Van Raamsdonk en de Bep Van Klaveren Boks Memorial

Ieder jaar gaat de Bep Van Klaveren Boks Memorial weer van start in Rotterdam. Een interview met oud Europees prof boks kampioen Pedro Van Raamsdonk, die Van Klaveren persoonlijk heeft gekend.

Bep van Klaveren, Olympische Spelen 1928 Amsterdam. Bron: Wikipedia.nl - Nationaal Archief/Spaarnestad Photo.

Bep van Klaveren, Olympische Spelen 1928 Amsterdam. Bron: Wikipedia.nl – Nationaal Archief/Spaarnestad Photo.

Een interview met Van Raamsdonk (geboren op 2 oktober 1960) over Van Klaveren, Mohammed Ali, zijn eigen baan bij de brandweer, knock out gaan, hersenbeschadiging, religie en het redden van mensen. Van Raamsdonk: “Ik heb nooit tegen mijn verlies gekund. Als ik Monopoly speelde met mijn kinderen, wilde ik altijd de bank zijn.”

Eerst lijkt het gesprek met een van Nederlands beste boksers ooit niet door te kunnen gaan. Vlak voordat het interview moet gaan beginnen, dient Van Raamsdonk uit te rukken met zijn brandweerwagen. Er is net een melding van een brand binnen gekomen. De rode wagen scheurt de Victor-kazerne uit met Van Raamsdonk achter het stuur. Een paar uur later kan het gesprek toch nog doorgaan. De brand is succesvol geblust. In het gebouw van de Amsterdamse brandweer aan de Dapperstraat beantwoordt Van Raamsdonk geduldig alle vragen.

Op welke leeftijd ben je begonnen met boksen?

Van Raamsdonk: “Ik was tien jaar toen ik er mee begon. Ik heb eerst op voetbal, judo, karate en zwemmen gezeten. Dat heb ik allemaal in wedstrijd-verband gedaan. Ik was een vervelend mannetje vroeger en ben mijn voetbalclub DJK (De Jonge Kampioen) ben ik er afgeschopt. Ik had zo’n slechte reputatie dat geen andere club in de buurt mij meer wilde hebben. Hahaha.

Ik was vooral lastig. Vechten deed ik niet veel. Ik was vroeger geen lafaard, maar het zat er wel tegenaan. Ik was eerder bang dan dat ik een knokker was. Als ik vroeger ruzie kreeg, moest mijn broer me altijd helpen.”
“Toen ik 12 was heb ik eens iets gestolen in de Bijenkorf, maar ik wist bij God niet hoe je dat moest doen. Ik pakte een stripboek van de plank en wilde zo de deur uitlopen. Vlakbij de draaideur werd ik echter vastgepakt door een bewaker. Toen ik zag dat het een vrouw was, wilde ik haar wegduwen, maar toen werd ik vastgepakt door een man. Tijdens het duwen en trekken wilde hij me een knietje geven. Door mijn natuurlijke reflex van het boksen, gaf ik hem meteen –  pang – een rechtse en toen ging hij neer. Ik ben daarna snel weg gerend. Ze hebben me niet meer te pakken gekregen. Sinds die tijd was ik niet meer zo snel af te bluffen.”

Wat was de reden dat je begon met boksen?

Van Raamsdonk: “Ik ben met boksen begonnen toen ik net van het voetballen was afgeschopt. Een vriend van mijn vader zat op de boksschool van de Albert Cuyp. Toen ben ik, samen met mijn oudste mijn broer, eens met hem meegegaan. Dat beviel goed en sindsdien heeft de sport me niet meer losgelaten

Won je meestal als je op straat aan het vechten was?

Van Raamsdonk: “Ik heb als kind niet zo heel veel gevochten op straat, hoor. Maar in mijn herinnering won ik meestal wel, ja. Toen ik boksen als sport ging beoefenen vocht ik daarbuiten helemaal niet meer. Toen was dat afgelopen. Door het sporten werd ik, volgens mijn moeder, een stuk rustiger.”

Toen je als kind begon met boksen, merkte je toen gelijk dat je er goed in was?

Van Raamsdonk: “Nee, dat niet. Ik heb ook nooit gedacht dat ik kampioen kon worden.” Ik vond het gewoon leuk om te doen en was vanaf het begin moeilijk te raken omdat ik bliksemsnel was. Ik vond het leuk dat ik die tegenstanders wel kon raken, maar zij mij niet; helemaal omdat ik zo’n mager jongetje was vroeger. Eigenlijk ben ik nog steeds vrij slank. Ik ben nu wel pezig maar geef niet echt de indruk een echte bokser te zijn. Als je mij niet kent dan zie je dat niet. Ik ben maar een tenger ventje natuurlijk.”

“Mensen denken dat je voor het boksen sterk moet zijn, maar dat is helemaal niet noodzakelijk. Je moet iemand op de juiste manier zien te raken, snel zien te stoten en dan weer wegwezen. Sommige boksers blijven de hele wedstrijd maar naar voren lopen. Ja, dan ga je klappen vangen. Boksen is de Nobel Art of Self Defence: de edele kunst van de zelfverdediging. Dat moet je heel goed onthouden. Je moet niet constant lopen aanvallen.”

Is verdedigen belangrijker dan aanvallen in het boksen?

Van Raamsdonk: “Verdedigen is altijd belangrijk dan aanvallen. Bij alle sporten is verdedigen van meer belang dan aanvallen. Je ziet het ook bij het voetbal. Een ploeg kan nog zo goed zijn, maar als je geen sterke verdediging hebt verlies je.”

Waaruit bleek dat je talent had voor het boksen? Was dat voornamelijk omdat je snel was?

Van Raamsdonk: “Ik heb wel eens gelezen dat talent niet bestaat. Het gaat vooral om hard werken en hard trainen. Jij hebt ook moeten leren om journalist te worden. Je moet oefenen, oefenen en nog eens oefenen. Aanleg bestaat wel, maar dat is heel wat anders dan talent.”

Had je wel aanleg?

Van Raamsdonk: “Het kan niet in mijn genen zitten. Mijn vader heeft boksen immers nooit als sport beoefend. Wat ik wel in de overlevering gehoord heb over hem, was dat hij een hele goede straatvechter is geweest in Amsterdam-Noord. Ik sprak wel eens vrienden van hem en die waren er vreselijk trots op dat ze hem gekend hadden. Ze noemden hem de Witte Reus. Hij is gestorven aan astbest-kanker (longvlieskanker) op zijn 59ste. Hij werkte voor de ADM werf, waar veel met asbest gewerkt werd. Ik was 31 toen hij stierf.”

Wat ik misschien wel van hem heb geërfd is de strijdlust en het feit dat ik nooit tegen mijn verlies heb gekund. Nog steeds niet trouwens. Toen ik net gestopt was met boksen en Monopoly speelde met mijn kinderen, wilde ik altijd de bank zijn. Hahaha.”

“In de sport gaat het vaak niet om wie de beste is, maar om wie het meest wil winnen. Wie de sterkste wil heeft om te zegevieren, daar gaat het om. Dat geldt eigenlijk voor het hele leven. Dat heb ik vaak gemerkt in mijn bokscarrière, maar ook na mijn loopbaan. Ik zal je een voorbeeld geven: bij de brandweer, waar ik nu werk, ben ik vier a vijf jaar lang constant afgewezen. Toen ik ging solliciteren bij de brandweer was er een positief discriminatiebeleid. Ze namen alleen vrouwen en allochtonen aan. Sommige mensen geven het dan op, maar ik stuurde gewoon weer een sollicitatie. Na heel lang doorzetten ben ik uiteindelijk toch aangenomen.”

“Ik heb een opleiding van twee jaar moeten volgen bij de brandweer. De basisopleiding duurt een half jaar. Daarin moet je de theorie leren en je modules halen van brandwacht en adjudant-brandwacht.  Daarna ga je de praktijk in en krijg je een mentor mee. Dat is meestal een wat oudere brandwacht die al het een en ander heeft meegemaakt. Die staat je bij brand en andere calamiteiten met raad en daad bij. Ik werk hier nu vanaf 1993. Het bevalt nog steeds goed. Echt top.  Kijk, als de brandweer komt, zijn de mensen altijd blij. Ook al hebben ze die dag veel ellende te verduren dan nog zijn ze verheugd als wij er aan komen. Dat is mooi.”

Wat is het moeilijkste onderdeel van het boksen?

Van Raamsdonk: “Ik boks vanaf mijn tiende jaar. Voor mij was alles dus gewoonte geworden. Nu ik boksles geef, zie ik pas weer hoe moeilijk de sport is. Vooral het voetenwerk is ingewikkeld. Dat is het belangrijkste maar ook het moeilijkste onderdeel. Met je voeten ga je immers naar voren, maar moet je ook weer wegwezen. Je armen zijn natuurlijk ook belangrijk want je moet wel je handen omhoog houden bij het boksen. Maar Mohammed Ali hield zijn handen nooit hoog. Ali was immers nooit te raken, omdat hij een subliem voetenwerk had.”

 “Hij deed dat ook om te provoceren, zodat zijn tegenstanders zich down begonnen te voelen en begonnen te denken dat ze hem toch niet konden raken. Ali was er een kanjer in om mensen te kleineren in de ring. Dat deed hij bewust. Boksen is namelijk tijdens, maar ook vooral voor de wedstrijd, een psychologisch spelletje. Als je aan het begin van de strijd in de hoek staat, begint het intimideren al. Omdat ik lang was, keek ik meestal naar beneden. Daardoor had ik sowieso al een psychologisch overwicht.”

Boksers zie je vaak touwtjespringen. Is dat om het voetenwerk te trainen?

Van Raamsdonk: “Dat is vooral voor de coördinatie, maar ook voor de conditie natuurlijk. Ik was de meester van het touwtjespringen. Als ik in Amerika ging touwtjespringen, hield de hele sportschool op met trainen. Dan gingen ze allemaal naar mij kijken. Daar hoef je helemaal geen talent voor te hebben. Dat is vooral oefenen, oefenen en nog eens oefenen.”

Benson

G. Benson. Bron: Wikipedia

Wie waren je grote boksvoorbeelden?

Van Raamsdonk: “Mijn lievelingsliedje is al een jaartje of dertig The Greatest Love of All van George Benson (niet de versie van Whitney Houston). Als je naar dat liedje luistert, weet je precies hoe ik in elkaar zit. In dat liedje zingt Benson op een gegeven ogenblik dat hij in principe geen helden heeft. Ik heb ook nooit tegen mensen opgekeken. Ik heb wel respect voor bepaalde mensen zoals Mohammed Ali of Sugar Ray Leonard. Dat vond ik hele goede boksers maar echt tegen ze opkijken heb ik eerlijk gezegd nooit gedaan. Ik ben ook nooit fan van iemand geweest en heb ook nooit kunnen begrijpen dat iemand om mijn handtekening vroeg. Dat veranderde toen ik in Amerika Mohammed Ali tegenkwam en toch maar zijn handtekening vroeg.”

Mohammed Ali

Van Raamsdonk: “Nadat ik Nederlands kampioen was geworden ben ik vrij snel naar Amerika vertrokken. Ik kwam terecht in Los Angeles. Daar heb ik Mohammed Ali toen ontmoet. Ik kwam The Broadway Boxing Gym uit – en zag dat mijn trainers buiten over mij aan het praten waren tegen Ali. Ik moest tegen de kampioen zijn hand stoten. Hahaha. Ali zei tegen me: I’ll show you a jab (linkse directe). Daarna vroeg ik zijn handtekening. Ik moest wel even om mijzelf lachen toen ik zijn handtekening vroeg. Het deed me denken aan al die mensen die altijd mijn handtekening vroegen. Van Ali heb ik een handtekening gekregen op mijn rijbewijs. Met dat document ben ik gewoon blijven rijden. Ik heb ook nog een foto waarop ik in bokshouding tegenover Ali sta. Die heb ik ingeplakt en dicht-geseald. Ik bewaar hem heel goed.

Foto genomen bij de Broadway Boxing Gym. Terwijl de trainers van de Blonde Matador aan het praten waren over hun Nederlandse pupil zei Mohammed Ali tegen Pedro van Raamsdonk: 'Show me your Jab.' Van Raamsdonk stootte vervolgens tegen de hand van 'The Greatest'. Foto ter beschikking gesteld door Pedro van Raamsdonk.

Foto genomen bij de Broadway Boxing Gym. Terwijl de trainers van de Blonde Matador aan het praten waren over hun Nederlandse pupil zei Mohammed Ali tegen Pedro van Raamsdonk: ‘Show me your Jab.’
Van Raamsdonk stootte vervolgens tegen de hand van ‘The Greatest’.
Foto ter beschikking gesteld door Pedro van Raamsdonk.

Welke indruk maakte Ali op jou?

Van Raamsdonk: “ In de documentaire When We Were Kings, die ging over het gevecht tussen Ali en George Foreman, zag je een lijfwacht van hem die geïnterviewd werd. Die zei dat hij Ali vroeger iemand vond met een veel te grote mond. Toen kende hij hem alleen nog maar van televisie. Later, toen hij hem echt leerde kennen begon hij hem juist erg sympathiek te vinden. Hij zei over Ali: ‘Als God een naam had gehad, had hij Mohammed Ali geheten.”

“Ikzelf geloof niet in God. Ik ben een religieuze atheïst: ‘Ik geloof in het ongeloof.’ Als je gelooft, ben je per definitie onzeker. Anders weet je het toch zeker ! Ik kan die Christenen niet begrijpen. Die mensen wachten al meer dan tweeduizend jaar lang tot Jezus Christus weer eens een keer op aarde komt. Dat is toch lachwekkend. Hahaha. Ik kijk op zondag wel eens naar kerkuitzendingen. Dan lig ik in een deuk. Dat is gewoon comedy. Maar goed, ze doen niemand kwaad.

Mohammed Ali stond bekend als een groot sportman, maar ook als een agressieve macho met een supergroot ego. Hoe was het om hem te ontmoeten? Was hij sympathiek?

Van Raamsdonk: “Ja, dat wel. Maar hij was toen al een beetje ziek, dat wel. In zijn hoofd is hij nog wel vrij helder. Toen ik hem ontmoette, deed hij een goocheltruc waarbij hij met zijn duim een doekje wegtoverde. Dat was wel grappig. Maar de ontmoeting duurde niet zo lang hoor. Veel meer kan ik er niet over vertellen.”

Tijdens het interview belt Van Raamsdonk’s vrouw op om iets te overleggen. Van Raamsdonk vertelt dat hij dit jaar in oktober 25 jaar getrouwd is, hetgeen bijzonder mag heten. Menig profvoetballer haalt tegenwoordig de 25 maanden huwelijk niet eens meer.”

Wanneer ben je gestopt met boksen?

Van Raamsdonk: “Ik ben in 1991 gestopt. Toen was ik 31 jaar. Ik geef nog wel boksles. Ik ben nu bokstrainer bij Chakuriki in Amsterdam-Noord en personal trainer, zoals dat tegenwoordig heet.”
“Ik ben niet gestopt omdat ik het lichamelijk niet meer aankon. Ik voelde me nog top, maar geestelijk ga je echt stuk van dat boksen. Je krijgt met zoveel teleurstellingen te maken. Je bokst soms maar één wedstrijd in het jaar. Dat kon ik niet blijven volhouden. Soms trainde je heel hard en dan ging het gevecht weer niet door. Dat patroon herhaalde zich steeds opnieuw. Zoiets hakt er echt in. Als je bij de top van de wereld zit en je staat voor een kampioenschap en verliest een keer dan word je ook gelijk een paar jaar terug geworpen. Het is niet zoals bij profvoetbal waar je elk jaar kans maakt om Nederlands kampioen te worden. Bij het amateurboksen kan dat wel, maar ik spreek nu over profboksen. Bij het amateurboksen moet je op Europees- of Wereldniveau ook wel weer twee jaar wachten om mee te kunnen doen. Een keer in de twee jaar zijn er een EK of een WK.”

“Zo’n wereldkampioenschap is bij veel individuele sporten vaak zwaarder dan de Olympische Spelen. Bij boksen is dat zeker zo. Dat komt doordat veel landen de Olympische Spelen dikwijls gebruikt hebben om een politiek statement te maken. Soms komen ze gewoon niet. Wereldkampioenschappen staan minder in de picture en zijn politiek minder beladen waardoor iedereen gewoon komt. De Olympische Spelen hebben wel meer aanzien dan de wereldkampioenschappen. Tijdens de Spelen van 1984 werd ik vijfde. In 1982 werd ik derde op de Wereldkampioenschappen. Bij de amateurs heb ik tweede van de wereld gestaan en als professional heb ik de derde plaats op de wereldranglijst gehaald.”

Waar was het aan te wijten dat je geen wereldkampioen bent geworden? Was het gewoon pech?

Van Raamsdonk: “Je moet altijd een beetje geluk hebben tijdens zo’n toernooi. Tijdens het wereldkampioenschap in 1982 had ik bij de loting geen geluk. Ik heb daar tegen vrij goede jongens gestaan. In die zelfde periode ben ik bij het Europees kampioenschap tweede geworden. Toen verloor ik in de finale nipt van een Rus. In de halve finale van het wereldkampioenschap verloor ik van een Fin. Daarna ben ik nog wel Europees kampioen bij de professionals geworden. Dat is de grootste prijs die ik gewonnen heb in mijn loopbaan. Als ik terugkijk, ben ik zeker trots op mijn EK- en WK-medailles, maar de Olympische Spelen had eigenlijk mijn hoogtepunt moeten zijn. Daar heb ik gewoon gefaald. Mijn natuurlijke gewicht was toen eigenlijk te zwaar voor de klasse waarin ik bokste.  Ik woog rond de 78 kilo, maar ik moest steeds onder de 75 kilo zien te komen. Het is nagemeten door een sport-medisch-centrum dat als ik onder de 75 kilo woog, ik een vetgehalte kreeg van iemand die anorexia nervosa had. En met zo’n laag vetgehalte moest ik dan nog gaan boksen! Stel je voor. Ik heb twee partijen gewonnen tijdens de Spelen, maar de derde verloor ik. Ik kon echt niet meer en was lichamelijk helemaal op. Het had wellicht voorkomen kunnen worden, maar toentertijd was de kennis nog niet zo ver als nu. Tegenwoordig kun je artsen meenemen. Wij waren nog niet zo ver en deden maar wat. Hahaha.”

Wat was de sterkste bokser tegen wie je ooit in de ring hebt gestaan?

Van Raamsdonk: “Dat was Tarmo Uusivirta, een Fin. Daar heb ik van verloren tijdens de wereldkampioenschappen van 1982. Kijk, dat is weer het rare van het boksen: ik heb van hem verloren omdat zijn stijl me totaal niet lag. Tijdens het Europees kampioenschap (1981) dat daar aan voorafging, heb ik tegen een Roemeense jongen gebokst (Valentin Silaghi) – die was derde geworden tijdens de Olympische Spelen van Moskou.  Die had van die Fin Uusivirta gewonnen, terwijl ik twee keer van die Roemeen heb gewonnen in mijn leven. Dat is het geheim van de sport. Ik denk dat ik nooit van die Uusivirta had kunnen winnen, maar ik heb wel gewonnen van iemand waarvan hij verloren heeft. Dat ligt puur aan de verschillende stijlen.”

“Ik had zelf ook een hele nare stijl voor mensen, denk ik. Ik ben niet sterk, maar voor een lang iemand was ik erg snel en bewegelijk. Dat zijn lange mensen vaak niet. Ik ging snel naar voren toe, maar spurtte ook weer snel naar achteren. Zo kon ik meer stoten uitdelen dan incasseren. Ik ben niet gelovig, maar ik bokste wel zoals in de Bijbel geschreven staat: ‘Het is zaliger te geven dan te ontvangen.’ Hahaha.”

Foreman

George Foreman. Bron: Wikipedia

Zou je tegenwoordig nog meekunnen in de ring? George Foreman was ook 45 toen hij opnieuw wereldkampioen werd.

Van Raamsdonk: “In mijn hart zeg ik natuurlijk dat ik nog steeds kampioen kan worden, maar in de realiteit gaat dat absoluut niet meer. Foreman was natuurlijk ook wel van een hele aparte categorie. Die man werd ongenaakbaar wereldkampioen. Hij was zo groot en zo sterk. Verschrikkelijk gewoon. Zulke mensen zijn uitzonderingen. Mensen als Wim Ruska en Anton Geesink hadden dat ook, maar er zijn er niet veel van.”

Zou je kinderen aanraden om te gaan boksen? Of is het te gevaarlijk?

Van Raamsdonk: “Mijn eigen kinderen heb ik het niet aangeraden. Als ouders goed zijn geweest in een bepaalde sport gaan de mensen altijd vergelijken. Dat heb ik in mijn tijd vaak zien gebeuren met kinderen van bekende sporters. Dat is niks. Mijn kinderen zouden eventueel meer kunnen gaan presteren in het boksen dan ik, maar dat wordt gezien mijn palmares wel heel lastig natuurlijk.”

“Ik zou ze het boksen niet afraden omdat het te risicovol is. Het amateurboksen is tegenwoordig zeker niet gevaarlijk meer. Tegenwoordig werken ze met een computertelling. Een jurylid heeft een rode of een blauwe hoek en kijkt alleen of de stoot hard is of zacht en geeft dan een punt. Of je hard stoot of zacht, blijft het zelfde en is maar één treffer waard. Soms stoot een bepaalde bokser als een gek, maar treft hij de ander geen een keer. Je hebt vijf juryleden en drie van de vijf moeten binnen een seconde na de stoot gedrukt hebben. Als dat niet gebeurt, is het geen treffer. Het amateurboksen is, grof gezegd, een soort Tikkertje-spel geworden. Je mag wel hard slaan, maar dat kost eigenlijk te veel energie en is dus niet zinvol. Je krijgt er geen extra punten voor. Het boksen is op deze manier veel veiliger geworden.”

De Belgische bokser Freddy De Kerpel (61) heeft eens gezegd dat boksen een soort ‘License to Kill’ is. Klopt dat dan niet?

Van Raamsdonk: “Kijk, we hoeven er geen doekjes om te winden, profboksen blijft een gevaarlijke sport. In tegenstelling tot het amateurboksen proberen ze je bij de beroepsboksers echt pijn te doen. Bij profboksen word je harder geslagen dan bij de amateurs en je hebt meer rondes te vechten. Dat is geen veredeld Tikkertje spelen. Bij amateurboksen sta je maar drie rondes in de ring en bij de profs twaalf. Ik zelf vind profboksen niet gevaarlijk, maar je moet de klappen wel goed zien te ontwijken, ander heb je een groot probleem.”

“Maar als je auto rijdt, kun je ook een ongeluk maken. Je moet de gevaren gewoon zien te minimaliseren. Dat doen de meeste boksers ook, mag ik tenminste hopen. Anders vallen er per dag acht doden. In de tijd van De Kerpel, lieten ze veel meer toe dan tegenwoordig. Dan is het gevaarlijk natuurlijk. Nu stoppen ze voor het minste of geringste al een wedstrijd.”

Probeer je bij het profboksen altijd om iemand neer te slaan, of gaat het toch voornamelijk om techniek en het scoren van punten?

Van Raamsdonk: “Als je echt iemand probeert neer te slaan, lukt dat nooit. Er is helemaal niemand – een uitzondering daargelaten – die kan zeggen: ‘met deze stoot ga je neer’. Dat is onmogelijk. Een knock out stoot gaat altijd per ongeluk. Een knock out stoot is vrijwel altijd een stoot die je niet ziet aankomen en hoeft niet per se hard te zijn om je neer te laten gaan. Elke stoot kan een Lucky Punch zijn.”

Ben je in de ring soms echt bang voor een tegenstander?

Van Raamsdonk: “Ik ben nooit bang. Als jij de ring in gaat om te boksen, dan ben je in principe niet bang. Waar je wel bang voor bent, is om te verliezen. Ik denk dat elke topsporter bang is om te verliezen. Individuele sporters waarschijnlijk wel meer dan team-sporters. Als je bij het voetbal verliest, kijkt het stadion immers naar 22 man. Als je als bokser verliest is alle aandacht op jou gericht. Dat is zwaar. Dan is de ring de meest eenzame plek van de wereld. Helemaal als het een top-partij is.”

“Toen ik naar de Olympische Spelen ging, had ik aan Jan en Alleman verteld dat ik ging winnen. Je toch zeker niet vertellen dat je gaat verliezen? Maar zo zelfverzekerd optreden kan niet in Nederland. Dat mag hier niet. Je moet bescheiden blijven. Om zijn mening kracht bij te zetten begint Van Raamsdonk vervolgens Peter Blanker’s lied ‘Het is Moeilijk Bescheiden te Blijven ’te zingen. Van Raamsdonk: “Als een journalist aan me vroeg: ‘wat ga je doen op de Olympische Spelen?’ dan zei ik meteen ‘Ik ga winnen’.  Daar was ik zelf ook heilig van overtuigd trouwens. Ik zei het vaak tegen mensen. Maar toen verloor ik dus. Dat is natuurlijk het mooiste wat er bestaat voor de mensen. Dan denken ze ‘daar heb je hem weer met zijn grote mond’, maar hij heeft wel mooi verloren. Maar ook daar moet je over heen zien te komen. Ook dat hoort bij de sport.”

Boksen is natuurlijk ook een macho sport. Is het niet gewoon noodzakelijk om te bluffen en stoere uitspraken te doen?

Van Raamsdonk: “Ik hoor mensen die gekwalificeerd zijn voor de Olympische Spelen of andere sporters wel eens zeggen dat ze ‘hopen’ om dit of dat te bereiken. Eerst hopen ze zich te kwalificeren en daarna hopen ze bij de eerste tien te eindigen. Dan hoef je wat mij betreft al niet meer te gaan. Je moet op zo’n groot toernooi gewoon gaan voor de winst of minimaal een medaille willen halen. Ik ging altijd voor de winst. Als ik van tevoren geweten had dat ik niet zou zegevieren daar, was ik niet eens gegaan. Die Olympische leuze van ‘meedoen is belangrijker dan winnen’ is natuurlijk gelul. Iedereen wil winnen. Als je verliest ben je gewoon teleurgesteld.”
“Nu zoveel jaar later, ben ik wel trots dat ik op de Spelen van Los Angeles geweest ben hoor. Ik behoor nu tenslotte tot de Olympische familie.”

Heb je vaak tegenstanders knock out geslagen?

Van Raamsdonk: “Ik was zeker geen echte knock outer zoals Mike Tyson. Als je daar tegen vocht, wist je bijna zeker dat je knock out ging. Ik zag mezelf meer als een puntenbokser. Ik heb laatst echter nog eens in mijn uitslagenboekje gekeken en toen zag ik dat ik toch ook veel op knock out heb gewonnen.”

Ben je zelf wel eens knock out gegaan?

Van Raamsdonk: “ Nooit. Ik ben wel eens neergegaan, maar nooit meer dan tien tellen. , bij knock out blijf je meer dan tien seconden lang op de grond liggen. Dat heb ik nooit meegemaakt. Ik ben wel één of twee keer knock down gegaan, maar ben nooit echt buiten kennis geweest tijdens een gevecht. Ik kon altijd gewoon doorknokken. Bij het amateurboksen is er maar zelden een knock out. Dat hebben ze gedaan omdat het boksen veiliger moest worden, anders zouden ze de sport van de Olympische kalender afhalen. Hoofdkappen werden al tijdens de Olympische Spelen van Los Angeles verplicht gesteld. Vervolgens hebben ze ook nog het computer-puntensysteem bedacht. Nu is het een veredeld tikkertje spelen geworden, zoals ik al zei.”

Is dat een achteruitgang?

Van Raamsdonk: “Eigenlijk is het eerder een vooruitgang omdat het nu vooral een technische sport geworden is. Technische jongens hebben nu voordeel op de echte knokkers. Vroeger, in mijn tijd, moest je goed voor de dag komen om van die knock-outers te winnen. Je moest die beukers goed van je af zien te houden want anders ze maakten ze je echt moe. Ik was meer een technische bokser, dus meestal lukte dat vrij goed.”

Boksers hebben soms last van hersenbeschadiging. Ik zie een groot litteken op je hoofd zitten en je ooglid hangt een beetje. Je hebt meer dan twintig jaar gebokst. Ben je verder ongeschonden uit die zware strijd gekomen?

“Ik ben inderdaad relatief ongeschonden uit de strijd gekomen. Ik ben nooit echt hard geraakt. Als ik hard getroffen dreigde te worden, boog ik altijd mee waardoor ik er verder geen gevolgen van had. Omdat ik erg goed was in het ontwijken van klappen, noemden ze mij in Amerika de Matador. Zelf heb ik er de Blonde Matador van gemaakt.”
Van Raamsdonk: “Dat litteken is niet van het boksen. Ik ben in mijn jeugd ooit van een ladder gevallen. In mijn kinderjaren heb ik 4 à 5 zware hersenschuddingen gehad omdat ik heel wild was. Als ik inderdaad hersenbeschadiging heb opgelopen dan komt dat van het vallen en niet van het boksen.”

“Ik heb eigenlijk nooit pijn gehad door het boksen. Het is misschien raar, maar als je een stoot voor je hoofd krijgt, voel je dat niet. Hoogstens merk je het achteraf een beetje. Pijn aan mijn handen heb ik wel gehad. Hier op mijn pols heb ik bijvoorbeeld een knobbel zitten. Kijk maar. Een beetje bokser heeft altijd zo’n bult op zijn pols. Dat betekent dat je ooit een middenhandsbeentje gebroken hebt. Boksers die lang gebokst hebben, hebben dat allemaal. Als ze dat niet hebben, zijn het geen boksers geweest. Het is het enige dat ik ooit gebroken heb. Verder is alles nog heel. Mijn neus zit er ook nog steeds prima in.”

“Op een gegeven moment begon ik wel onverstaanbaar te praten, Toen vroeg ik mijzelf wel even af of ik toch geen hersenbeschadiging opgelopen had? Toen heb ik een ECG en een CT-scan laten maken en die waren allebei goed. Naderhand bleek wel dat mijn stembanden niet in orde waren. Ik heb vroeger nekspieroefeningen gedaan om stoten op te kunnen vangen. Dan drukken ze tijdens trainingen regelmatig tegen je keel aan en moet je tegendruk geven. Dat moet omdat je toch nooit alle stoten helemaal goed kunt ontwijken. Met zo’n dun kippen-nekkie ga je immers achter elkaar neer. Dat is gevaarlijk. Als bokser moet je gewoon een sterke nek hebben. Mijn logopediste denkt nu dat er door die nekspieroefeningen te veel spanning op mijn nek gekomen is.”

In films zie je vaak dat bokswedstrijden verkocht worden. Heb jij dat ook meegemaakt?

Van Raamsdonk: “Ikzelf heb dat nooit meegemaakt. Het is me nooit voorgesteld om een wedstrijd te verkopen. Ik kan het niet met zekerheid zeggen, maar ik denk dat het niet meer voorkomt in de Bokssport. Ik wil er mijn handen niet voor in het vuur steken, maar ik heb er tijdens mijn carrière nooit van gehoord.  Tegenwoordig is er bovendien zoveel media-aandacht rond grote gevechten dat het me nu onmogelijk lijkt om met uitslagen te rommelen.”
“Vroeger gebeurde dat misschien wel toen de Maffia zich ermee bemoeide. Ik heb Bep van Klaveren wel eens gesproken en die zei dat het in zijn tijd soms gebeurde. Dan kwam de Maffia naar hem toe om te zeggen dat hij moest verliezen, maar dat deed hij nooit. Hahaha.”

Kende je Bep van Klaveren goed?

Van Raamsdonk: “Die kende ik goed ja. Om hem uit zijn tent te lokken vroeg ik wel eens aan hem wie er beter was: Bep Van Klaveren of zijn grote concurrent Luc van Dam? Dan zei hij met een rauw Rotterdams accent: ‘Ik sla hem de pleuris!’ Hahaha”
“Bep van Klaveren is heel bekend in Los Angeles. Als ik in boksscholen mensen van zijn leeftijd tegenkwam en zei dat ik uit Nederland kwam, zeiden ze meteen: ‘Do you know Bep?’ Van Klaveren vond mij een goede bokser, heeft hij mij verteld. Terwijl Bep een heel andere stijl had dan ik. Hij was een echte knokker en ik een vooral een technische bokser.”

Was Bep Van Klaveren technisch niet zo’n goede bokser?

Van Raamsdonk: “Ach, in die tijd was het een hele andere sport. Het boksen evolueert ook. Als niet-kenner zie je dat niet. Kijk, het voetbal is veel sneller geworden, maar het Boksen ook. Het Boksen van nu is, mede door het computersysteem, wel vier keer zo snel als in mijn tijd. Misschien nog wel sneller. Daarom is het ook zo moeilijk om goed te beoordelen of een stoot wel of niet raak is.”

Soms zie je bij het Boksen dat de puntentelling van de jury zwaar bekritiseerd wordt. Heeft dat niks met fraude of de verkoop van wedstrijden te maken?

Van Raamsdonk: “Kijk, sporten met een jury zijn altijd discutabel. Met judo en kunstrijden heb je ook een jury. Bij judo gooien ze soms een Ipon en dan blijkt het toch weer geen Ipon te zijn. Dat blijf je houden. Wat de een goed vindt, vindt de ander weer niet goed. En wat de ene gezien heeft, heeft de ander weer niet geconstateerd. Soms zien scheidsrechters in de ene hoek gewoon niet wat in de andere hoek gebeurt.”

“Wat ook voorkomt is dat juryleden uit landsbelang sommige boksers meer punten geven dan ze verdienen. Nederlandse juryleden proberen altijd zo eerlijk mogelijk te zijn. Dat was in mijn tijd ook al het geval. Bij twijfel geven ze de overwinning vaak aan de buitenlandse tegenstander. In het buitenland is het net andersom. In Frankrijk moet je bijvoorbeeld je tegenstander eerst hard knock out slaan en hem daarna nog een schop er achteraan geven, anders verlies je nog.”

“Het is bekend dat je in Frankrijk heel moeilijk kan winnen. Ik bokste daar in de jaren tachtig om de Europese titel tegen een Fransman. Onlangs heb ik gehoord dat ze de rondes waarin hij de bovenhand had, langer hadden gemaakt terwijl ze de rondes waarin ik beter bokste hadden ingekort. Hahaha. Dat zou in Nederland ondenkbaar zijn, want hier willen ze te eerlijk zijn. Je moet in principe ook eerlijk zijn natuurlijk, maar ik vind wel dat als het een beetje discutabel is, je de overwinning wel aan een landgenoot moet geven. Dat doen ze in het buitenland tenslotte ook.”

Wat is volgens jou de beste bokser aller tijden?

Van Raamsdonk: “Ik twijfel tussen Mohammed Ali en Sugar Ray Leonard. Die laatste vond ik ook een geweldige bokser, maar als je kijkt naar alle tegenslag en ellende die Mohammed Ali heeft gehad, dan moet je misschien toch voor Ali kiezen.”

Cind

Cinderella Man. Bron: Wikipedia

Wat is de beste boksfilm die je ooit gezien hebt?

Van Raamsdonk: “Cinderella Man. Dat is een waar gebeurd verhaal. Het is echt een goede film. Het boksen wordt niet echt waarheidsgetrouw uitgebeeld, maar het verhaal spreekt me erg aan. Het gaat over bokser Jim Braddock die tijdens de Grote Depressie aan lager wal raakt, maar zich toch weer terugknokt naar de top. Raging Bull met Robert De Niro vind ik qua verhaal minder goed. De hoofdpersoon was gewoon een beuker. Daar is niet zo veel aan. Million Dollar Baby met Lucia Rijker slaat helemaal nergens op. Op een bepaald moment zie je een van de boksers zwaar neergeslagen worden en een hoofd in elkaar deuken. Het gebeurt op een manier die helemaal niet mag. Als je dat als bokser doet, word je meteen gediskwalificeerd.”

“De Rocky-films zijn puur als amusement ook wel leuk vind ik. Er zijn er zes van gemaakt. Het boksen zelf stelt in die films ook niet veel voor, maar in die tijd boksten ze wel een beetje op die manier. Als je nu zo on-technisch bokst als in de Rocky-films verlies je – een uitzondering als Tyson daargelaten – vrijwel altijd. Techniek wint het uiteindelijk altijd van kracht. Ik heb vaak tegen sterke jongens gestaan in mijn carrière en heel vaak gewonnen. Sterke boksers vertrouwen te veel op hun kracht. Als ze moe worden, is dat een probleem. Dan neemt hun kracht af en beginnen ze minder hard en doeltreffend te stoten. Als technische bokser kun je je techniek meestal wel behouden en de partij uitboksen. Knokkers kunnen dan niks meer waardoor technische bokser vaak kunnen winnen.”

“Dat was ook het verschil tussen Mohammed Ali en George Foreman tijdens hun titelgevecht in Congo. Dat zag je goed in de film When we were Kings. Mohammed Ali putte Foreman eerst uit en sloeg daarna toe. Het was een psychologisch spelletje. Ali jutte Foreman op door tijdens het boksen te zeggen: ‘Ik heb gehoord dat je hard kunt slaan, maar ik merk er niks van.’ Ali begon de tegenstander vaak al stuk te maken voor de bokswedstrijd begonnen was. Die man was mentaal zo verschrikkelijk sterk en legde zichzelf altijd zoveel druk. Ongelofelijk gewoon. Hij schreeuwde dingen als ‘I am the Greatest’ en zo voorts, en moest dat dan ook nog eens gaan waarmaken. Ga er maar aanstaan. Ik heb wel eens gehoord dat hij na zijn geschreeuw en gebluf voor de camera’s altijd even moest uitrusten. Zo erg wond hij zich op.”

“Ali was een zegen voor het boksen. Hij heeft het boksen wereldwijd populair gemaakt en de sport op een hoger pijl gebracht. Massa’s mensen stonden heel vroeg op om Mohammed Ali te zien vechten. Dan doen ze nu niet meer hoor. Op een gegeven moment was Mohammed Ali de bekendste mens ter wereld. Iedereen kende hem, al kwam je in de bushbush van Kenia. Fantastisch.”

Brandweer

Brandweerwagen. Bron: Wikipedia

Heb je in je huidige werk bij de brandweer wat aan je verleden als bokser?

Van Raamsdonk: “Nou kijk, als je een brand in gaat om mensen uit een brandend huis te halen, dan moet je wel over een bepaalde kracht beschikken. Als je een brand ingaat en je wordt moe, dan kun je niet zeggen van ‘ik stop er even mee.’ Dan moet je doorgaan. Dat is in de topsport ook zo.”

“Vroeger sloeg ik mensen in elkaar en nu red ik ze, zeg ik wel eens. In het verleden vocht ik tegen mensen en nu strijd ik tegen vuur. Dat is echter slechts een onderdeel van alles wat we doen. Als brandweerman geef ik ‘alle hulp aan mens en dier’. We houden ons ook bezig met hulpverlening en reanimeren. Reanimeren doe ik een paar keer in de week. Mond op mond beademing is vrij zeldzaam. Als het nodig is passen we ook hartmassage toe. De ambulance is er meestal ook binnen de minuut. Die nemen het dan van ons over.”

“Ook bij wateroverlast of een gaslek komen we langs. Dan stabiliseren we de boel. We zorgen ervoor dat het water of het gas niet meer lekt en de mensen weer kunnen slapen in hun eigen bed. Echt zaken repareren en herstellen doen we niet. Ik ben geen loodgieter.”

Je was vroeger bokser en nu brandweerman. Dat zijn gevaarlijke beroepen. Zoek je altijd kicks op?

Van Raamsdonk: “Ik zoek niet echt de kick op, maar misschien wel de spanning. Op een kantoor zou ik niet kunnen werken. Daar word ik gek.”

Je bent al enkele jaren bezig met een autobiografie. Wanneer gaat die verschijnen?

Van Raamsdonk: “Dat gaat nog wel even duren. Ik ben zo lui. Je moet er echt tijd voor maken en dat is lastig. Als ik er dan aan begin, moet ik opeens weer met de brandweer uitrukken. Als je dan terugkomt, moet je weer opnieuw beginnen. Dat werkt niet. Ik ben nu 49 en heb me voorgenomen dat het boek voor mijn vijftigste klaar moet zijn. De titel weet ik nog niet. Misschien wordt het wel: Succes met ADHD.  Nee, dat is een geintje. Het klopt wel dat ik ADHD heb. De dokter heeft dat geconstateerd. Eerst dachten ze dat ik minimal brain-damage gehad, maar dat was het toch niet. Van kinds af aan heb ik het al, maar die aandoening was vroeger niet bekend. Je komt er niet meer van af, maar ik kan er goed mee omgaan.”

“Er zitten een paar voordelen aan ADHD die goed van pas komen bij de brandweer en het boksen. Als andere mensen zich druk maken of in paniek raken, dan word ik juist heel rustig. Dan komt bij mij de endorfine vrij in mijn hersens. Dat had ik vroeger al. Ik voelde me altijd het beste als ik naar de ring toe ging. De meeste boksers zijn dan nerveus, maar ik voelde me dan juist erg goed.”

Wat zijn je plannen voor de toekomst?

Van Raamsdonk: “Ik ben van plan zo oud mogelijk te worden. Nee, ik ga gewoon door met werken bij de brandweer en boksles geven aan recreanten. Het heeft lang geduurd voor ik me echt leraar voelde, maar tegenwoordig voel ik me echt goed in die rol. Ik ben na mijn carrière ook wel eens gevraagd om in een commissie te zitten om topsporters te begeleiden, maar dat heb ik nooit gedaan omdat ik me nog te veel topsporter voelde en geen echter leraar. Tegenwoordig is dat veranderd en voel ik me prima in mijn rol van begeleider.”

http://www.pedrovanraamsdonk.com
http://www.pedrovanraamsdonk.com/boksen/
http://www.bepvanklaverenmemorial.nl/

Van Raamsdonk’s favoriete songtekst:

The Greatest Love Of All  (George Benson)
I believe the children are our future
Teach them well and let them lead the way
Show them all the beauty they possess inside
Give them a sense of pride to make it easier
Let the children’s laughter remind us of how it use to be
Everybody’s searching for a hero
People need someone to look up to
I never found anyone to fulfill my needs
A lonely place to be
So I learned to depend on me
Chorus:
I decided long ago, never to walk in anyone’s shadow
If I fail, If I succeed
At least I live as I believe
No matter what they take from me
They can’t take away my dignity
Because the greatest love of all
Is happening to me
The greatest love of all
Is easy to achive
Learning to love yourself
It is the greatest love of all
I believe the children are our future
Teach them well and let them lead the way
Show them all the beauty they possess inside
Give them a sense of pride to make it easier
Let the children’s laughter remind us how we use to be
Chorus
And if by chance that special place
That you’ve been dreaming of
Leads you to a lonely place
Find your strength in love

2 Reacties op Van Raamsdonk en de Bep Van Klaveren Boks Memorial

Geef een reactie

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!