Interview precisie-schutter De Punt

Voor het eerst sinds de laatste Molukse gijzeling in 1978 in Assen beëindigd werd, heeft een direct betrokkene een historische roman geschreven over de bloedig verlopen treinkaping bij De Punt (1977), waarbij acht doden vielen. Het boek Indien gericht… Vuur! van een commandant van de precisieschutters, Kees Kommer, ligt vanaf januari 2010 in de boekhandel. Een interview over schuld, trauma’s, Charlie Chaplin, de RMS, sex, corruptie en de militaire opzet van de kapingen.

Vertraging

Of de duvel er mee speelt, ligt op de dag van het interview het Nederlandse treinverkeer weer plat. 33 jaar na de treinkaping bij De Punt is er vandaag ook weer vertraging op het spoor. Gelukkig heeft dat een andere reden dan in ’77. Namelijk: nat winterweer en sneeuw op de rails. Toch kan het interview met een leidinggevende van de precisieschutters beginnen. Kees Kommer is ruim op tijd, net als ondergetekende.

Kommer wil met zijn historische roman recht doen aan de Molukse zaak en een beeld schetsen van de rol die de eenheid der precisieschutters (Bijzondere Bijstands Eenheid Krijgsmacht = BBEK) speelde tijdens de gewelddadig beëindigde treinkaping.
Kommer geeft in zijn roman vorm aan de ellende van de Molukkers in het na-oorlogse Nederland. Hij laat zien waar het streven naar rechtvaardigheid en het ideaal van een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken (RMS) vandaan kwam en gaat daarbij niet voorbij aan het historisch pijnlijke feit dat de Molukkers na aankomst in Nederland gehuisvest werden in dezelfde kampen waarin eerst Joden en daarna NSB-ers hadden gezeten. Ook de (valse) belofte van de Nederlandse regering dat ze spoedig zouden kunnen terugkeren naar hun land komt aan bod.
Kommer: “De Nederlandse regering had in het verleden behoedzamer met de Molukkers moeten omgaan. Men had beter voor ze moeten zorgen en de Molukse KNIL-soldaten niet meteen bij aankomst in Nederland moeten ontslaan uit het leger waar ze in zaten (1951). Daarmee is de ellende begonnen. Daarna zijn ze continu aan het lijntje gehouden waardoor ze de Nederlandse overheid en hun eigen leiders op den duur niet meer geloofden, met als resultaat dat Molukse jongeren overgingen tot gijzelingen, bezettingen en kapingen.”

Kommer’s roman zit vol met corruptie, sex en geweld. Hoewel het daarbij puur om fictie gaat om het verhaal leesbaar te maken, heeft Kommer dat soort dingen in lichte vorm ook wel zelf meegemaakt in zijn werkzame leven. Old-boys networks en kleine doofpot-affaires heeft hij zelf van dichtbij kunnen aanschouwen. Kommer: “Dat soort zaken willen de mensen toch lezen.”
Het boek is verhalend geschreven à la Henning Mankell. Tomas Ross en Wilbur Smith. Kommer hanteert een directe vorm en schrijft in de tegenwoordige tijd vanuit de derde persoon enkelvoud. Met zijn roman wil Kommer naar eigen zeggen ‘de lezer meevoeren en de werkelijkheid verbreden om zo de kaping dichter bij het publiek te brengen’.
Kommer komt nu pas met zijn boek naar buiten omdat hij denkt dat het veiligheidshalve nu pas kan: 33 jaar na de kaping. Tien à twintig jaar geleden was dat volgens hem nog niet mogelijk. Molukkers die Kommer gesproken heeft, denken bovendien dat het goed is dat de affaire ook eens van zijn kant bekeken wordt. Hij kijkt uit naar de reacties.

Wat betekent de titel van uw boek: Indien gericht….vuur! eigenlijk?

Kees Kommer

Kommer: “Dat was het ultieme vuurcommando dat gegeven werd bij de bevrijding van de trein in de Punt. Tijdens onze trainingen deden we het ook op die manier. Nadat de schutters gemeld hadden dat ze gereed waren om de trekker over te halen, riep de commandant op het moment dat er geschoten moest worden : “Indien gericht…Vuur!”
“De titel heeft echter ook een dubbele betekenis. Het onderliggende thema van het boek is: al of niet geboren worden is de grootste toevalligheid van het leven, net als dood gaan. Over doodgaan wordt soms echter democratisch beslist.”
“In het eerste hoofdstuk ontmoeten de twee hoofdfiguren,Gustaaf Lilipaly en Arjan de Groot, elkaar. Beide mannen zijn dienstplichtig en komen op in de Apeldoornse Koning Willem III kazerne, waar de opleiding tot Marechaussee zit (dienstplichtig en beroeps). Werkt Jos Verton daar als beroeps, Lilipaly en De Groot volgen de opleiding tot reserve-officier. Tijdens de eindoefening van hun opleiding wordt Gustaaf Lilipaly door zijn kloten geschoten met onvruchtbaarheid tot gevolg. Lilipaly verdenkt Arjan de Groot ervan achter de aanslag op zijn edele delen te zitten. Die verdenking blijft het hele boek door-etteren. Het thema van geboren worden, leven en sterven blijft continu een rol spelen.”

Wanneer is het idee bij u opgekomen om deze roman te schrijven?

Kommer: “De eerste tien jaar heb ik de kaping wat weggedrukt, maar toen een bevriend koppel me in 1987 vragen begon te stellen over de affaire en zij er een tv-registratie van wilden maken dacht ik bij mezelf: daar moet ik nu eens iets mee gaan doen. Toen ben ik niet alleen over de gijzelingen en kapingen gaan schrijven, maar over mijn hele leven: een soort biografie of tijdsdocument. Schrijven was toch al iets dat ik graag deed. Vorig jaar juni was ik met mijn biografie zo ver – het bestaat denk ik nu uit ongeveer 15.000 pagina’s – dat ik helemaal bij was tot in de huidige tijd. Het verleden was daarmee afgerond. Toen dacht ik: nu moet eerst dat boek over De Punt eruit.”
“In augustus 2008 ben ik er aan begonnen. Vanaf die tijd was ik er 24 uur per dag en zeven dagen in de week mee bezig (schrijven, denken etc.). Tussen het idee om het allemaal op te schrijven en het schrijven zelf zit dus eenentwintig jaar. Ik had van tevoren natuurlijk al wel heel veel informatie opgevraagd en verzameld. Dat scheelt. In maart 2009 had ik het manuscript af. Toen moest ik echter nog een uitgever zien te vinden. Dat is uiteindelijk ook gelukt.”
“In mijn boek gebruik ik – om mijn geheugen op te frissen – onder meer informatie en beelden uit het boek De Molukse Acties van Peter Bootsma en de documentaire Dutch Approach. In mijn boek leg ik mensen teksten in de mond die zo zijn uitgesproken of tegen die werkelijkheid aanliggen. Ze geven een sfeer weer.”

Verzetsstrijders

Kommer: “In mijn roman toon ik mijn sociale betrokkenheid naar de Molukse gemeenschap. Ik heb altijd respect gehad voor die Molukse gasten die die gijzelingen deden. Ik zag ze als een soort verzetsstrijders. Ik vind alleen dat ze een stap te ver gingen door er levens mee in de waagschaal te stellen en mensen te doden. Ze konden van tevoren weten dat als ze in die trein zouden gaan zitten ze meteen politie en precisieschutters om zich heen zouden krijgen. Met zo’n kaping maak je jezelf en de passagiers immers tot een centraal doel.”
“Ik heb wel eens gezegd: ‘waarom gaan ze niet ontvoeren?’ Ze hadden beter een of andere minister kunnen kidnappen. Dan hoef je alleen maar te dreigen en zo nu en dan eens een pinkje op te sturen, omdat toch niemand weet waar je zit. Op die manier was de druk veel groter geweest. Maar nee, ze gaan in zo’n trein zitten met allemaal schutters om zich heen. Dan is de kans groot dat je doodgeschoten wordt. Ik heb het altijd in ze bewonderd dat ze dat durfden. Zij hadden de moed om hun leven te geven voor hun ideaal en hun vrienden. Dat zie je bijna nergens meer. Daarom denk ik dat dergelijke kapingen nu ook niet meer gebeuren. Ook in de huidige Molukse cultuur past dat volgens mij niet meer.”
“Daar komt nog bij dat de meeste Molukkers ook niet meer terug willen naar hun plek van herkomst. In mijn boek bespreek ik dat ook. Ze hebben het zo goed hier in Nederland dat een terugkeer niet zinvol meer is. Ze sturen hun familie nog wel geld toe, maar gaan zelf niet meer terug. Ze bezoeken het land nog wel voor een vakantie maar niet om daar permanent te verblijven. Aan het eind van de zeventiger jaren is dat ideaal van terugkeer bij die jonge generatie minder geworden, of liever gezegd op de achtergrond gedrongen.”
“Bij de laatste gijzeling in het Provinciehuis van Assen in ’78 was ik ook weer met dezelfde eenheid aanwezig. Nadat die actie opnieuw met geweld was beëindigd kreeg ik sterk het gevoel dat het wel eens de laatste gewelddadige Molukse actie geweest zou kunnen zijn en dat is ook uitgekomen. Toen begrepen ze dat de overheid toch niet zou toegeven en het RMS-ideaal niet haalbaar was. Indonesië zou het nooit toestaan.”
“De Molukkers zijn veel realistischer geworden en zien nu in dat Indonesië nooit een onafhankelijke RMS-staat toe zal staan op zijn grondgebeid. Ze willen daarom gewoon in Nederland blijven en hun kinderen hier opvoeden.”

Heeft u het boek ook uit therapeutisch oogpunt geschreven? Bijvoorbeeld om de zaak te verwerken?

Kommer: “Dat heb ik me wel eens afgevraagd, maar ik denk dat het schrijven van dit boek niet meer therapeutisch was. De kaping bij De Punt had ik al verwerkt in het schrijven van mijn biografie. Het boek is wel een manier geweest om de zaak voor mijzelf tot een einde te brengen. Met de drie hoofdfiguren loopt het bijvoorbeeld niet zo goed af. Dat duistere, zwarte einde is denk ik mijn manier geweest om de gijzelingszaak af te sluiten.”
Met klem voegt Kommer er aan toe dat de treinkaping hem niet heeft getraumatiseerd. Kommer op besliste toon: “Nee, ik heb geen trauma opgelopen hoor.” Worden de soldaten die nu in Afghanistan zitten zowel in Nederland als in Afghanistan psychologisch begeleid, bij ons was dat heel anders. Wij gingen na de bevrijding van de trein terug naar de kazerne, gebruikten met z’n allen een Indische maaltijd en gingen daarna aan de bar nog wat zitten neuten. Als leidinggevenden besloten we dat geen van ons – in verband met het drankgebruik – niet daarna maar pas de volgende morgen mocht vertrekken. Die zondag stapten we, al of niet met een kater, in de auto en reden vervolgens naar huis. En daarna? Iedereen ging maandag gewoon op de eigen kazerne aan het werk en veertien dagen daarna zagen we elkaar weer bij de eerste training. Er werd toen nog even wat over de kaping gesproken waarna we weer gingen schieten. Zo ging dat toen. Je kunt moeilijk zeggen dat we psychologisch begeleid zijn. Psychologische begeleiding bestond toen gewoon niet. Ik kan me echter ook niet herinneren dat er iemand door de kaping psychisch in de war is geraakt.”
“Dat kwam mede doordat elk aspirant lid van de BBEK psychologisch gekeurd werd voordat hij aan de opleiding voor precisieschutter mocht beginnen. Je werd behoorlijk aan de tand gevoeld. Lang niet iedereen kwam er voor in aanmerking. Trigger-happy figuren, gasten die heel graag mensen dood wilden schieten werden beslist niet aangenomen. Een zeker zo belangrijk criterium waarnaar gekeken werd was echter of iemand goed kon schieten. Niet op eigen initiatief maar op commando een doel raken dat was de ultieme opdracht.”
“Bij de BBEK werden er altijd twee schutters op één doel gezet. Dat had een dubbele reden. Mocht het zo zijn dat een in het vizier zijnde Tango (NATO-spelalfabet voor de T van terrorist) slechts werd ‘beschadigd’ door zijn teamgenoot, dan kon zijn collega hem vervolgens toch nog uitschakelen.”
“Zelf ben ik nooit psychologisch gekeurd. Mijn collega-officieren en ik hoefden zo’n test niet te ondergaan omdat men er bij het Wapen – de Koninklijke marechaussee – vanuit ging dat wij als leidinggevenden moeilijke situaties sowieso wel aan zouden kunnen. Daar kwam bij dat wij als officieren bij inzet ook niet hoefden te schieten. Dat hebben wij tijdens de actie bij De Punt ook niet gedaan. Toch konden wij zeker zo goed schieten als de mannen maar het was onze taak niet, wij werden tijdens de acties geacht leiding te geven aan de operatie.”
“We noemen onszelf trouwens liever precisieschutters dan scherpschutters. De term scherpschutter of sniper heeft door de tussen naties gevoerde oorlogen en de burgeroorlog in Joegoslavië een negatieve lading gekregen.”

Mede vanwege dat negatieve imago wilde Kommer eerst ook beslist geen lid van worden van de eenheid der precisieschutters (BBEK). ‘Mensen doodschieten, dat doe je toch niet’ dacht hij bij zichzelf. Geen haar op zijn hoofd peinsde erover om mensen te gaan liquideren. Toen de tweede man van BBEK echter wegging en Kommer gevraagd werd om toe te treden tot de precisieschutters, moest hij daar dan ook eerst goed over nadenken. Na er een week over gepeinsd te hebben zei hij dat hij het wilde doen onder de voorwaarde dat de overheid nooit in zou gaan grijpen als de specialisten waaronder de BBEK dat zouden ontraden. Kommer: “Als de overheid bijvoorbeeld bij de Punt op de derde dag opdracht had gegeven in te grijpen  – wat onder de daar geldende omstandigheden levensgevaarlijk zou zijn geweest voor alle inzittende van de trein –  dan was ik er ter plekke uitgestapt. Dat was mijn voorwaarde om al dan niet toe te treden.”
“Ik ben daarna echter nooit meer vertrokken. Daar kun je dus de conclusie uit trekken dat ik het eens was met het besluit van de regering ten aanzien van de actie met betrekking tot bevrijding van de gegijzelden. Naar onze informatie was de spanning zo hoog opgelopen in die trein, dat een andere uitweg niet mogelijk was.”
“Dankzij allerlei afluisterapparatuur die de trein was ingebracht, richtmicrofoons, 24 uurs waarneming door de schutters, warmtebeeld apparatuur, nachtzichtkijkers, gesprekken met de kapers wisten we waar de Tango’s zaten, wat ze deden, wanneer en waar ze sliepen, hoe de wachtprocedure was maar ook wat ze zeiden, wat ze van plan waren en hoe groot de onrust was onder de kapers en de passagiers. Die informatie was zodanig dat er volgens het Beleidscentrum in Assen – daar kwamen alle inlichtingen bij elkaar, ook van onze eenheid – moest worden ingegrepen. De vraag was alleen de manier waarop. Daar is vervolgens lang en diep over nagedacht waarna uiteindelijk het uitgevoerde plan uit de bus is gekomen. Ik kan me daar nog steeds in vinden. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat het niet anders had gekund. Daarom voel ik me ook niet schuldig over de actie, al is schuldig niet het juiste woord.”

Wat zou er gebeurd zijn als er niet was ingegrepen?

Kommer: “Dan had het kunnen gebeuren dat er een aantal passagiers was doodgeschoten en vervolgens uit de trein zou zijn gegooid, wat ook bij de treinkaping in Wijster was gebeurd. Als je al de afluister-opnames bij elkaar legde en de gesprekken tussen de kapers en de overheid beluisterde, kon je er uit distilleren dat zo’n scenario opnieuw stond te gebeuren.”
“Een andere optie was dat een groepje passagiers de kapers mogelijk zou hebben aangevallen. Dan waren er waarschijnlijk ook doden gevallen omdat de gijzelnemers zich dan gewapenderhand verdedigd zouden hebben.”
“Het ingrijpen bij De Punt was vooral bedoeld om het niet opnieuw zo ver als in Wijster te laten komen.”

Bij de bevrijding van de gijzelaars bij De Punt waren veel militairen betrokken. Kan men daarom zeggen dat het een militaire operatie was?

Kommer: “Nee. Officieel was het een politieactie, waarbij Politie en Justitie de hulp inriepen van de krijgsmacht. De overheid is altijd huiverig, zelfs voor zo’n grote operatie, militairen in te zetten omdat men in vredestijd het leger liever niet inzet tegen de eigen burgers. De BBEK was echter toch een beetje blauw omdat de leidinggevenden marechausseeofficieren waren. ”
“Wij als BBEK werden ingehuurd omdat de politie het plan zelf niet alleen kon uitvoeren. Bestond de BBE-RP uitsluitend uit rijkspolitiemannen, onze eenheid bestond uit schutters van verschillende onderdelen; marechaussees, landmachters en mariniers.”
“Zo zaten er rondom de school in Bovensmilde allemaal politiemensen. Dat had echter ook omgekeerd kunnen zijn.”

“De BBEK is ontstaan na de gijzeling en de dood van Israëlische sporters tijdens de Olympische Spelen van München (1972).  De Nederlandse overheid wilde voorkomen dat zich een dergelijk drama in Nederland voor zou doen en formeerde kort daarna gespecialiseerde eenheden ter voorkoming van zo’n debacle.”
“Als BBEK waren wij dus een geweldsapparaat in handen van de overheid, opgericht om conflicten die het volk en de regering niet wilden laten voortbestaan, te beëindigen. Om ons te oefenen in het uitvoeren van onze taak schoten wij in de Harskamp en zo nu en dan in Zuid-Engeland op een plaats waar Engelse militairen werden getraind die naar Noord-Ierland gingen.”
“Maar nu de realiteit bij De Punt. Hetgeen we geleerd hadden tijdens de jarenlange opleiding bleek echter niet te werken, omdat de Tango’s (kapers) onzichtbaar achter de ijzeren wanden van de trein zaten. Wisten we door hun strakke dagritme en de warmtebeelden wel waar ze sliepen, zaten en liepen, we zagen ze die nacht niet. Dat was een probleem. Niet alleen omdat het werk van een precisieschutter immers voor 99 procent uit waarneming bestaat maar omdat we niet konden doen wat was getraind; als team van twee schutters op commando schieten op zichtbare doelen. Toen is iemand – wie weet ik niet – op het idee gekomen om er mitrailleurschutters bij te zetten hoewel dat helemaal tegen onze protocollen en trainingsregels inging. Het enige dat wij nog hebben kunnen bedingen is om te ‘compartimenteren’, dat wil zeggen dat onze schutters de randen ‘bevuurden’ en zo de schootsvelden begrensden waarbinnen de mitrailleurschutters vuur mochten uitbrengen. Dat is toen ook zo gebeurd.”
“Er zijn zeker 4000 patronen in de trein geschoten. Het ging daarbij zowel om gewone, pantser- als lichtspoormunitie en omdat we wisten waar de kapers zaten is er op die compartimenten geschoten met maar één doel: alle gijzelnemers uitschakelen voordat de mariniers de trein in zouden gaan.”
“Sommige Tango’s hadden na de actie wel 6 à 7 kogels in hun lichaam. Ze hadden geen schijn van kans. Dat er nog een paar levend uit zijn gekomen is absoluut een mirakel. Wonderlijk genoeg waren twee van de kapers zelfs bijna helemaal niet geraakt. De derde was wel zwaar gewond, maar die is later ook weer opgeknapt. Ik kan niet verklaren hoe ze er toch levend uit zijn gekomen. Volgens de mariniers heeft één kaper zelfs nog teruggeschoten, maar dat zijn verhalen van de mariniers.”

“Naderhand kreeg je dat politieke geneuzel over de vraag of er gericht geschoten was en of de kapers bewust doodgeschoten waren. Dat was gelul want wat wil je. De opdracht was duidelijk: ‘uitschakelen’ van de kapers. Het simpele feit dat er duizenden kogels de trein in zijn gejaagd komt gewoon neer op ‘doodschieten’ maar natuurlijk was het niet de opzet de kapers dood te schieten. Het is echter niet slim om te denken dat als er zoveel vuur wordt uitgebracht op zulke kleine oppervlakten wetende dat daar mensen achter zitten dat ze daarna opstaan en doodgemoedereerd de trein uitstappen. Je kan, nee moet dan bijna voor honderd procent aannemen dat die mensen doodgeschoten worden.”
“Premier Den Uyl heeft later beweerd dat het een executie was. Daar ben ik het niet mee eens. Bij een executie zie je iemand die al dan niet is vastgebonden aan een paal. Bij De Punt heeft geen van onze precisieschutter een doel gezien, laat staan een kaper zien vallen waar hij op geschoten had. Onze mannen hebben op de trein geschoten, zonder een levend doel voor zich te hebben maar wel wetende wie zich op dat moment achter het plaatstaal bevonden. Onze opdracht was vuur uitbrengen op de kapers om te voorkomen dat de gijzelnemers bij de bevrijdingsactie zouden kunnen schieten, niet alleen op de al weken vastzittende passagiers van de trein maar ook op de binnenstormende mariniers.”

Van Agt

“Ten tijde van de actie had ik geen direct contact met Den Uyl of minister van Justitie Van Agt, zij bevonden zich in het Beleidscentrum in Den Haag. Wel heb ik in 1987 Den Uyl ontmoet tijdens een tv-opname. Met Van Agt heb ik kennisgemaakt toen de tv-documentaire Dutch Approach, die handelt over de Molukse Acties, in 2000 werd gelanceerd. Ik zat tijdens die presentatie naast De Jong en zijn echtgenote. De kleine marineman was als premier betrokken bij de Molukse bezetting van het Indonesische consulaat in Wassenaar in 1970.”
“Tijdens die gelegenheid heb ik niet direct met de kapers gesproken, maar wel met hun familieleden. Ze herkenden mijn kop in de getoonde beelden. Ik ben toen op ze toegestapt en heb me voorgesteld. We hebben gesproken over hoe zij en ik dat allemaal ervaren hebben.
Kort na de actie in De Punt heb ik ook iemand ontmoet die in de gekaapte trein had gezeten. Die persoon woont nota bene bij mij in de buurt. Of hij zijn waardering voor ons werk heeft uitgesproken weet ik niet meer. Daarna heb ik hem niet meer ontmoet.”

KNIL-soldaten

“Om nog even terug te komen op uw vraag over het militaire gehalte van de actie: De bevrijdingsactie van de trein was een met de school gecoördineerde militair operatie. Maar wij en zij hadden iets gemeen: de gijzelingen en kapingen door de Molukse jongeren werden ook op militaire wijze uitgevoerd. De gasten die de kapingen deden, hadden nagenoeg allemaal vaders die in het Koninklijk Nederlands Indisch leger (KNIL) gezeten hadden. Ze waren over het algemeen vrij militair opgevoed. Molukse gezinnen werden in die tijd vaak gerund als militaire eenheden, ze leefden onder de strakke regimes van de vader, pa had het voor het zeggen. Dat hoorde bij hun cultuur. Je zag daardoor ook dat hun kapingen heel militair van opzet waren.”
“Bijvoorbeeld, als je naar het dagrooster van de kapers keek, was het op vaste tijden opstaan, ontbijten, patrouille lopen en slapen. Er zat een vast patroon in de kaping. Dat kon je gewoon zien. Het was net alsof ze in dienst waren. Dat hadden ze mee gekregen van hun ouders. Daarom ook wisten we na verloop van tijd precies wat er op welk tijdstip ging gebeuren. Het denk-patroon van de kapers was een soort afgeleid KNIL-gebeuren.”
“Zo’n militaire structuur met operatiebevelen werkt natuurlijk ook gewoon goed.” “Operatiebevelen zorgen er voor dat je precies weet wat je moet doen. Ik heb daar later ook mee gewerkt in vrijwilligersorganisaties en dat functioneert prima. Zet een systeem op als operatiebevel en iedereen weet waar hij of zij aan toe is.”
“Voor de kapers had het echter uiteindelijk meer nadelen dan voordelen. Door de militaire wijze van opereren konden wij precies zien wat de kapers deden. Als ze een chaotische manier van doen hadden gehad, was het voor ons veel lastiger geweest om te doorzien wat ze van plan waren. Dan hadden we minder makkelijk op de gebeurtenissen in kunnen spelen omdat alles dan minder voorspelbaar zou zijn geweest.”

Schrok u erg toen u na afloop van de actie de trein inging?

Kommer: “Ja, het was binnen een grote chaos. Maar het viel nog mee want toen ik de trein in ging waren de passagiers en de lijken al weg gehaald. In de kop, de bestuurdersruimte van de trein, de ruimte waar de kapers zaten, lag veel bloed, kleren slingerden overal rond en veel was kapot geschoten. In de passagiersruimtes stonk het. Maar wat wil je, daar hadden mensen drie weken opgesloten gezeten. Daar lagen weggescheurde kranten, dekens en kleren.”
“Wat mij altijd is bijgebleven is dat, toen ik een beschoten portaal binnen stapte, ik een foto van Charlie Chaplin zag hangen; heel frappant. De foto van de komiek bevond zich achter glas maar dat glas was kapotgeschoten. Vooral dat vond ik heel typerend om te zien. Op de een of andere manier zie ik dat beeld nog steeds voor me. Zo’n man die grappen maakt in die ellende. Ik vond dat heel bijzonder.”
“Een collega van me heeft een foto gemaakt waarop je mijn kop en die van een collega ziet met daarnaast Charlie Chaplin achter gebroken glas. Die foto heb ik jarenlang in mijn portefeuille meegedragen. Ik weet niet waarom ik dat deed. Ik heb er geen verklaring voor. Ik vermoed dat het er mee te maken heeft dat het een beeld uit de trein zelf was. Er zijn veel foto’s van de buitenkant van de trein gemaakt, maar van de binnenkant zie je ze zelden.”

Bent u na de acties ooit bedreigd door kwade Molukkers? Bijvoorbeeld omdat ze u de dood van hun volksgenoten aanrekenden.

Kommer: “ Ik ben nooit bedreigd geweest, maar ik heb ook altijd gezegd dat ik niet bekend wilde worden omdat ik niemand aan de deur wilde hebben. Ik en mijn vrouw hebben daar geen behoefte aan. Ik wilde niet gezien worden. Mocht dat nu, door mijn boek, wel gebeuren dan is dat niet erg omdat ik denk dat het nu, na meer dan dertig jaar, inmiddels wel kan. Twintig jaar eerder had ik het waarschijnlijk niet gedaan. Mijn vrouw heeft er zelfs nu nog haar twijfels over of het wel verstandig is. Zij vraagt zich af hoe het – nu het boek er is – in de toekomst allemaal zal gaan. Ik ben toch een van degenen die er voor gezorgd hebben dat een aantal Molukse families hun geliefde naasten hebben verloren.”
“Het blijft spannend, mede ook omdat er uit het verleden verhalen bekend zijn van mariniers die na de actie bij De Punt bedreigd werden door Molukkers. Een keer hebben ze zelfs een marinier in zijn huis omsingeld. Die man heeft toen snel zijn maten gebeld waarop ze hem zijn komen ontzetten. Uit veiligheidsoverwegingen is die man vervolgens overgeplaatst, andere naar de Nederlandse Antillen.”

“Ik ben erg benieuwd hoe het boek binnen het Molukse volksdeel zal worden ontvangen. Bij de Molukkers die ik al ken, verneem ik dat het toch wel goed is om het op deze manier te delen. Zij nemen me niks kwalijk. Ik vermoed en hoop dat ze inzien dat de kaping toen niet anders beëindigd had kunnen worden.”
“Ik hoop ook dat ze het goed vinden dat het nu eens van een andere kant bekeken wordt. Tot dusverre werd de kwestie meestal bekeken door de ogen van beleidsmakers en wetenschappers die mensen hebben bevraagd en situaties hebben beoordeeld. Het is echter nog nooit beschreven vanuit het hart van de organisatie der precisieschutters (BBEK) Ik weet ook niet wat de mensen voor beeld van ons als schutters hebben. Ik probeer daarom ook nauwgezet te beschrijven hoe het er binnen de BBEK aan toe ging en duidelijk te maken dat er bij ons geen aversie en agressie tegen de Molukkers bestond, zoals wel eens beweerd werd. Ons optreden had niets met anti-Moluks zijn te maken. Wij – een eenheid van goed getrainde schutters – voerden in opdracht van de overheid een taak uit met het ultieme doel: de gegijzelde burgers te ontzetten en te bevrijden.”

Voelt een scherpschutter zich soms een oppermachtige God? Hij heerst immers toch over Leven en Dood. In een seconde kan hij een leven beëindigen.

Kommer: “Als je het over scherpschutters of snipers hebt dan misschien wel, maar dan spreek je over iets heel anders dan wanneer je het hebt over precisieschutters.  Een sniper heeft de opdracht om zodra hij iemand ziet hem dood te schieten. Wanneer hij de trekker overhaalt weet hij: dat is mijn doel, die gaat er aan. Bij precisieschutters, zoals wij waren, is dat niet zo. Als precisieschutter train je alleen maar om gericht en precies te kunnen schieten en een bepaald doel te treffen op het moment dat de overheid dat vraagt. Maar je hoopt dat die vraag niet wordt gesteld. Ik heb ook nooit bij iemand binnen de eenheid het gevoel gekregen dat hij zich oppermachtig voelde omdat hij iemand zou kunnen doodschieten. Iedereen binnen de eenheid wilde liever zes weken wachten op een goede afloop van de kaping dan snel even mensen te liquideren. Dat gevoel leefde bij mij en al mijn collega-schutters.”
“Ik had bij die gijzelingen en kapingen meer het gevoel van ‘wat is het weer dom van die gijzelnemers dat ze zich hebben laten insluiten.’ Ze kozen positie als midden in een schietschijf. Eigenlijk riepen ze: ‘Hier zitten we. Schiet maar.’ Dat heb ik nooit zo goed begrepen.”

Kommer doet zeer luchtig over het gevaar dat hij zelf liep tijdens de Molukse acties.
Ook het beeld dat zijn eenheid zou hebben bestaan uit stoere jongens die zich in gevaar bevonden, probeert hij te relativeren. Kommer: “Er was niks gevaarlijks aan. Misschien is dat ontnuchterend om te horen, maar het is wel de waarheid. In mijn boek relativeer ik het heldendom want wat is heldendom? Lid zijn van de BBEK bepaald niet, het is niet gevaarlijk. Je hebt een wapen bij je met een vizier en gaat op 100 à 150 meter afstand zitten van de plaats van gijzeling of kaping. Je kon dan natuurlijk wel eens een keer beschoten worden vanuit de trein – hetgeen ook wel gebeurd is –  maar voor de mariniers van de Bijzondere Bijstandseenheid Mariniers – ik noemde ze meestal de close combat-jongetjes – die de trein in moesten was het veel gevaarlijker. Die liepen echt risico’s.”

“Lid zijn van zo’n eenheid is ook helemaal niet spannend, het is maar een bijbaantje. De dagbesteding tijdens zo’n actie is voor het overgrote deel waarnemen en verveling. Kon je bij de bezetting in Amsterdam nog het een en ander in het bewuste pand zien, in Wijster zeker niet. Daar zat je in een gat in de grond. Daar is in december niks romantisch aan hoor. Echt niet. De Punt vond plaats tijdens mooi weer maar ook dan is het in het begin van de gijzeling tijdens het waarnemen nog wel een beetje spannend, maar als je eenmaal weet hoe het werkt, is de lol er snel vanaf, wordt het routine.”

Gedecoreerd werd Kommer niet voor zijn aandeel in de bevrijding van de trein. Kommer: “Gelukkig niet. Daar zou ik me zeer ongelukkig bij voelen. We waren geen helden en nogmaals: wat is een held? Bovendien kreeg je zo’n lintje toentertijd niet op basis van verdiensten maar naar aanleiding van je rang, je leeftijd, het aantal dienstjaren en of al de bazen die het voorstel – op de weg naar boven – die je moest passeren je wel aardig vonden. Dat vind ik flauwekul.”

U bent al geruime tijd bezig om zich te verdiepen in de Molukse acties en de achtergronden daarvan. U weet inmiddels veel over het Molukse volk en haar geschiedenis. Bent u zelf ooit op de Molukken of in Indonesië geweest of heeft u plannen om er naartoe te gaan?

Kees Kommer

Kommer: “Nee, ik zou wel willen, maar op de een of andere manier komt het er niet van. Ik heb wel een band met het gebied. Een van mijn ooms is met Karel Doorman uitgevaren en bij de slag in de Javazee met Hr. Ms. Evertsen ten onder gegaan. Een andere oom – eveneens een marineman – is krijgsgevangen gemaakt en gestorven bij het aanleggen van de Birma-spoorlijn. Hij werd langs het spoor begraven.”
“Mijn zus is wel in Indonesië geweest en zij heeft gezien dat het graf van mijn oom er nog steeds is. Er staat een kruis op het graf met zijn naam erop. In Bronbeek is er ook een monument met alle namen van Nederlandse krijgsgevangenen die aan de Birma spoorlijn zijn gevallen. Daar staat ook de naam van mijn oom bij. Ik ga elk jaar naar die herdenking toe. Mijn oom heette net als ik Cornelis Kommer. Het is heel raar als je je eigen naam ziet staan op een dergelijk monument.”
Doordat mijn ooms gestorven zijn in Indonesië en omdat mijn tantes wel eens spraken over hun leven daar en over de Jappenkampen heb ik iets met Indonesië. Maar ook, het mysterieuze van het Oosten trekt me aan.”
“Wellicht komt het er nog eens van om naar Indonesië en het oude Birma te gaan. Een obstakel is echter dat mijn vrouw en ik niet van georganiseerde reizen houden. Wat ik wil gaan doen in Indonesië kun echter je niet in je eentje uitvoeren. Dat moet altijd in een collectief. Ik wil me echter niet in een collectief laten drukken, dat heb ik nooit gewild. Ik heb altijd mijn eigen vrijheid gecreëerd en ik vind het niks om in een hotel te slapen of om een gids in te huren. Als ze zeggen ‘nu moet je in dit hotel slapen’ of ‘nu moet je ontbijten’ dat werkt niet bij mij. Dat wil ik gewoon niet. Mijn vrouw en ik gaan liever op eigen gelegenheid. Meestal gaan we met de caravan op pad. Zo zijn we heel Europa doorgetrokken.”
“Of hij in de toekomst nog iets gaat doen dat met de Molukse zaak te maken heeft, weet Kommer nog niet. Eerst wacht hij de reacties op zijn boek af. Als er belangstelling voor bestaat, is hij bereid lezingen te geven.”
Dan is het interview ten einde en stapt Kommer op om naar huis te gaan. Het is nu afwachten hoe zijn boek ontvangen zal worden. Op de cover van zijn roman is de kop van een gele trein te zien, een trein die het vizier van een precisieschutter ‘binnenrijdt’. Misschien was Charlie Chaplin achter gebroken glas ook wel fraai geweest als omslag. Als gebaar van verzoening zou het niet slecht geweest zijn. Hoewel Chaplin een film maakte met de titel The Great Train Robbery zette hij zich ook in voor de wereldvrede en organiseerde zelfs een ontmoeting met Ghandi. In 1954 kreeg Chaplin bovendien de prijs van de Raad voor Wereldvrede. Iemand kan slechtere symbolen in zijn portefeuille dragen. Ondertussen zijn er al meer dan dertig jaar geen treinen gekaapt in Nederland. Hebben de scherven op de foto van Chaplin het Molukse volk dan toch geluk gebracht?….

Indien gericht…Vuur! van Kees Kommer
Uitgeverij: Free Musketeers
730 Pagina’s
Prijs: 39,95 euro
ISBN: 978-90-484-0943-3

http://www.freemusketeers.nl/
http://www.freemusketeers.nl/index.php/pagina/boeken/aktie/details/boek/1823/indien-gerichtvuur.html
http://www.keeskommerbooksite.nl/

Zie ook: Interview met Molukse gijzelnemer
Theater over Molukse gijzeling

 

1 Reactie op Interview precisie-schutter De Punt

  • Zeth Pessireron schreef:

    Waarom wordt er GEEN gedegen onderzoek gepleegd naar de R.I.S. ( Republiek Indonesia Serikat=Verenigde Staten van Indonesie) en de hederndaagse R.I.(Republiek Indonesia),.. Ergo: De souvereiniteits overdracht op 27 December 1949!! Wat staat daar in???? Hier vindt men alle antwoorden,.. Het bedrog van Nederland!!! Zeth Pessireron-Capelle a/d Yssel.

Geef een reactie

Schrijf je in voor TOEN!