste hockeysters van het afgelopen decennium heeft dat bijvoorbeeld niet. Dat zegt niets over haar als topsporter. Zij is niet een mindere topsporter dan ik omdat zij geen goud heeft gewonnen. Het geeft alleen aan wat Olympisch goud betekent.”

“Voor mij ging het om heel eerlijk te zijn echter veel meer om de weg er naartoe en om het leven dat ik heb geleid als topsporter. Wat het me allemaal gebracht heeft en hoe ik mijzelf heb gedreven om het beste uit mijzelf te halen was daarbij belangrijk. Dat heeft me gemaakt tot wie ik ben. Het goud is voor mij veel meer een waardering en het bewijs dat ik het uiteindelijk goed heb gedaan. Olympisch goud is dan het ultieme bedankje.”

Twee maal Goud

“Nu hebben een heleboel hockey-meiden twee keer goud gewonnen. Dat maakt ze ook niet per definitie betere topsportsters dan ik. Zo werkt het niet, maar het is voor jezelf natuurlijk wel heerlijk en voor de buitenwereld is het ook prachtig. Na een gouden medaille op de Spelen wil iedereen je hebben, zien en spreken. Er gaan dan een heleboel deuren open. Zo’n gouden Olympische medaille helpt vooral bij je bekendheid als je in een team speelt. Individueel kun je in een team immers nooit met zijn 16e bekend worden. Bij een individuele sport ligt dat anders en gaat het er vooral om hoe jij je presenteert. Bij een individuele sporter gaat het voor een belangrijk deel om de persoonlijkheid. Dennis van der Geest is bijvoorbeeld een hele grote persoonlijkheid in Nederland maar hij heeft nooit Olympisch goud gewonnen. Hij heeft zich echter op een bepaalde persoonlijke manier gepresenteerd net als Erben Wennemars. Die is ook heel bekend in Nederland terwijl hij nooit Olympisch goud heeft gewonnen. Maar dat weten mensen echt niet precies.”

Hockey en topsport in het algemeen worden steeds professioneler. Alles lijkt erg strikt georganiseerd. Speelt toeval nog steeds een rol in het hockey-spel of nauwelijks meer?

Booij: “Ja, toeval en geluk blijven altijd een rol spelen. Gelukkig wel. Er zijn namelijk zoveel factoren waar je geen invloed op hebt. Het weer kan gek doen of de scheidsrechter kan een vreemde beslissing nemen. Je kunt ook de beste speelster in je team hebben terwijl die helemaal niet goed in haar spel zit en net een mindere dag heeft. Dat zag je in de afgelopen halve Olympische finale van Nederland in Londen tegen Nieuw-Zeeland. Nederland was veel en veel beter, maar het werd toch nog heel spannend. Hahaha. Dat is wel het leuke van de sport.”

Helpt een wetenschappelijke benadering van sport om de prestaties te verbeteren? En waarom precies?

Booij: “Om in een flow te komen van optimaal succes en fysiek top te zijn moeten een aantal voorwaarden gewoon goed zijn. Dan weet je hoe hoog je hartslag dient te zijn en hoe je je lichaamstemperatuur in de rust omlaag kunt brengen als het weer super heet is etc. Zo kun je de tweede helft weer fris ingaan. Wij hebben daarvoor met koelbaden gewerkt om de afvalstoffen sneller te laten afvoeren. Dat hielp ons fysiek en/of mentaal om frisser aan de volgende wedstrijd te beginnen. Daar gaat het om.”

“We hebben ook wel eens gewerkt met een computersysteem waardoor je een bepaalde stick-beweging helemaal tot het einde kon maken en dan zag je dat je met een andere houding van je stick je meer snelheid aan de bal kon geven. Dat zijn mooie dingen. Als je dat weet, kun je daar voordeel uit halen en er iets mee doen.”

“We hebben ook eens met een tracking device op onze rug afstanden gelopen in een wedstrijd waardoor de coach zag dat sommigen van ons nooit langer sprintten dan tien meter. Is het dan noodzakelijk dat je die speelster op de training sprints van 40 meter laat doen, is de vraag? Eigenlijk niet. Je moet dan juist zorgen dat ze die 10 meter heel hard kunnen lopen. Zo kun je op maat gemaakte trainingen creëren om spelers echt beter te maken.”

“Uiteindelijk gaat het om een combinatie van alles, maar het helpt wel als je dat soort facetten optimaal kan krijgen voor jezelf en voor het team. Dan kom je steeds dichter bij de top.

Sommige mensen worden er heel onrustig van om alles te weten terwijl het anderen, zoals ik en onze coach (controlefreaks dus), juist veel rust brengt. Daardoor weten mensen als ik namelijk dat het helemaal goed zit.”

“De mensen die onrustig van veel informatie werden, moesten we om die reden gewoon minder informatie geven. Dat gebeurde ook wel. Een coach moet zijn team zo goed kennen dat hij weet welke speelster hij vol moet stoppen met informatie en die andere juist niet. Wat dat betreft is het bij een teamsport duidelijk maatwerk.”

Van AssBondscoach Paul van Ass leidt zijn team als een soort bedrijf wordt gezegd. Is dat ook goed voor de resultaten?

Booij: “Lastig vind ik dat. Ik ken Paul van Ass een beetje, maar heb nooit met hem gewerkt dus ik zou echt niet weten hoe hij coacht. Het was heel onrustig rond hem in de aanloop naar de Spelen en ik heb daar wel mijn vraagtekens bij gezet in die tijd, maar als je nu kijkt hoe hij dat team toch heeft laten presteren op de Spelen dan kan je niet zeggen dat hij het slecht gedaan heeft. Hij heeft heel veel uit dat team gehaald. Dat vind ik heel knap, want het herenhockey ging de afgelopen 10 jaar niet echt fantastisch. Daar heeft Van Ass echt een kentering in aangebracht. Dat is erg goed. De jongens in het team lopen ook met hem weg, afgezien van de afvallers Taekema en de Nooijer natuurlijk. (De Nooijer ging later toch mee). Het team begreep immers wat er gebeurde en dan is het ok. Van Ass heeft het goed gedaan en daarom vind ik het een lastige vraag. Ik ken hem niet goed genoeg om daar iets over te zeggen. Ik weet wel dat hij nog nooit een finale heeft gewonnen. Toen ik hem ontmoette, vroeg hij dan ook: ‘Mink, hoe win je een finale?” Maar dat was meer een grapje hoor. Ik heb daarop geantwoord dat hij gewoon moest doen waar hij goed in is en wat hij altijd doet.”

Wie is de moeilijkste tegenstandster waar je ooit tegen gespeeld hebt?

Booij: “Dat is een moeilijke vraag. Het grappige is dat iedereen altijd denkt dat dat Argentinië is. Maar dat vond ik juist niet. Ik vond het altijd hartstikke leuk om tegen Argentinië te spelen. We wonnen ook heel vaak. We hebben vaker gewonnen dan verloren van hen, zeker als het er echt om ging. Ik vond Duitsland altijd een lastige tegenstander. Daar hebben we een aantal keren echt heel dik van gewonnen, maar ook een aantal keren van verloren.”

“Ik vond het vooral vreselijk om tegen ploegen te spelen die op papier echt veel minder waren dan wij. Bijvoorbeeld Spanje. Dat was een team dat nooit wat deed. Ze groeven zich altijd in, met af en toe een paar countertjes. Dat vond ik niet leuk. Dan had ik de hele wedstrijd niks te doen en kwam er opeens een uitbraak die meteen zat. Pfff. Dan kon ik helemaal gek worden. Spanje had ook nooit een goede, ingestudeerde corner en dan waaide hij er toch in. Nou ja zeg. Dan kon ik erg kwaad worden. Als een mooie corner er in gaat baal ik ook, maar dat kan. Verliezen kan ook van een team dat goed is, maar verliezen van een team dat minder is en niet wil hockeyen dat kon ik niet accepteren. Daarom speelde ik ook in de competitie heel graag tegen top-vier ploegen en niet tegen de teams onderin. Dat kwam natuurlijk ook omdat ik verdediger was. Ik had dan niks te doen. Er was voor mij geen eer te behalen aan dat soort wedstrijden. Ik kon dan niet opvallen of uitblinken, had bijna niks te doen en begon me te vervelen etc. Dan kreeg ik dus van die gedachten over wat nu als ze een keer uitbreken? Dan laat ik hem natuurlijk gaan etc. De moeilijkste tegenstandsters kwam ik bij dat soort landen tegen. Ik speelde vaak tegen topspitsen fantastisch en tegen mindere aanvallers was het bij mij soms maar zo zo.”

Wie waren die aanvallers die je niet goed lagen? Ken je hun namen nog?

KellerBooij: “Dat is een lastige vraag. Bij Duitsland had je een paar van die spitsen die heel goed konden tippen of bij een tweede paal gingen liggen. Dat vond ik lastig. Natascha Keller is zo’n spits die de hele wedstrijd eigenlijk niets doet en dan op een gegeven moment haar stick in de cirkel tegen de bal zet en dan scoort. Dat vond ik lastig want bij een spits die je actief houdt, ging het verdedigen vaak automatisch en hoefde ik er niet meer bij na te denken. Dan was ik op mijn best. Dan speelde ik op intuïtie en kwaliteit en kon ik ongelofelijk goed verdedigen. Maar als ik een beetje inkakte bij een spits die niks deed en die ineens weg was op een snelle handige manier, dan is dat erg frustrerend. Zulke spitsen wiegen je bij wijze van spreken in slaap en slaan dan onverwachts toe.”

Je had het over intuïtie. Is dat belangrijk in de topsport?

Booij: “Ja, ik denk het wel, net als snel denken. Of snel denken het zelfde is als intuïtie, daar ben ik nog niet uit. Ik bedoel er het maken van de juiste keuzes mee en het durven doen. In ieder geval geen angst hebben en juist wel vertrouwen. Vertrouwen is voor mij je eigen kwaliteiten en die van het team, de voorbereiding en wat je gedaan hebt met elkaar en de coach. Daar hoef je helemaal geen beste vrienden voor te zijn. Met onze coach had ik soms ongelofelijke discussies en ik was het dikwijls echt niet met hem eens. Maar ik had wel altijd het rotsvaste vertrouwen dat hij het goed voorhad met mij en het team. Dan kun je echter nog wel verschillen van mening hebben over de manier waarop etc.”

Wat zijn je plannen voor de nabije en verre toekomst?

Booij: “Voor de nabije toekomst wil ik gewoon doen wat ik nu doe. Dus vooral moeder zijn en mijn werk goed uitvoeren. Als ik nog wat leuke dingen daarnaast kan doen dan doe ik dat graag. Ik wil vooral ook ontdekken waar mijn passie ligt en wat ik uiteindelijk, als ik groot ben, echt wil worden. Hahaha. Maar daar ben ik nog niet uit.”

“Wat ik in de verre toekomst ga doen, weet ik nog niet. De tijd zal het leren. Misschien coaching. Dat zou ik leuk vinden, maar hoe en in welke vorm weet ik nog niet.”

http://www.minkebooij.nl

Schrijf je in voor TOEN!