Interview Gouden Olympiër Van Galen

Tijdens de Olympische Spelen van Peking (2008) behaalde waterpolocoach Robin van Galen (40) goud met het Nederlandse damesteam. Tegenwoordig coacht hij UZSC in Utrecht. Een interview met Van Galen over Peking, toeval in de sport, Feyenoord, zijn geloof, mental coaching en zijn plannen voor de toekomst etc. 

Robin

“Ik geloof niet in toeval. De factor geluk dwing je voor een heel groot gedeelte zelf af”

Tijdens de Olympische Spelen van Peking (2008) behaalde waterpolocoach Robin van Galen (40) goud met het Nederlandse damesteam. Een gigantische prestatie die nationaal en internationaal veel waardering oogstte. Voor zijn goede werk werd Van Galen in 2008 beloond met de titel ‘sportcoach van het jaar’. Bij die verkiezing versloeg hij hockeycoach Marc Lammers en schaatscoach Gerard Kemkers. Momenteel traint Van Galen de waterpoloërs van UZSC in Utrecht. Een interview met Van Galen over het coachvak, economie, mental coaching, toeval en voorbestemming in de sport en zijn plannen voor de toekomst etc.

Wat doe je tegenwoordig allemaal ?

WaterpoloVan Galen: “Ik ben al 24 jaar waterpolocoach. Ik coach dus al vrij lang. Ik ben op mijn 16e begonnen en ben nu 40. Ik was een talentvolle waterpoloër, maar op jonge leeftijd ben ik geblesseerd geraakt aan mijn schouder. De dokter zei dat die schouder niet meer geschikt was om twee maal per dag te gaan trainen. Dat is minimaal de norm om topsport te kunnen bedrijven. Toen ben ik op jonge leeftijd coach geworden en met heel veel plezier. Het is achteraf een goede keus geweest. Op het moment dat ik er mee begon, wist ik dat natuurlijk niet. Ik begon eerst met wat jeugdgroepen. Toen ik 23 was, startte ik met mijn eerste seniorenploeg. Dat was in Gouda bij GZC Donk. Ik heb eerst Donk heren gedaan en daarna Donk dames. Toen ben ik naar HZC De Robben overgestapt, een topclub in Hilversum. Vervolgens ben ik gevraagd door de Bond om jeugdbondscoach te worden. Daarna werd ik seniorenbondscoach bij de mannen en ben daarna doorgestroomd naar de vrouwen. Met de vrouwen heb ik van 2005 tot 2008 heel intensief samengewerkt, met als hoogtepunt natuurlijk de Olympische gouden medaille in Peking. Daarna heb ik twee jaar de heren van GZC Donk getraind. Vervolgens heb ik een jaar een sabbatical genomen en vorig jaar ben ik begonnen bij UZSC in Utrecht. Daar ben ik nu met mijn tweede seizoen bezig.”

Sport je zelf ook nog of helemaal niet meer?

WaterpoloVan Galen: “Ik heb vroeger heel veel gezwommen en gewaterpolood. Daar ben ik definitief mee gestopt toen ik 34 werd. Ik had tot die tijd het zelf spelen en het coachen altijd gecombineerd, maar wel steeds de voorrang gegeven aan het coachen. Sinds ik met die combinatie gestopt ben, doe ik nog wel aan hardlopen, fitnessen en twee maal per week zwemmen. Dus ik blijf zeker sporten.”

Had je in Londen nog actief willen zijn of helemaal niet ?

Van Galen: “Voor mij was het een bewuste keuze om na Peking iets anders te beginnen. Ik wilde op mijn hoogtepunt stoppen. Ik was al zeven jaar bondscoach geweest (4 jaar mannen, 3 jaar vrouwen). Dan heb je op een gegeven moment ook wel het gevoel dat het genoeg is geweest. Het kan daarna ook eigenlijk alleen maar minder gaan. Bovendien was het een heel intensief leven geweest. Ik werkte full time met mijn sporters en was weinig thuis. Ik zat 4 à 5 maanden per jaar in het buitenland voor allerlei toernooien en trainingskampen. Je traint dan heel de dag en bent weinig in Nederland. Ik had daardoor weinig vrije tijd. Dat was de tweede afweging. Derde afweging was dat ik 3 jaar lang erg intensief met mijn sporters had opgetrokken. Het merendeel van de ploeg ging door tot Londen (OS) waardoor het voor mij lastig zou worden om nog eens 4 jaar vernieuwend en verfrissend te blijven denk ik. Zeker met zo’n intensief programma. Die meiden zouden dan ook gek van mij zijn geworden en andersom natuurlijk ook. Ik was bovendien toe aan een nieuwe uitdaging. Dat gevoel had ik heel sterk.”

“Ik had mijn contract wel kunnen verlengen tot en met Londen. De bond had dat ook gewild, maar ik wilde het zelf niet. Tot op de dag van vandaag heb ik daar geen spijt van gehad.”

Wie bewonder je als coach vooral en waarom? Heb je een voorbeeld?

Van Galen: “Ik kijk heel veel sporten. Ik ben een echte sportfanaat en probeer alles te volgen. Natuurlijk let je daarbij vooral op collega-coaches hoe zij het doen in hun sport en hoe zij zich presenteren in de media. Er zijn veel goede coaches. Ik probeer voortdurend naar hen te kijken en dingen op te steken van wat zij goed doen in mijn ogen. Ook als ze fouten maken wil ik daarvan leren en het tot me door laten dringen wat ze fout doen.

Guus

Bondscoach Guus Hiddink. Bron: Wikipedia

Het is echter niet zo dat ik een specifiek voorbeeld heb van een coach die ik bewonder. Maar er zijn wel coaches waar ik met meer dan gemiddelde belangstelling naar kijk zoals Guus Hiddink, Louis van Gaal en Bert van Marwijk: de bekendere voetbalcoaches. Er zijn echter ook andere sportcoaches die mij erg aanspreken: Jacco Verhaeren de zwemcoach; Marc Lammers de hockeycoach of schaatscoach Gerard Kemkers. Ik ken ze ook persoonlijk. Het topsport-wereldje is namelijk heel klein. Je komt elkaar veel tegen. Dat is leuk want ik heb wel gemerkt dat als je bij andere sporten in de keuken kijkt, je veel van elkaar kunt opsteken en veel van elkaar kunt leren.

Het NOC/NSF organiseert één keer in de drie maanden het NCP (Nationaal Coach Platform). Dat duurt één of twee dagen lang. Dan heb je een congres met een korte bijscholing over tal van onderwerpen die voor elke coach interessant zijn. Op het NCP kom je al je collega-coaches tegen van alle bonden. Er zitten dan 100 bondscoaches van 100 verschillende sporten bij elkaar. Dan praat je buiten alle seminars om natuurlijk over van alles. Dat is heel leuk en leerzaam om te doen.”  

Wie bewonder je als topsporter en waarom?

Van Galen: “Dat zijn er meerderen, maar dan ga ik toch vaak kijken naar sporten die ik persoonlijk zeer aanspreken. Ik probeer alles te volgen, maar ben vooral gek van teamsporten. Amerikaans basketbal (NBA) vind ik heel leuk om te volgen. Ik ben sowieso Amerika-gek. Daarom vind ik ijshockey, honkbal en American Football heel leuk om te volgen.”

“Daarnaast vind ik voetbal natuurlijk ook prachtig. Volleybal en handbal vind ik ook heel interessant en leuk omdat het qua dynamiek veel raakvlakken heeft met waterpolo. Niet dat die sporten op elkaar lijken, maar er is wel overeenkomst wat betreft de dynamiek van teamsporten om samen iets te presteren. Dat spreekt mij meer aan dan een individuele sport.”

 Heeft de topsport je gevormd en hoe precies?

 Van Galen: “Ja, zeker. Je maakt als je in zo’n team zit heel veel dingen met elkaar mee in zo’n proces. Als coach ben je onderdeel van zo’n team. Je bent op elkaar aangewezen en zit in dezelfde tunnel annex boot en hebt dezelfde visie. Het is maar net welke metafoor je gebruikt, maar je hebt een gemeenschappelijk doel. Natuurlijk vormt dat je als mens en als coach. Je doet ervaring op, maakt fouten en leert weer van die fouten. Hoe meer ervaring je opdoet, hoe beter je bepaalde processen in kunt schatten en kunt verbeteren. Het vormt je zeker als je het hebt over discipline, samenwerken, het coachen van mensen en het stellen en bereiken van doelen. Dat verandert je als mens wat je vervolgens weer meeneemt naar je normale, sociale leven.”

Heeft het Olympisch goud je ook veranderd of eigenlijk niet ?

OlympicVan Galen: “Zeker. Dat heeft mijn leven absoluut veranderd. Voor het behalen van Olympisch goud was ik een relatief onbekende coach. Dan sta je niet zo in het middelpunt van de belangstelling. Olympisch goud heeft dat wel veranderd. Vier jaar na dato word ik nog steeds veel gevraagd als spreker op congressen en seminars. Je wordt bij wijze van spreken elke dag herinnerd aan die Olympische Spelen van vier jaar geleden. Mensen vinden de Olympische Spelen, zeker als je succesvol bent, heel boeiend. Ze kijken daar met heel veel belangstelling naar, ook de niet-sportliefhebbers.

Vooral de gouden medaillewinnaars, zoals ik als coach van een team, maar ook Epke Zonderland of Ranomi Kromowidjojo worden daardoor op straat herkend en er aan herinnerd. Ik heb dat altijd als heel leuk ervaren. Soms weten mensen mijn naam niet te herinneren, maar staan ze me aan te kijken omdat ze me ergens van denken te kennen. Dan zeggen ze later: ‘oh ja. Jij was die vent die in het water sprong na de Olympische finale !’ Dat is een beeld dat op een of andere manier bij mensen is blijven hangen. Terwijl het in het waterpolo een algemeen gebruik is dat wanneer je wint je in het water wordt gegooid. Voor de buitenwereld was dat echter een heel mooi moment. Dat is leuk. Ik denk dat ik de rest van mijn leven wel herinnerd zal blijven als die coach die van vreugde het water in viel in 2008. Ik zie dat als een blijk van waardering voor onze topprestatie. Dat is mooi om te merken.”

Verander je daardoor ook als mens?

Van Galen: “Dat valt wel mee. In het begin word je een beetje op een voetstuk gezet. Je prestatie wordt het eerst half jaar na de Olympische Spelen geïdealiseerd en dan moet je oppassen dat je niet gaat zweven, want overal word je ontvangen met de rode loper. Maar daarna gaat het leven gewoon weer verder. Je mag er natuurlijk wel van genieten. Twintig jaar lang heb ik heel hard gewerkt voor dat moment, net als de sporters. Het is niet slechts een periode van vier jaar hard trainen geweest. Dat wordt vaak gedacht, maar het is meestal een periode van tien of vijftien jaar hard werken en in mijn geval zelfs twintig jaar. Pas toen vond dat historische moment in Peking plaats. Eigenlijk kun je achteraf stellen dat ik twintig jaar lang aan het bouwen was naar dat moment toe. Daar mag je best een paar maanden van gaan zweven, maar daarna moet je natuurlijk gewoon weer door in de keiharde realiteit. Dan dien je gewoon je normale leven weer op te pakken.”              

Heeft je topsportmentaliteit je maatschappelijk ook iets gebracht ?

Van Galen: “Ik denk het wel. Omdat de sport mij gevormd heeft als mens pluk ik daar nu de vruchten van in maatschappelijke functies. Ik ben mijn eigen bedrijf begonnen in het coachen van mensen: een ‘coach en trainingsbureau’. Ik geef ook veel spreekbeurten door het hele land over dat soort onderwerpen: coachen van mensen, teamvorming etc. Ik bespreek dan waar je zoal tegenaan loopt. Daar is heel veel belangstelling voor. Vanuit de metafoor van sport en onze gouden prestatie, vinden managers (onderwijs, banken, ziekenhuizen, ondernemers etc.) dat interessant om te horen.”

Ook in ziekenhuizen lopen bijvoorbeeld managers rond die mensen moeten aansturen en een team moeten vormen. In elke organisatie heb je namelijk bepaalde hiërarchische verhoudingen met afdelingsteams. Een dergelijke hiërarchie hadden wij natuurlijk ook. Daar kan ik dan wel iets over vertellen.”

Soms wordt over topsport gezegd dat het een metafoor is voor het leven. Beiden zijn snoeihard en oneerlijk. Wat denk jij als topsportcoach daarvan ?

Van Galen: “Topsport is wel snoeihard. Dat klopt. Het is zeker niet altijd leuk. Het wordt vanaf de buitenkant vaak geïdealiseerd, maar dan kijkt men alleen naar het eindresultaat als je bijvoorbeeld een Olympische finale wint etc. Dan wordt topsport geromantiseerd, maar het is een keihard vak. Je moet er jarenlang heel hard voor trainen. Dat is aan de ene kant heel leuk hoor. Je doet immers iets waar je goed in bent en wat je fijn vindt. Anders had je het niet gedaan. Aan de andere kant zijn er ook heel veel momenten van afzien, door diepe dalen gaan als de resultaten tegenvallen of als er ruzie is in de ploeg. Er zijn allerlei moeilijke momenten in de topsport.

Topsport is ook heel hard wanneer het aankomt op keuzes maken als coach. Ik werkte drie jaar lang heel hard met 20 vrouwen, terwijl er maar 13 mee mochten naar Peking. Zeven dames moesten dus thuisblijven. Dat zijn hele harde beslissingen en in die hoedanigheid is topsport keihard. Maar oneerlijk vind ik topsport niet.”

“In de wielrennerij komt heel veel doping voor. Dat is natuurlijk oneerlijk.  In onze sport komt dat gelukkig heel weinig voor. Als je doping pakt, ga je namelijk niet beter waterpoloën. Bij ons is dat niet zo geschikt. Je kunt het wellicht gebruiken om fysiek wat sterker te worden en wat meer spiermassa te krijgen, maar het gebeurt gelukkig heel weinig.”

“Oneerlijk vind ik topsport verder niet omdat de kansen op Olympisch goud of het winnen van een toernooi of wedstrijd vooraf voor alle ploegen nagenoeg het zelfde is. Winnen is een kwestie van goed voorbereiden, goed trainen en goede faciliteiten om je heen verzamelen. Of dat slaagt ligt aan jezelf. In die hoedanigheid vind ik topsport dan ook niet oneerlijk.”

China“Het is wel zo dat het ene land meer investeert in topsport dan het andere land. Dat is gewoon zo. Er is in Nederland ook altijd een discussie of we wel voldoende geld investeren in topsport, of dat het juist te weinig is. Landen als Amerika en China investeren meer in topsport dan Nederland. Wij investeren echter weer meer in andere dingen die in Amerika of Rusland minder belangrijk zijn zoals mooiere wegen of arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Dat kennen ze wellicht in China weer helemaal niet. Dat zijn keuzes die een regering maakt. Ik hoop natuurlijk dat er meer geld beschikbaar komt voor topsport, maar ik zou het niet ten koste willen laten gaan van uitkeringen bijvoorbeeld. Dat blijven overheidsbeslissingen.”

Wat is het allerbelangrijkste dat een coach moet doen ?

Van Galen: “Als coach ben je een duizendpoot. Je moet heel veel dingen goed doen. Je krijgt nooit garanties dat je een topprestatie neerzet. Je moet veel dingen perfect regelen om een basis te creëren waardoor de kans op succes vergroot wordt.”

“Ik probeer dat alles samen te vatten in twee onderwerpen: 1) je hebt heel veel specifieke kennis nodig over je sport op technisch en tactisch gebied en hoe je een sporter fysiek traint. Daarnaast heb je 2) ook mensenkennis nodig. Die twee dingen zijn heel erg belangrijk en moet je in balans zien te houden. Het gaat daarbij om specifieke kennis over jouw product, jouw vak en jouw sport en aan de andere kant dus mensenkennis. Hoe ga je met mensen om; hoe communiceer je; hoe zet ik de juiste mensen om me heen en wat vormt het juiste team. Dat heeft allemaal met mensenkennis te maken. In de praktijk zie je nog wel eens coaches die van het ene onderdeel heel veel verstand hebben en van het andere weer minder of andersom, waardoor de balans niet goed is. Een topcoach moet een balans zoeken tussen die twee ingrediënten.”

Moet je een dominant, assertief persoon zijn om een team te kunnen coachen ?

Van Galen: “Dat hoeft niet per se. Er zijn heel veel verschillende manieren van leidinggeven. Het is een beetje afhankelijk van de groep die je hebt. Dat zie je in andere sporten ook. Voetbal is daarbij het meest bekende voorbeeld natuurlijk omdat het veel op televisie is.

Je kunt bijvoorbeeld een hele jonge spelersgroep hebben van sporters van begin twintig. Die hebben een ander type coach nodig dan wanneer je een ervaren groep hebt van begin dertig. Het ligt dus aan de spelersgroep die je hebt wat voor type coach je er het beste op kunt zetten.”

Je bent in het verleden ook leraar economie geweest. Bestaat er enige overeenkomst tussen leraar economie en topcoach zijn ?

Van Galen: “Ik denk het wel. Je probeert toch je spelers cq leerlingen beter te maken en te verbeteren op een bepaald vakgebied. Nu probeer ik dat te doen in mijn huidige professie als waterpolocoach. Vroeger probeerde ik mijn leerlingen allerlei zaken rondom economie bij te brengen. Je tracht steeds mensen te verbeteren en te ontwikkelen. Die ontwikkeling in de klas als leraar economie of langs de zwembadrand als waterpolocoach is heel leuk om te zien. Met economie houd ik me tegenwoordig niet meer bezig. Ik heb het tussen ’95 en ’99 vier jaar lang gedaan en daarna kon ik fulltime in de sport terecht. Dat begon als een hobby, maar toen ik daar mijn werk van kon maken, vond ik dat toch leuker om te doen.”

Mental Coaching

Sport is voor een belangrijk deel ook een geestelijk proces. Helpt mental coaching over het algemeen of niet ?

Van Galen: “Zeker. Dat is heel belangrijk en vaak een ondergewaardeerde factor in de topsport. Eigenlijk heb je vier pijlers die jouw niveau als sporter bepalen: technisch, tactisch, fysiek en mentaal. Die vier vorm-factoren zijn allemaal belangrijk. Het ligt er maar net aan in welke fase je zit als sporter. In het beginstadium van een talentvolle sporter – als ze 12, 13 of 14 jaar oud zijn – dan is de fysieke en technische factor het belangrijkst. Later, als ze 17 of 18 zijn, dan wordt de tactische factor weer wat belangrijker en op het moment dat ze echt moeten gaan presteren en moeten gaan winnen (begin 20-ers tot einde carrière) dan focus je je wat minder op de techniek en meer op de mentale factor.”

“De technische factor ontwikkel je als je jong bent en de mentale factor heb je nodig om echt te leren winnen. Bij die mentale factor heb je tal van dingen nodig. Daarbij gaat het erom of je vertrouwen hebt en je het omgaan met de stress en het presteren onder druk onder controle hebt? De mentale factor heeft te maken met het omgaan met de verwachtingen van de media, maar ook met het omgaan met je teamgenoten. Je moet van elkaar en ook van jezelf weten waar je goed in bent en waarin niet. Dat heeft allemaal te maken met de mentale factor. Ik heb in mijn periode als bondscoach bij de dames drie jaar lang heel intensief samengewerkt met mental coach Rico Schuijers. Dat is een van de beste sportpsychologen in Nederland. Daar hebben ik zelf, maar ook mijn sporters, heel veel van geleerd. Mental coaching is kortom heel erg nuttig. Het is niet meer weg te denken.”

Zijn er ook sporters die het niet nodig hebben?

Van Galen: “Nee, elke sporter heeft het nodig. De een wel meer dan de ander. Dat ben ik met je eens. Iedereen is uniek. Iedereen is anders. De een behoeft meer bijschaving op het fysieke, technische of tactische vlak terwijl anderen weer meer behoefte hebben aan het mentale aspect.

Vaak hoor je bij mental coaching sporters nog wel eens dingen zeggen als:  ‘ik ben toch niet gek’ of ‘ik hoef toch niet naar de psycholoog’. Maar dat is echt onzin. Alleen mensen die hun kop in het zand steken, redeneren zo. De mentale factor is echt iets normaals geworden vandaag de dag. Het is in de sport de factor waar nog de meeste rek en winst te behalen valt omdat het heel lang ondergewaardeerd is geweest. Daar valt voor elke topsporter nog winst te behalen.”

Gebruik je mental coaching tegenwoordig ook bij je huidige club UZSC in Utrecht?

Van Galen: “Ja, zeker. Heel veel dingen die ik opgestoken heb van Rico Schuijers heb ik al in de praktijk besproken en getest met mijn spelers (UZSC).”

Wat is belangrijker in de topsport: je aanleg, je mentaliteit, hard werken of het vermogen om dingen te leren?

Van Galen: “Het is een dooddoener, maar je hebt al die factoren nodig. Ik heb veel toppers gezien die barstten van het talent, maar uiteindelijk de top niet haalden omdat ze te weinig doorzettingsvermogen hadden. Dat valt onder hard werken en mentaliteit. Ik heb echter ook veel sporters gezien die enorm veel doorzettingsvermogen hadden, maar over te weinig talent beschikten om de top te bereiken. Er moet een balans zijn tussen talent en aanleg voor het spel. Maar ook talent om een keuze te maken voor de juiste sport speelt een rol net als mentaliteit en doorzettingsvermogen. Die zaken moeten een beetje in evenwicht zijn.”

Voor coaches geldt dat wellicht ook, of ligt dat anders?

Van Galen: “Ja, in wezen wel. Je moet talent hebben meegekregen om te coachen, communicatieve vaardigheden bezitten, verstand van het spel hebben, maar ook over doorzettingsvermogen beschikken en de mentaliteit hebben om bij tegenslagen door te pakken. Hier gaat het opnieuw om balans. Dat is eigenlijk in je hele leven, maar ook op topsportgebied, van groot belang. Er moet altijd ergens een balans zijn. Als de balans er niet is of ergens verkeerd doorslaat, zal je nooit het maximale bereiken.”

Denken en reageren echte topspelers en speelsters plus coaches sneller dan matige spelers en andere stervelingen ?

Van Galen: “Ik denk het wel. Ik denk inderdaad dat echte toppers (coaches en spelers) zich onderscheiden door sneller te analyseren dan hun tegenstander en sneller te analyseren dan de gemiddelde speler cq coach. Dat is tijdens een wedstrijd natuurlijk erg belangrijk. Hoe dat werkt is soms niet uit te leggen hoor. Het is een stukje intuïtie dat je ontwikkelt als coach of speler door middel van ervaring. Regelmatig wordt gevraagd waarom ik een bepaalde beslissing nam. Soms is dat niet uit te leggen. Je ziet bijvoorbeeld iets gebeuren waarop je gevoel, intuïtie of innerlijke stem vervolgens zegt dat dit of dat moet gebeuren. Dat gaat ook wel eens fout natuurlijk, maar topcoaches onderscheiden zich er mee dat het bij hen vaker goed gaat dan fout.”

Bij jou gaat dat dus vaak goed?

Van Galen: “Hahaha. Ja, gelukkig wel.”

Is dat bijna magie? Iets ongrijpbaars? 

Van Galen: “Sommige dingen zijn niet altijd te analyseren. Het is niet altijd helder waarom je iets doet of een bepaalde beslissing neemt. Soms zie je bijvoorbeeld iets wat een ander niet ziet gebeuren. Ik denk niet dat het magie is want dat lijkt onwerkelijk, maar het is wel een talent dat je meegekregen hebt. Het is iets dat je vervolgens ontwikkelt hebt en dat andere mensen wat minder hebben. Dat is het verhaal denk ik.”

Topsport wordt steeds professioneler. Alles wordt uitgedacht en lijkt strikt georganiseerd. Speelt toeval nog steeds een rol in het spel of nauwelijks meer ?

Boek

Boekomslag van 'Mijn Olympische missie!, door Robin van Galen.

Van Galen: ” Ik zou zeggen: ‘lees mijn boek Mijn Olympische Missie ‘. Hahaha. Ik geloof namelijk niet in toeval. Dat komt ook  in mijn boek terug. Natuurlijk moet je de factor geluk soms aan je zijde hebben, maar dat vind ik iets anders dan toeval. De factor geluk dwing je immers voor een heel groot gedeelte af door heel veel dingen goed te doen. En als je heel veel dingen goed doet, ontstaat er ergens een bepaalde basis waardoor de kansen dat je succes boekt, groter worden. Zo min mogelijk aan het toeval overlaten is ook een kwaliteit.

Je moet in de sport op alles voorbereid zijn. Zoals je al zei, wordt tegenwoordig alles uitgedacht en geanalyseerd. Dat klopt, maar daarmee probeer je toeval en geluk uit te sluiten. Je wil zo veel mogelijk afdwingen en in je eigen voordeel gebruiken.”

“Om een voorbeeld te geven: ze zeggen vaak dat in het voetbal penalty’s niet te trainen zijn. Ik denk echter dat penalty’s heel goed te trainen zijn. Er wordt ook gezegd dat strafschoppen een loterij zijn. Daar geloof ik helemaal niks van. Een loterij is een balletje trekken waarbij  je 1/41ste kans op een goed resultaat hebt. Daarbij kun je niet voorspellen wat het winnende balletje zal worden. Maar penalty’s nemen is geen loterij.”

“Wij moesten bijvoorbeeld tijdens de kwartfinales van de Olympische Spelen tegen Italië spelen. Het stond 8-8. In de verlenging stond het nog steeds 8-8, dus moesten we penalty’s nemen. In het voortraject hadden we heel veel penalty’s getraind. De betweters zeggen dan dat je niet kunt nabootsen dat er 10.000 mensen op de tribune zitten. Dat klopt. Je kunt dat niet kopiëren. Zoveel mensen kun je niet op een training uitnodigen. Je kunt echter wel andere zaken trainen en voorbereiden: A) tijdens de voorbereidende toernooien hebben wij namelijk penalty-series moeten spelen met veel publiek op de tribune. Dat waren weliswaar oefenwedstrijden, maar ook belangrijke ervaringsmomenten om te kijken hoe spelers daarmee omgaan. B) Wij hadden een hele database van Italië met al hun penalty’s. Die beelden hadden we opgenomen en op de computer gezet, dus wisten we wat de voorkeurshoeken waren van de betreffende Italiaanse speelsters. Daar zagen we dat onder druk een bepaalde speelster altijd linksonder of rechtsboven schoot. Dat had ik met mijn keepster van tevoren doorgenomen en gezegd:  ‘let op, die schiet daar, die daar en die daar’ etc.”

“Dat lijkt op het befaamde boekje van voetbalcoach Jan Reker. Wij hadden dat ook. Bij ons zat het echter in een computersysteem. Van de vijf strafworpen in de kwartfinale stopte mijn keepster er vervolgens één. Dat was genoeg want wij maakten ze alle vijf. We wonnen die penalty-serie daardoor met 5-4 en gingen door naar de halve finale. Dat was geen toeval. We waren er van tevoren echt heel gedegen mee bezig geweest en hadden er echt over nagedacht.”

Pierre

Pierre van Hooijdonk. Bron: Wikipedia

“We hadden van tevoren technisch ook heel veel getraind op strafworpen nemen. Als je net als Pierre van Hooijdonk bij Feyenoord altijd na een training een kwartier lang vrije trappen blijft oefenen, dan krijg je op een gegeven moment het gevoel te pakken hoe je die bal moet schoppen om hem uiteindelijk over het muurtje heen in de goal te schieten.”

“Omdat je dat honderd keer gedaan hebt, krijg je daar vertrouwen in. Als je honderd keer een penalty neemt, krijg je namelijk fiducie in het schot dat je het beste ligt. Als je dat veel traint, ga je met meer vertrouwen naar de penaltystip.”

“Vertrouwen is bij zo’n penaltyserie cruciaal. Als je met angst naar een penaltystip loopt, weet je al dat je gaat missen. Als mensen dus zeggen dat je penalty’s niet kunt trainen, dan ga ik altijd lachen, want ik denk dat je het wel kunt trainen. Je moet immers proberen het toeval uit te sluiten en steeds de regie en het initiatief houden.”

“Kortom: Ik geloof niet in toeval. Ik ben eerder van mening dat dingen voorbestemd zijn. Ik geloof meer in het lot en dat het zo moet zijn. Het is maar net hoe je er tegenaan kijkt natuurlijk.”

Als het voorbestemd is, hoe zit dat dan in elkaar?

Van Galen: “Dat komt dan toch voort uit het geloof dat je hebt. Dat kan een Christelijk geloof zijn, maar ook een geloof in jezelf. Het kan van alles wezen, maar ik geloof zeker dat bepaalde dingen voorbestemd zijn. Ik besef ook wel dat je daar niet alles onder kunt scharen, want dan moet je je ook afvragen waarom er zo veel ellende is in deze wereld? Je kunt moeilijk zeggen dat dat voorbestemd is. Misschien ook wel, maar dat is heel moeilijk te verklaren. Waarom krijgt iemand bijvoorbeeld kanker of overlijdt een klein kind dat onder een auto loopt? Je kunt dan zeggen dat dat toeval is of voorbestemd, maar het is vaak heel moeilijk te verklaren.”

PSVEx-PSV Doelman Hans van Breukelen had in ’88 sterk het gevoel dat zijn ploeg voorbestemd was om de Europacup 1 (Champions League) te winnen en dat gebeurde ook. Die beker was volgens hem toen simpelweg voor PSV bedoeld. De naam van de club stond bij wijze van spreken al op de cup met de grote oren.

Van Galen: “Dat gevoel kun je inderdaad heel sterk hebben als coach of speler. Dat gevoel heb ik ook gehad bij ons Olympisch goud. Op een gegeven moment ontstaat dat geloof tijdens een proces. Dan heb je het gevoel dat alle puzzelstukjes in elkaar vallen zodat je denkt : ‘dat kan geen toeval zijn.’  Het moet op een of andere manier zo zijn. Sommige dingen zijn gewoon onverklaarbaar.”

Ken je het boek Mysterieuze krachten in de Sport van Joris van den Bergh ? Dat gaat min of meer over dat zelfde fenomeen Zit er wat in de strekking van dat boek?

Van Galen: “Ik heb het gelezen, maar heel lang geleden: 10 of 15 jaar terug. Ik kan het me niet meer zo goed herinneren. De titel spreekt me echter nog steeds aan.”   

Je had het over voorbestemdheid. Heb je daar ideeën over? Ben je zelf gelovig?

Van Galen: “Ja, ik ben Christelijk opgevoed. Ik denk dat dergelijke zaken zeker invloed hebben op prestaties. Ik geloof, zoals ik eerder al zei, niet in toeval. In mijn boek komen er ook een aantal passages voor die met het geloof te maken hebben waarbij ik niet kan geloven dat iets toeval is en het echt wel voorbestemd moet zijn op een of andere manier.”

Heb je daar ook aanwijzingen voor?

Van Galen: “Ja, er gebeuren soms dingen in je leven waarvan je denkt dat het te toevallig is om waar te zijn, maar toch gebeurt het. Bij de geboorte van ons kind had ik ook aanwijzingen dat ik eindelijk vader zou worden. Dat lukte immers steeds maar niet. Op een gegeven moment kreeg ik echter (in de kerk) signalen die me positief stemden en dat voorgevoel kwam uit waardoor ik vader werd. Dat was heel bijzonder om mee te maken.”

Soms komen er echter twee Christelijke ploegen uit tegen elkaar die beiden bidden voor een wedstrijd. Bijvoorbeeld Italië en Spanje. Die ploegen willen uiteraard allebei winnen, maar uiteindelijk zegeviert er slechts één. Hoe zit dat dan?

FC BracelonaVan Galen: “Dat is een begrijpelijke vraag. Het is ook niet zo dat wanneer je bidt tot God, je ook automatisch wint. Zo werkt het niet. Dat zou te kort door de bocht zijn en staat ook in mijn boek. In Spanje is het bijvoorbeeld bij Barcelona gebruik dat ze allemaal een kapelletje ingaan voordat ze het veld oplopen. Als je dat als tegenstander ook doet, wil dat echter niet zeggen dat je wint. Het is geen garantie voor succes, maar het is de essentie van het geloof dat je bepaalde dingen aan elkaar koppelt. Dat is voor iedereen persoonlijk. Je gelooft het of je gelooft het niet.

Het is echter niet zo dat ik bij elke wedstrijd die we winnen denk dat God dat heeft geregeld. Zo werkt het ook weer niet. Het is meer een bepaald proces op langere termijn. Je moet er namelijk wel hard voor werken. Het komt niet zomaar aanwaaien.”

Ben je nog steeds gelovig?

Van Galen: “Ja, zeker. Ik ga regelmatig naar de kerk.”

Professionalisering

Veel sporten worden steeds vakmatiger uitgeoefend. Helpt al die professionalisering echt om betere resultaten te boeken ?

Van Galen: “Dat denk ik wel. Het is bewezen dat wanneer je meer gaat trainen, je daar echt beter van wordt. Het is ook aangetoond dat wanneer je betere faciliteiten om je heen hebt en alles professioneler aanpakt er ook meer kennis ontstaat en dat de sport zich ontwikkelt. Natuurlijk moet je uitkijken dat je niet te veel gaat trainen want dan kun je overtraind of overbelast raken waardoor er weer blessures ontstaan. Ook daar moet dus een bepaalde balans in zitten.”

Hockey-bondscoach Paul van Ass leidt zijn team als een bedrijf wordt gezegd. Doe jij dat ook en is dat goed voor de resultaten ?

Van Galen: “Ik weet niet of Paul van Ass dat zo doet. Ik ken hem niet persoonlijk, maar er zijn wel raakvlakken tussen hoe je een bedrijf en een sport-team leidt. Maar er zitten ook heel veel verschillen tussen. Een directeur van de ABN AMRO kan dan ook niet simpelweg een sport-team op dezelfde manier leiden als hij de ABN AMRO leidt.”

Wat is het verschil?

Van Galen: “In de sport speelt de emotie altijd wel een bepaalde rol. In het bedrijfsleven is dat anders. Het bedrijfsleven is toch wat rationeler en wat zakelijker. Je hebt in de sport, maar ook bij bedrijven altijd te maken met een cultuur en gewoontes die gebruikelijk zijn in die sector. Daar bestaat wel enige overeenkomst tussen (sport en bedrijfsleven). In de sport kun je daarom best sommige dingen op een zakelijke manier aanpakken en verbeteren, maar er blijven ook nog heel veel verschillen bestaan hoor. ”

Geloof je in een wetenschappelijke benadering van sport?

Van Galen: “Ja, dat is nuttig. Zeker. Ik heb het vaak over sport als een puzzel van 100%. Als je streeft naar een puzzel van 100 % dan zit daar ook een stukje innovatie in van 5 of 10 %. Dat stukje innovatie is vaak gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. Je moet in de topsport de lat immers steeds hoog blijven leggen ook al ben je de beste van de wereld. Je moet steeds blijven vernieuwen om de beste te blijven, anders word je ingehaald door de concurrentie. Want de concurrenten jagen allemaal op jou als je de beste bent. Ze gaan al de dingen kopiëren die jij goed doet, dus moet je continu zoeken naar innovaties en verbeteringen die jouw sport verder helpen. Wetenschappelijk onderzoek op mentaal of fysiek gebied en nieuwe faciliteiten en materialen zijn daarbij natuurlijk erg belangrijk.”

“In een sport als waterpolo is bijvoorbeeld heel veel onderzoek gedaan naar de beste badpakken en zwembroeken waardoor je minder makkelijk beet te pakken bent door je tegenstander. Andere sporten lenen zich nog beter voor degelijke innovaties. Vooral sporten die gebaseerd zijn op tijden, zoals schaatsen of zwemmen bijvoorbeeld. Des te harder je gaat met bijvoorbeeld gestroomlijnde pakken of klapschaatsen, des te meer effect heeft het. Bij het schaatsen hadden ze een tijdje van die ribbels op hun hoofd gemonteerd. Dat was uit allerlei testen in een windtunnel gekomen en is het gevolg van wetenschappelijk onderzoek. Dat vind ik wel mooi om te zien. Bij teamsporten komt dat soort onderzoek wat minder voor. In teamsporten is snelheid namelijk vaak slechts een onderdeel van de sport en niet het einddoel. Bij waterpolo gaat het niet om hoe snel je aan de overkant bent, maar wel dat je de bal in het net gooit met elkaar. Andere zaken worden dan belangrijk.”

FeyenoordIk hoorde dat je wel bij Feyenoord zou willen werken. Wat zou je daar kunnen doen en zijn er al contacten geweest ?

Van Galen: “Hahaha. Nee, ik heb daar nog geen contacten gehad. Ik ben wel supporter van Feyenoord. Zo is het waarschijnlijk een keer in het nieuws gekomen. Ik denk echter dat ik geen hoofdcoach kan zijn in het voetbal omdat ik te weinig verstand van voetbal heb. Ik heb wel verstand van teams, mensen en individuen. Dat is goed ontwikkeld bij mij. Dergelijke kennis kan bij Feyenoord ook wel in de praktijk gebracht worden. Maar ik heb te weinig verstand van techniek, tactiek en fysieke aangelegenheden rondom voetbal omdat ik daar geen ervaring in heb. Ik kan daarom geen hoofdcoach van Feyenoord zijn, maar assistent-coach, teammanager of adviseur zou wel kunnen. Ex hockey-bondscoach Hans Jorritsma is nu teammanager bij de KNVB. Zoiets behoort volgens mij wel tot de mogelijkheden. Volleybal-coach Toon Gerbrands is bijvoorbeeld nu ook Algemeen Directeur bij voetbalclub AZ. Zoiets zou ook eventueel kunnen. Je ziet het wel vaker om je heen gebeuren dat bepaalde coaches van sport switchen. Ze worden dan geen hoofdcoach, maar gaan iets in de organisatie van een club doen. Dat zou voor mij ook mogelijk zijn, maar het is geen heilig doel voor mij. Het zou echter wel interessant zijn als het een keer op mijn pad komt. Ik ben al wel eens gevraagd bij een voetbalclub om in de Raad van Commissarissen plaats te nemen, maar dat heb ik toen niet gedaan.”

“Ik zou het wel leuk vinden om ooit in een andere wereld te stappen om mezelf daar verder te ontwikkelen en mijn kennis over te dragen in die sport. Bijvoorbeeld in facilitaire zin of in een directie, maar ook een managementfunctie bij zo’n club lijkt me boeiend. Anders zou ik ook wel werkzaam willen zijn als assistent, adviseur, teammanager of in de Raad van Commissarissen willen plaatsnemen. Er zijn verschillende rollen.”

Wat zijn je plannen voor de nabije en verre toekomst ?  

Van Galen: “Op dit moment heb ik een goede balans gevonden tussen mijn zakelijke activiteiten in het bedrijfsleven, de sportieve activiteiten bij mijn club in Utrecht en mijn persoonlijke leven met mijn gezin in Reeuwijk. Ik heb nu genoeg tijd voor mijn kinderen. Dat is een prima balans en daar voel ik me goed bij. Ik hoop dat ik dat nog lang op deze manier mag doen want ik ben daar heel blij en tevreden mee.”

“De afgelopen jaren kon ik ook naar het buitenland, maar dat heb ik niet gedaan omdat ik het leven dat mijn vrouw, mijn kinderen en ik nu hebben niet uit zijn verband wilde rukken. Het klinkt heel avontuurlijk om naar de andere kant van de wereld te verhuizen, maar het brengt wel wat te weeg in je persoonlijke situatie. Als mijn kinderen groter zijn doe ik het misschien wel een keer.”

“Voor de verre toekomst kruipt het bloed toch waar het niet gaan kan: ik zal waarschijnlijk heel mijn leven coach blijven. Dat is iets waar ik goed in ben en wat ik leuk vind. Ik denk wel dat ik over een jaar of vijf weer een bondscoachschap voor vier tot acht jaar ga aanvaarden. Hetzij in Nederland, hetzij in het buitenland. Er zijn mogelijkheden om dat te gaan doen. Maar of ik me inderdaad weer vier jaar of langer ga voorbereiden op de Olympische Spelen is nog allemaal verre toekomst.”

http://www.uzsc.nl
http://www.robinvangalen.nl

https://twitter.com/Robinvangalen

Boek: Robin van Galen, Mijn Olympische missie (Arko Sports Media Bv)
ISBN:  9789490143015

Schrijf je in voor TOEN!