Karel de Grote en de Angelsaksen

Contacten tussen Karel de Grote en Angelsaksische koningen, onder wie Offa van Mercia, zijn er veelvuldig. De contacten zijn niet zonder spanningen.Als een Angelsaks rond 780 de oversteek maakt naar het continent, is er een bijna niet te missen kans dat hij in het Frankische Rijk aanmeert. Van Noord-Spanje tot in de Friese gebieden strekt Karel de Grotes rijk zich uit. Als een Frank de oversteek maakt naar Engeland dan heeft hij de keuze uit Wessex en Kent in het zuiden, East Anglia in het oosten of Northumbrië in het noorden. Allemaal koninkrijken, en dan laten we de kleine nog buiten beschouwing. Volgens de achtste-eeuwse Angelsaksische monnik-historicus Beda de Eerbiedwaardige is er steeds in Angelsaksisch Engeland een koning aan te wijzen die het imperium heeft, de opperheerschappij. De opperheer is koning van een van de koninkrijken; de andere koninkrijken zijn in meer of mindere mate verbonden met of afhankelijk van de opperheer. In de late zevende eeuw bezitten de Northumbrische koningen de opperheerschappij. In de achtste eeuw hebben de koningen van Mercia deze rol overgenomen. Het is met de heersers van Northumbrië en Mercia dat Karel de Grote contact heeft.

Northumbrië

De Northumbrische koningen zijn er in de zevende eeuw in geslaagd twee koninkrijken samen te laten smelten: het noordelijke Bernicia en het zuidelijke Deira. Een familie van krachtige koningen slaagt erin het grondgebied uit te breiden, met name naar het noorden, naar het land van de Picten. Aan deze dynastie is in de achtste eeuw een einde gekomen. Meerdere partijen betwisten elkaar nu om hun koning op de troon te krijgen. Het is geen erebaan om koning van Northumbrië te zijn. De statistieken wijzen dat uit. Tussen 705 en 808 regeren 16 koningen; 3 van hen worden gedood; 5 verbannen en enkelen worden na aftreden het klooster ingestuurd. “Het lot van twee koningen is onbekend maar hun regeerperioden zijn verdacht kort.”  Stabiliteit is ver te zoeken.

De strubbelingen binnen de Northumbrische grenzen weerhouden de koningen er niet van om de blik over de grenzen te richten. Koning Alhred (koning 765-774) stimuleert de missie op het continent. In York wordt ene Aluberht gewijd tot bisschop van de Oude Saksen; dit zijn de Saksen op het vasteland. Hij correspondeert met de Angelsaks Lullus die bisschop van Mainz is; hij stuurt geschenken en vraagt hem voor hem te bidden. Alhred zit de vergadering voor waarin de monnik Willehad toestemming krijgt om naar het vasteland te gaan om het christelijk geloof te prediken. Ook met de Frankische koningen is er contact. Alhred stuurt in 773 een gezantschap naar Karel de Grote om vrede en vriendschap tussen beide koninkrijken te bevestigen.  In 774 wordt Alhred afgezet en vlucht naar het Pictische hof.

Alcuin, instrument van het Frankisch beleid

Ook Alcuin die vanaf 782 Karel de Grote dient als adviseur, komt uit Northumbrië. Hij richt zich in zijn brieven meermaals vermanend tot de Northumbrische koningen; hij wijst hen streng op hun morele tekortkomingen. Alcuin ziet als lichtend voorbeeld voor het koningschap natuurlijk zijn eigen heer Karel. Die maakt zich zorgen over de politieke instabiliteit. Duidelijk heeft Karel de Grote zich de rol toegeëigend om ‘toezicht’ te houden op koninkrijken buiten zijn eigen Frankische rijk. Voor zover hij ze niet verovert. De brieven van Alcuin hebben in ieder geval de toon dat de Angelsaksische kerkelijke en wereldlijke gezagsdragers zich moeten gedragen zoals de Franken dat graag zouden zien. “Alcuin is een instrument  van het Frankische beleid geworden.”

Het Frankische hof weegt de Northumbrische koningen naar eigen maatstaven. Aethelred I (koning 774-779 en 789-796) kan Karels goedkeuring wegdragen en ontvangt geschenken. Als Aethelred wordt vermoord, ontsteekt Karel in woede. Hij eist zijn geschenken terug. Hij maakt de ‘verraderlijke’ Northumbriërs uit voor ‘erger dan heidenen’ omdat ze hun heer hebben vermoord. Ondanks de morele bezwaren tegen de Northumbriërs knoopt Karel gewoon weer banden aan met Aethelreds opvolger Eardwulf.

Mercia

Waarom heeft Karel de Grote zich bemoeid met en geërgerd aan de onrustige politiek in Northumbrië? Northumbrië is bij uitstek het koninkrijk dat tegenwicht kan bieden tegen het machtigste koninkrijk op het eiland. Het machtsvacuüm dat Northumbrië heeft gelaten, is in de achtste eeuw opgevuld door Mercia.
Mercia is nog niet lang een eenheid. Evenals in de andere streken van Engeland is dit een regio waar meerdere groepen naast elkaar leven. Sommige hebben mysterieuze namen als Hwicce en Magonsaetan. Iedere groep had lange tijd een eigen koning.  In de achtste eeuw vindt centralisatie plaats. Eén koning verzamelt de macht en onderwerpt andere hoofdmannen; de heersers van de kleine rijken worden sub-koningen.

Mercia is het koninkrijk in het midden van het land. Het Oud-Engelse mierce betekent zoveel als grens; de Mercianen zijn een grensvolk. Zij leven onder meer op de grens met de Britse koninkrijken, in wat later Wales zou worden. In de achtste eeuw zoeken de Mercianen de grenzen op in het oosten en het zuiden. Het is de eeuw van Mercia.

Offa

De koning die de opperheerschappij representeert is Offa (koning 757-796). Hij laat zijn macht gelden in Kent, Sussex en East Anglia. Zelfs als deze koninkrijken erin slagen hun zelfstandigheid te behouden, is de politieke aanwezigheid van Offa in ieder geval voelbaar. In de jaren 780 verstevigt zijn grip zich op de koninkrijken. In Mercia zelf wil hij een eigen aartsbisdom vestigen; een aartsbisschoppelijke zetel naast York en Canterbury, in Lichfield. Dit zou ook bijdragen aan de concentratie van macht in zijn koninkrijk. Indrukwekkend voorbeeld van zijn dadendrang is dat zijn naam is verbonden aan de middeleeuwse equivalent van de door de Romeinen gebouwde Muur van Hadrianus in het noorden van Engeland. Offa’s Dyke is een aarden wal van zo’n 100 kilometer lang die Mercia bouwde om de Welshmen buiten te houden.

Zilveren penny van Offa, koning van Mercia.
Zilveren penny van Offa, koning van Mercia.

Karel de Grote als voorbeeld

Er is ander bewijs dat Offa zich duidelijk manifesteert als vorst. Hij laat munten slaan, bevordert de wetenschap en bovenal streeft hij ernaar zijn dynastie veilig te stellen. Hij laat zich daarbij zeker inspireren door de activiteiten van Karel de Grote. Tweemaal moderniseert Offa de muntslag naar Frankisch voorbeeld. Het is juist Alcuin die tot Karels eigen denktank behoort die Offa feliciteert met zijn gretigheid om de wetenschappen te stimuleren.  Waar Karel de Grote zijn zonen laat kronen, treft Offa dergelijke maatregelen om zijn zoon Ecgfriths opvolging veilig te stellen door hem in 787 aan te wijzen als opvolger.

Anderzijds kan Karel de Grote iets van zichzelf in Offa herkend hebben. Met name de veroveringszin. Of hij het kan waarderen, is overigens zeer de vraag. De mogelijkheid dat Offa’s verovering van –of in ieder geval sterke invloed op- andere Angelsaksische koninkrijken nadelig zou zijn voor de Frankische handel en politieke invloed zal Karel allerminst bevallen. In de Engelse geschiedschrijving is het lang gebruikelijk geweest om de correspondentie tussen Offa en Karel de Grote op te voeren als bewijs dat zij op basis van gelijkheid en vriendschappelijkheid handelen. Ja, ze begroeten elkaar als ‘zeer geliefde broeder’. Ja, ze schrijven over veilige doortochten voor pelgrims en het bevorderen van handel. Maar daar houdt het wel mee op. Van gelijkheid is sowieso geen sprake. Offa regeert over een redelijk bescheiden deel van het Engelse eiland; Karel heeft een rijk in handen dat doet herinneren aan de dagen van het West-Romeinse Rijk. Ook vriendschap tussen de vorsten is waarschijnlijk wishful thinking. De aanhef van een brief geeft zelden ware gevoelens weer. De inhoud geeft meer reden om de correspondentie op te vatten als het gladstrijken van plooien in de relatie.

Ook het huwelijksvoorstel dat Karel de Grote doet om zijn oudste zoon te laten trouwen met een van Offa’s dochters kun je opvatten als een verzoenend gebaar in plaats van het beklinken van een goede relatie. Offa helpt die poging trouwens subtiel om zeep door als ‘tegenprestatie’ een huwelijk tussen zijn zoon Ecgfrith en een van Karels dochters te vragen.

Rivaliteit

In plaats van ‘broeders’ zijn Offa en Karel de Grote rivalen. Een teken van de animositeit zijn de hooggeplaatste vluchtelingen aan het hof van Karel de Grote; tegenstanders van Mercia. Zoals Odberth, een priester uit Kent. De kans is groot dat hij dezelfde man is als Eadberht Praen die na de dood van Offa terugkeert naar Kent, zijn priestergeloften verbreekt en koning van Kent wordt. Een beschermeling op de troon van Kent moet Karel wel bevallen. Offa’s opvolger Coenwulf treedt hard op tegen de onafhankelijkheidsrevolte in Kent. Hij laat Eadberht gevangennemen, blind maken en verminken en geketend naar Mercia voeren. Tot zover de effectiviteit van de bescherming.

Van de steun van Kent moeten de Franken het dus niet hebben. Zij begrijpen goed dat het toch vooral het noordelijke Northumbrië is dat voor het tegenwicht moet zorgen tegen Mercia. Uit de machtsstrubbelingen na de dood van Aethelred is Eardwulf naar voren gekomen als winnaar. Hij is koning van 798 tot 806. In 801 neemt hij de wapens op tegen Mercia. Dat Coenwulf Northumbrische bannelingen onderdak heeft verleend, heeft kwaad bloed gezet.

Gouden munt van Coenwulf, koning van Mercia.
Gouden munt van Coenwulf, koning van Mercia.

Als hij op zijn beurt wordt afgezet, gaat hij naar het hof van Karel, dat op dat moment in Nijmegen is. De Franken verdenken Coenwulf ervan deel te hebben genomen aan het plot om Eardwulf af te zetten.  Met hulp van de keizer en de paus kan Eardwulf zijn positie weer innemen en regeert hij mogelijk nogmaals (808-811). Mogelijk mocht hij zelfs een verwante van Karel (een bastaarddochter?) huwen. Een teken dat het er Karel de Grote toedoet dat een bondgenoot –of beter: cliënt- als koning op de troon van Northumbrië zit.

Wessex

In hoeverre Karels acties om de macht van Mercia in te binden vruchten heeft afgeworpen, is moeilijk vast te stellen. Op den duur blijkt zijn politiek succesvol van het steunen van Mercia’s vijanden succesvol. Een andere vluchteling aan het Frankische hof is Ecgberht van Wessex. Met hem loopt het beter af dan met de gemartelde Eadbert Praen. Ecgbert keert terug als de troon van Wessex vacant is. Karel de Grote juicht de troonsbestijging toe.

Ecgberht is koning van 802 tot 839. Hij slaagt erin de Mercianen een gevoelige slag toe te brengen in de Slag van Ellendun (825). De eeuw van Mercia is voorbij. De opperheerschappij verschuift in de negende eeuw van Mercia naar Wessex. Karel de Grote is dan reeds overleden (814). Een andere grote middeleeuwse koning is opgestaan. Ecgberhts kleinzoon Alfred de Grote verstevigt de macht van Wessex. Hij moet daarvoor wel eerst het Grote Leger van de Vikingen verslaan. De krijgers uit het noorden vormen een dreiging waarop de Karolingen, de nazaten van Karel de Grote, geen passend antwoord op hebben.

Leon Mijderwijk

Leon Mijderwijk (1975) studeerde voor Leraar Geschiedenis 2e graads aan de HU en deeltijd Geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht. Zijn aandacht gaat uit naar de vroege middeleeuwen, in het bijzonder van Engeland. Hij schreef artikelen en recensies voor Westerheem, Archeologie Magazine, So British & Irish, Muntkoerier en Filatelie. Leon is redactiemedewerker van het Detectormagazine en Historiën-redacteur. Hij onderhoudt contact met diverse uitgeverijen, archeologen en historici.

More Posts