Karskens:“Oorlog kan erg mooi zijn”

KarskensOp 22 oktober verschijnt het nieuwe boek van oorlogsverslaggever Arnold Karskens: ‘Rebellen met een reden’. Het boek gaat over idealistische Nederlanders die deelnamen aan een vrijheidsstrijd in het buitenland. Een interview met Karskens over leven aan het front.AfghanistanIn Afghanistan beslissen westerse mogendheden dagelijks over het wel en wee van de inheemse bevolking. Dit terwijl de geallieerde politici die over de besluitvorming gaan, het land vaak amper kennen en weinig tot geen frontervaring hebben. Alle ministers van het kabinet Balkenende IV zijn na de Tweede Wereldoorlog geboren en hebben nooit de bezetting van hun eigen land meegemaakt. Aan veel kennis van de Afghaanse geschiedenis, cultuur en religie ontbreekt het hen ten enen male. Diepgaand antropologisch veldwerk heeft geen enkele Nederlandse minister er ooit gedaan. Van op 4000 kilometer afstand bepalen ze echter wel wat goed is voor mensen met een hele andere culturele, sociaal-politieke en religieuze achtergrond. Naar het zich nu laat aanzien, is deze politiek ook niet erg effectief. Er gaan in het westen al stemmen op om met de vroeger zo verguisde Taliban te gaan spreken over een bestand. Een gigantisch debacle voor de geallieerde naties staat voor de deur. 

Karskens

Arnold Karskens. Bron: Karskens

Een man die de situatie in Uruzgan wel goed kent, ongewapend tussen de inheemse bevolking leeft, altijd unembedded reist, frontervaring heeft en de oorlog diepgravend onderzocht, is oorlogsverslaggever Arnold Karskens van dagblad De Pers. Hij reisde meerdere malen – gekleed als Afghaan – door het land, sprak met de inwoners ter plaatse, en bezocht dikwijls de provincie Uruzgan, waar het Nederlandse leger zit.
Tijd voor een vraaggesprek met Karskens over het ‘nut’ van ‘vredesmissies’; zijn nieuwe boek; de ellende en de schoonheid van oorlog; zijn favoriete oorlogsfilm; Goed en Kwaad in een conflictgebied en de valse romantiek van het helden-epos.
Karskens: “Helden bestaan volgens mij niet in een oorlog. Mensen zijn afwisselend moedig en laf.  Bovendien is er altijd een kans dat je in plaats van als held juist als invalide terugkomt uit zo’n conflict. Het kan een geweldige afgang voor iemand worden. Daarom vond ik Born on the Fourth of July zo’n goede film, Het vaak vergeten on-romantische aspect van oorlog komt er goed in naar voren.”   

Het interview met Karskens vindt plaats in een fraaie buitenwijk van Brussel, de stad waar de oorlogsverslaggever al vele jaren woont. Op een bankje midden in een parkje waar een gezellige markt gehouden wordt, beantwoordt hij geduldig alle vragen over zijn gruwelijke maar fascinerende vak.      

Waarom ben je ooit begonnen met oorlogsverslaggeving?
Karskens: “Omdat het een gat in de journalistieke markt was. Ik reisde erg graag, maar had altijd heel weinig geld. Op mijn reizen in El Salvador, Afghanistan, de Filippijnen en Eritrea etc. kwam ik wel eens in contact met rebellen-groepen. Bij hen kreeg je gratis kost en inwoning en vond je bovendien een heel goed verhaal dat anderen bijna niet hadden. Om mijn verblijf lang te kunnen uitzitten, begon ik daar over te schrijven. Ik fotografeerde en filmde er meteen bij en deed ook nog radio. Zo kon ik het hele media-spectrum bedienen. Het was bovendien allemaal ongelofelijk interessant. Journalistiek is toch altijd het zoeken naar de drie zinnen die nog niet zijn geschreven en die lagen in zulk soort gebieden wel voor het oprapen. Als je dit soort werk vervolgens maar lang genoeg doet, word je vanzelf oorlogsverslaggever.
Als je het ook nog eens goed doet, kom je vanzelf bovendrijven. Zo ben ik er ingerold. Ik ben nu zo’n dertig jaar bezig.”

Zocht je als kind ook al spanning en geweld op?
Karskens: “Niet direct, maar ik kom wel uit een verzetsfamilie (Beemster & Schermer/ Noord-Holland). Veel van mijn familie-leden, waaronder mijn vader en grootvader, zaten bij de ondergrondse. Mijn oom, Piet Koning, is zelfs gefusilleerd door de Duitsers.”
“Reizen deden ze binnen onze familie echter niet veel. Het waren boeren die niet lang weg konden omdat de koeien ’s avonds weer gemolken moesten worden. Een dagje Friesland was al heel wat. Tijdens mijn middelbare schooltijd kreeg ik echter een grote lust om te reizen en wilde ik zo lang mogelijk weg blijven. Op mijn 16e liftte ik al door Europa. Met het schilderen van huizen verdiende ik geld om mijn verblijf in het buitenland te kunnen bekostigen.”

President

Watergate Film. Bron: Wikipedia

Je schrijft veel over militaire aangelegenheden. Heb je zelf ooit in het leger gezeten?
Karskens: “Ja, anderhalve dag. Toen ben ik er met S5 uitgegooid (S5 = geestelijk instabiel en niet geschikt voor het leger). Daar heb ik doelbewust op aangestuurd. Ik kan zeer slecht tegen hiërarchische organisaties als het leger en ben ook niet goed in bevelen opvolgen. Daar ben ik te vrijgevochten voor. Dat is ook goed als je journalist bent. Dan moet je tegendraads en non-conformistisch zijn en kritisch staan tegenover de autoriteiten.”
 
Had je voorbeelden in de journalistiek?
Karskens: “Nee, die had ik helemaal niet. Kuifje las ik wel en ik heb ook Hemingway gelezen ten tijde van mijn studie aan de School voor de Journalistiek. De Watergate-film All the President’s Men heb ik ook gezien, maar dat waren allemaal geen voorbeelden voor me. Ik vond het allemaal wel interessant, maar het vormde niet direct een inspiratiebron. De Scheepsjongens van Bontekoe was dat wel, maar dan vooral als aanleiding om te gaan reizen.”
“Naar aanleiding van mijn reizen schreef ik al heel jong verhalen over mijn belevenissen in het buitenland, maar ik wist toen nog helemaal niet dat je daar ook je beroep van kon maken. Dat veranderde plots toen ik tijdens mijn verblijf op Curaçao in de plaatselijke bibliotheek ergens las dat er een opleiding bestond om journalist te worden. Toen dacht ik: ‘shit, het is ook nog een vak, dat je kunt uitoefenen’. Ik wist meteen dat ik dat wilde en ben gelijk terug gegaan naar Nederland om me in te schrijven voor de School voor Journalistiek in Utrecht.” 

Wat is de belangrijkste eigenschap die je moet bezitten om goed te kunnen werken in een oorlogsgebied? Moet je het gevaar instinctief voelen aankomen? Is een zesde zintuig belangrijk?
Karskens: “Je ontwikkelt door de jaren heen wel een zintuig om gevaar te zien aankomen in je natuurlijke Umwelt. Daarbij komt bij dat ik van huis uit al met oorlog bekend ben. Ik heb altijd veel verhalen uit de eerste hand gehoord over de oorlog. Dat is toch anders dan wanneer je dat niet hebt gehad. Je begrijpt dan beter dat in een oorlog niet alles is opgesplitst in goed en kwaad, maar dat er ook veel grijsvelden zijn. Mensen zijn vaak niet goed of slecht, maar dikwijls wel erg opportunistisch en soms laf.”
“Als je met een dergelijke familie-achtergrond bent opgegroeid is dat een voordeel in een oorlogsgebied, omdat je er als het ware al aan gewend bent. Je beweegt je er gemakkelijker door omdat je het fenomeen al kent.”
“Misschien dat ik het daarom ook zo lang uithoudt. Veel journalisten in oorlogsgebieden beginnen met veel bombarie aan het vak, maar na 3 à 4 jaar houden ze het voor gezien. Tien jaar is vaak het maximum.”
“Je moet er de juiste mentaliteit voor hebben en eigenwijs zijn. Ieder persoon heeft zo zijn voor- en nadelen, maar belangrijk is dat je goed kunt doorzetten. Gevaar is niet de grootste hindernis in een oorlogsgebied. Lang wachten, onzekerheid en ingebeelde angst moet je ook kunnen weerstaan. Dergelijke angsten kunnen er namelijk voor zorgen dat je duizend keer sterft. Er zijn legio verhalen van mensen die door ingebeelde angst moesten worden weggesleept. Zulke personen blijven in hun gedachten continu de frontlinie checken, waardoor ze gek van vrees werden. Dat is gewoon een karakterkwestie.”

Is fantasie gevaarlijk aan het front? Gaat het fout als je gaat inbeelden wat er allemaal mis kan gaan?
Karskens: “Dat heb je vooral in het begin. Een hoop mensen stoppen hun planning alleen al door de fantasie. Die krijgen een Post Traumatische Stress-stoornis als ze hun angst-dromen beleven.”

Godfried Bomans heeft eens gezegd: Moed is een gebrek aan fantasie. Zit daar wat in of is dat onzin?
Karskens: “Daar zit wel wat in. Je moet dat een beetje zien uit te sluiten. Misschien moet je ook wel iets defaitistisch hebben. Dat je denkt: ‘mij zal het niet gebeuren’. En als het toch gebeurt: so what? Je moet zeker geen hyper-gevoelig iemand zijn en je niet snel gek laten maken. Ik zag dat in 2003 in Irak vaak gebeuren. Daar waren allemaal collega’s die zich echt gek lieten maken, net als in ’91 tijdens de eerste Golfoorlog in Baghdad. Toen was het misschien nog wel erger. Daar lieten collega’s zich, als excuus om te mogen vertrekken, allerlei dingen aanpraten over hoe gevaarlijk het was en hoe angstaanjagend het allemaal kon worden. Allemaal excuses om met opgeheven hoofd te kunnen verdwijnen.”

Wat is de belangrijkste les om als journalist te overleven in een oorlog?
Karskens: “Er is niet één enkele les te noemen. Het is eerder een dik kookboek met allerlei recepten dat je nodig hebt. Mijn boek Reizen langs de Frontlijn gaat daarover. Overleven heeft ook niet te maken met het hebben van veel geld. Je moet het vak vooral zelf graag willen doen en er helemaal achter staan. Je dient er zelf de noodzaak van in te zien en het belangrijk vinden dat je verhalen naar buiten komen, het liefst als eerste natuurlijk. Dat is journalistiek gezien het mooiste.”
“Je moet ook wel een beetje sociaal begaafd zijn om niet in de problemen te komen. Oorlogsverslaggeving is niks anders dan het wegstrepen van risico’s. Als je te bot bent, kan dat problemen opleveren. Maar soms moet je ook juist weer hard of lomp zijn tegen bepaalde mensen, anders lopen ze over je heen. Je moet niet alles accepteren en niet te soft overkomen, want dan pakken ze je ook natuurlijk. Het is balanceren op een slap koord, maar als je een beetje goed met mensen om kunt gaan en ze respecteert – en niet altijd je eigen zin doordrijft en ze niet vernedert – dan lukt het wel. Het is gewoon goed sociaal omgaan met elkaar. Dat is wel een vereiste.”

Is het in jouw vak een noodzaak dat je het gevaar voelt en ziet aankomen?
Karskens: “Met mijnen en mortier-aanvallen weet je natuurlijk toch nooit wat, waar en wanneer er iets gaat gebeuren. Je ontwikkelt wel een Fingerspitzen-gefühl voor dingen die fout kunnen gaan lopen. Gevaar moet je steeds opnieuw inschatten, maar daar heb je ook je mensen voor.  Zelf schat je dat maar voor een klein gedeelte in. Het zijn meer de mensen die je om je heen hebt verzameld die jou op een gegeven moment waarschuwen. Zij kennen de locale situatie beter. Als je bijvoorbeeld bij een bos aankomt, weet je niet wat er allemaal in dat bos zit. Locale mensen weten dan in welk pak je moet lopen om uit het zicht te blijven van de tegenstander. Dat kun je onmogelijk allemaal zelf inschatten. Als je dat allemaal zelf zou moeten uitvinden, wordt het wel heel erg link.”

Colbertje aan het Front
“ Je moet vooral goed om je heen kijken naar wat de inheemse mensen doen en weten waar ze lopen. En dan ook nog eens op zo’n manier met die mensen omgaan dat ze jou ook vertellen waar het vervelend kan worden. Je moet gewoon een aardig, sociaal en inlevend persoon zijn als oorlogsverslaggever. De meesten zijn ook zo hoor. Er ontstaat soms een beeld van een oorlogsverslaggever als een alcoholistische rauwdouwer met een peuk in zijn bek die wel eventjes door een mijnenveld heen hinkelt, maar dat is een cliché-beeld. Je ziet ze wel eens, maar dat is meestal maar één keer. De eerste keer dat zulke types aan de front-linie komen, verschijnen ze bijvoorbeeld in camouflage-kleding met een groot mes aan hun riem. Later zie je ze meestal nooit meer. Dan heeft zo iemand zijn kleding aangepast of heeft hij het metier helemaal voor bekeken gehouden.”
“In de Irak-oorlog van 2003 zaten de echte die-hards onder de oorlogsverslaggevers allemaal in Baghdad. Die liepen er allemaal bij zoals ik. Het waren allemaal dezelfde soort mannen van rond de 40 à Nolte50 jaar. Die lieten zich niet zo snel meer bang maken. Het waren helemaal geen Nick Nolte-types of zo. Eigenlijk allemaal doorsnee personen die niet opvallen als echte oorlogsverslaggevers. Dat maakt ze ook zo sterk. Sommige hadden gewoon een colbertje aan. Dat doe ik ook vaak in een oorlogsgebied. Dat valt dan wel op tussen de kleding van de locale bevolking, maar dat is soms ook wel weer goed. Dan zie je er niet uit als een strijdende partij. Een colbertje staat gekleed en netjes zodat men denkt dat je een belangrijk en geciviliseerd iemand bent. Dat stelt de mensen gerust.”
“Je kleedt je dus wel een beetje op de situatie. Meestal is dat casual.  Als je door een loopgraaf in de jungle baggert, moet je natuurlijk wel aangepaste kleding dragen, want een drie-delig kostuum zit dan niet echt comfortabel. Maar in de regel doe je dat niet zo vaak. De meeste tijd loop je toch achter de frontlijn mensen te interviewen en dan is het het beste als je er een beetje netjes uitziet.”

Wat was het gevaarlijkste gebied waar je ooit hebt gezeten?
Karskens: “Tsjetsjenië. Dat was levensgevaarlijk. Bij oorlogsverslaggeving is er op een gegeven moment een bepaalde grens. Soms loop je heel veel risico, maar kun je geen goed verhaal schrijven omdat je niet alles kunt controleren. Tsjetsjenië is daar een voorbeeld van. Ik ben er twee keer met rebellen mee geweest. Het is een klein gebied en de Russen hebben er een overkill aan bewapening. Dat kleine gebied storten ze helemaal vol met explosieven. Het is er heel moeilijk opereren en het Tsjetsjeense verzet is ontzettend verdeeld. Vooral mijn tweede keer was het erg. Je kon er toen niet meer veilig op pad omdat je zowel de kans liep om Russen tegenover je kon krijgen als gevaar liep om ontvoerd te worden door een concurrerende verzetsbeweging. We waren bijvoorbeeld nog maar een half uur een vallei uit toen we meteen onder vuur werden genomen door Russische Migs. Dat soort werk. Ik wil niet zeggen dat ik er spijt van heb dat ik er geweest ben, maar ik was wel blij dat ik het overleefd had. Dat weet ik nog heel goed. Ik had niet echt angst, maar maakte me toch een beetje zorgen. Dat zegt genoeg. Uiteindelijk ben ik blij dat ik het gezien heb, maar ik zal er niet zo snel meer terugkeren.”

Wat was het verschrikkelijkste dat je ooit hebt meegemaakt in een oorlogsgebied?
RwandaKarskens: “Er zijn natuurlijk bepaalde oorlogen geweest die heel vies waren. Rwanda in ’94 bijvoorbeeld. Daar was ik ook. Je zag er kerken vol met lijken. Dat was allemaal minder fris. Die genocide was, wat efficiëntie betreft, en proportioneel gezien, doeltreffender dan wat de nazi’s ooit gepresteerd hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het was zo breed gedragen door de Hutu’s, dat ze gewoon gigantisch konden moorden. Dat was als je over dodental spreekt wel een van mijn ergste ervaringen.”

Heb je ook veel mooie dingen meegemaakt in oorlogen?
Karskens: “Ja, oorlog kan ook heel mooi zijn, zeg ik altijd. Als oorlog alleen maar zo erg en verschrikkelijk was, dan waren mensen al 3000 jaar geleden gestopt met vechten.  Er moeten gewoon mooie kanten aan zitten. Dat kan niet anders.”
“De mens heeft van nature een jacht-instinct, dus hij voelt zich op de een of andere manier toch aangetrokken tot spanning. En als dat niet gevonden wordt in een oorlog zoeken we dat wel in een film of bij een voetbalwedstrijd.  Dat vinden mensen ook spannend. Oorlog voldoet aan een bepaalde menselijke behoefte.” 
“Een ander, wellicht mooier, aspect van oorlog is de hechte vriendschap die er soms door ontstaat. Bijvoorbeeld als je samen spannende dingen overleeft. Dat geeft altijd wel een band. Het bevestigd worden in je morele gelijk is nog een ander prettig onderdeel van oorlog.”

Ben je vaak bang geweest in oorlogen?
Karskens: “Nee, dat valt wel mee. Dat ligt gewoon aan mijn karakter. Hoe langer ik het doe, hoe minder angstig ik word. In het begin was ik nog wel eens bang, maar dan was ik vooral bang voor dingen die eigenlijk nog moesten gebeuren. Gewoon het idee dat je de volgende dag iets zou moeten doen dat misschien wel heel gevaarlijk zou kunnen zijn, was dan al heel kwellend. Door ervaring verlies je dat gevoel. Dan zie je het allemaal wel op je afkomen. Dat kan gevaarlijk zijn. Er kan bijvoorbeeld een bepaalde gewenning insluipen waardoor je minder voorzichtig wordt. Maar je bent vaak ook niet de enige die beslissingen neemt. Over het algemeen reis je toch samen met een vertaler, chauffeur en andere mensen waar je dingen aan kunt toetsen. Ik ken heel veel mensen over de hele wereld die me goed kunnen assisteren en begeleiden. Ik maak makkelijk relaties.”

RPG 7

RPG 7. Bron: Wikipedia

Heb je ooit een trauma opgelopen door oorlogsgeweld? Ben je wel eens een grens gepasseerd waardoor je stress-verschijnselen of spanningsklachten kreeg?
Karskens: “Ik heb wel eens een tijdje wakker gelegen van een voorval in Baghdad, net na de val van Saddam Hussein. Toen reed ik door het centrum van de stad, waar je overal  nog van die losgeslagen groepjes had rondlopen, en aanhangers van de Baath-partij en buitenlandse strijders actief waren. Die kregen me op een gegeven moment in het vizier en wilden me opblazen met een RPG-7, dat is een granaatwerper van Russische makelij.”
“Gelukkig was ik met twee hele goede Irakese mensen die me er gewoon uitgeluld hebben. Toen dacht ik echt van nou…. Dat was bepaald niet leuk.”
“ In de anarchie van zo’n oorlogssituatie lopen ze gewoon te schieten op van alles en nog wat en dat kan heel gevaarlijk zijn. Daar heb ik nog wel eens van wakker gelegen, maar dat slijt ook wel weer. Dat is maar goed ook.”

Je raakt in zo’n gevaarlijke situatie niet in paniek?
 Karskens: “Nee, ik raakte niet in paniek want ik kan me heel goed verweren met mijn mond en werd bijgestaan door mensen die de taal spreken. Ik geef ook geen aanleiding als Nederlandse journalist. Als ik met een paar Amerikanen had rondgelopen, dan had ik het waarschijnlijk niet overleefd.”
“Het is wel leuk om te vertellen dat ik tijdens dat incident in de auto van de Nederlandse ambassadeur zat. Die man was toen zelf al het land uit en ik wilde graag door de stad rijden, maar net na de val van Saddam waren er helemaal geen auto’s meer omdat iedereen de stad uit was gevlucht. Daarom had ik om die auto van de ambassadeur gevraagd. Die stond er nog. Helaas pakte het niet zo goed uit.”
“Ik ben in Uganda ook wel eens gecrasht met een helikopter. Dat was ook kantje boord.  Net als wanneer je een ongeluk met je fiets hebt gehad, lig je daar ook een tijdje van wakker. Dat is deel van het verwerkingsproces. Als je dat niet hebt, dan moet je je pas echt zorgen gaan maken.”

Probeer je iets te leren van dergelijke levensbedreigende incidenten of tracht je de angsten die daar bij horen juist weg te drukken?
Karskens: “Het komt vanzelf boven. Je kunt die ervaringen wel wegdrukken, maar ze komen toch weer boven. Je denkt er wel over na hoe je in het vervolg iets anders kunt aanpakken, maar een helikopter die neerstort betekent dan dat je voortaan niet meer in zo’n voertuig kan zitten en dat is in mijn vak wat moeilijk. Dan komt het defaitisme weer boven. Op een gegeven moment moet je ook wel weer. Ik ben sinds mijn crash geen groot voorstander meer van helikopter-vluchten, maar ik ben er op een bepaald moment wel weer ingegaan. Als je immers voor de keuze wordt gesteld om een klere eind gaat lopen of lekker de helikopter te nemen, wordt het toch weer makkelijker om lui via de lucht te reizen. Dan denk ik: ‘Inch Allah’: als God het wil. Dood of de Gladiolen.”

Zijn je vrouw en kinderen er aan gewend dat je vaak naar oorlogsgebieden gaat? Kunnen die er goed mee overweg?
Nou ja, je moet natuurlijk niet te veel vertellen thuis. Mijn vrouw is ook journalist geweest en zij weet dus wel hoe het werkt. Zij begrijpt dat het grootste deel van het journaal ook maar een concentratie is van nieuws en dat vaak in de rest van het land waar ik zit geen ene fuck gebeurt. Je ziet op tv alleen maar het meest spectaculaire natuurlijk. Kijk, een autobom is absoluut verschrikkelijk, maar de kans dat je er toevallig net naast staat is in een land als Irak, dat zo’n 10 keer zo groot is als Nederland, natuurlijk verwaarloosbaar. De kans is groter dat je bij ons door een tram gepakt wordt.

Wat is de beste oorlogsfilm die je ooit gezien hebt?
Born on the Fourth of July met Tom Cruise. Wat ik daar zo goed aan vind, zijn niet zo zeer de oorlogshandelingen als wel het gegeven dat Ron Kovic, de hoofdpersoon, op een gegeven moment thuiskomt als invalide. Het feit dat je als burger of soldaat ellendig kunt lijden en vervelend terug kunt komen uit een oorlog is een bijna vergeten en weinig belichte keerzijde van oorlog. Dat zoiets een grote afgang kan betekenen voor jezelf, maar ook voor je ouders vind ik een mooie, vergeten realiteit. De moraal van de film is: iemand die voor de oorlog een loser was, wordt door de oorlog een nog grotere verliezer. Realistischer kan bijna niet.”

En wat vind je een goede roman, documentaire of non-fictie boek over oorlogsgeweld? Eventueel een werk van je zelf.
Karskens met zelfspot en ironie in zijn stem: “Een boek van mijzelf natuurlijk. Ik vind mijn titel Pleisters op de Ogen (over de Nederlandse oorlogsjournalistiek) eigenlijk wel een heel goed boek”.
“For Whom the Bell Tolls van Ernest Hemingway was als roman wel aardig. Ik heb het met plezier gelezen, maar of het nou de beste titel is, weet ik niet.”

now

Apocalypse Now. Bron: Wikipedia

Wat vond je van de Vietnam-film Apocalypse Now, waarin de waanzin van de oorlog een belangrijk thema is? Ben je dat soort gekte zelf ook tegen gekomen in oorlogen, of is oorlog op zich al waanzin?
Karskens: “Die waanzin van oorlog valt allemaal nogal mee hoor. Mensen willen dat ook altijd wel heel graag als waanzin zien hoor. Zelfs in de grootste chaos heerst er echter toch nog altijd wel een bepaalde hiërarchie en een bepaalde regelmaat. Ik denk dat Apocalypse Now wil voldoen aan de Idee-fixe die mensen hebben over oorlog. Het publiek wil graag dat iemand roept: “I love the smell of Napalm in the Morning” omdat het zo absurdistisch is. Maar ik moet de eerste nog tegenkomen die dat roept in een oorlog. Apocalypse Now is wat dat betreft misschien iets te simpel. Het is een iets te makkelijke film, omdat je in films iemand zo gek kunt maken als je zelf wilt om vervolgens te zeggen: ‘kijk, dat is nou oorlog, zo ziet die waanzin en ellende eruit.’ Terwijl dat toch niet echt het beeld van de oorlog is. Daarom vind ik “Born on the Fourth of July beter, want dat is wel de realiteit. De hoofdrol-speler is een echte loser, die een nog grotere loser wordt door de oorlog. Dat is veel sterker. Ik geloof zelf namelijk niet in het heldenepos.”

Bestaat heldendom in oorlogen volgens jou dus helemaal niet?
Karskens: “Helden liggen op het kerkhof. Het zijn vaak ook niet de meest slimme mensen die heldenmoed ten toon spreiden. Ze doen het goed in een film, maar in de praktijk loopt het dikwijls heel erg slecht met ze af.”
“Heldendom ben ik ook niet vaak tegen gekomen hoor. Ik geloof er niet zo in. Ik probeer in mijn werk daarom ook de oorlog en de bijbehorende valse romantiek te de-mythologiseren.”
“Maar als aanvulling op je vraag: iedereen is op zijn eigen manier toch ook wel weer een beetje een held natuurlijk. Mensen doen afwisselend goede, slechte, heldhaftige en laffe dingen.”

Wat hebben al je oorlogsreportages en reisverslagen je geleerd over de menselijke geest en de menselijke natuur?  Is de mens goed, slecht of een mix van die twee?
Karskens: “Daar heb ik eigenlijk niet zo’n mening over. Zo’n definitief oordeel is volgens mij ook niet te geven. Je moet de oorlog en de ervaringen daarin ook weer niet overdrijven. Als je bijvoorbeeld ambulance-medewerker bent, kom je misschien wel meer huiveringwekkende dingen tegen dan de doorsnee Nederlandse soldaat in Uruzgan. Dat vak uitoefenen is mentaal zwaarder dan een tijdje aan het front zitten.  Dat weet ik eigenlijk wel zeker. Zo iemand heeft meer recht op trauma’s dan welke commando dan ook, net als een huisarts die ook veel ellende ziet. En een huisarts of ambulance-medewerker leeft ook gewoon door, zonder psychisch behandeld te worden.” 

Overheerst het goede of het kwade in de mens volgens jou?
Karskens: “Het goede of het kwade? Geen van beiden. Nee, het opportunisme overheerst altijd. Mensen zijn zeer pragmatisch. Het zijn echte overlevers.  Mensen die soms een held zijn, kunnen op een ander moment weer heel laf doen. En laffe mensen kunnen weer een held zijn. Dat is universeel.”
“Oorlog kan wel iets met mensen doen, maar ik zeg altijd: er zijn twee soorten leed op deze wereld: ‘mijn’ leed en ‘dijn’ leed.  Een oorlog kan heel veel effect op je hebben als mensen in je directe omgeving of uit je eigen familie iets overkomt. Maar leed binnen je eigen familie doet altijd zeer, daar hoeft het niet speciaal oorlog voor te zijn.”
“Wat een oorlog aanricht bij anderen die je niet kent, kun je best verschrikkelijk vinden voor ze, en je kunt hun pijn inleven, maar je ligt daar niet wakker van. Jij ligt ook niet wakker van Congo en hoeveel mensen daar om het leven zijn gekomen. Je vindt het wel erg, maar je wordt er niet door getraumatiseerd. Terwijl lijden in je eigen buurt een enorme impact kan hebben. Zo is het ook met oorlog. ‘Mijn’ leed is ook hier erger voor iemand dan ‘dijn’ leed. En dat is misschien maar goed ook, want anders zou het een tranendal zijn met al die oorlogen die er gevoerd worden. Het je niet te veel aantrekken van andermans ellende is de enige manier om het mentaal te overleven. Zonder het goed te keuren natuurlijk.”

Zit oorlog gewoon in de mens verankerd?
Karskens: “Ja, het zit er absoluut in. De mensheid heeft strijd nodig. Wat je vaak ziet, (bijvoorbeeld in Sri Lanka) is dat een bepaalde generatie oorlog voert waarbij veel mensen omkomen, waarna de generatie daarop het geweld even voor gezien houdt. De derde generatie begint echter gewoon weer van voor af aan. Men wil eigenlijk ook niet leren, met het effect dat we elkaar in ons korte bestaan van zo’n 80 jaar het leven behoorlijk moeilijk of zelfs  onmogelijk maken.”

Waar komt die oorlogszucht vandaan volgens jou?
Karskens: “Het zijn natuur-driften: de survival of the fittest. Je zou denken dat dat door onderwijs wel verdwijnt, maar dat is helemaal niet zo. Ook de meest geciviliseerde staten knokken graag. Oorlog is een menselijke tekortkoming – een genetische afwijking. Dat lossen we niet meer op.”

Maar als het om de survival of the fittest gaat, zou dat betekenen dat we evolutionair wellicht voordeel hebben van die genetisch afwijking. Klopt dat?
Karskens: “Voor een deel is dat ook zo. In Rwanda zaten er bijvoorbeeld te veel mensen op een klein oppervlakte. Als je dan de helft uitmoordt, heb je meer Lebensraum. Die oorlog in Irak gaat ook om olie. Dat zijn dan weer allemaal economische belangen die spelen.”

Wint de meest slechte, cynische, verdorven en nihilistische partij meestal in een oorlog?
Karskens: “Nee, vaak zie je de goede partij juist winnen omdat die de steun heeft van de bevolking. Ze hebben het grootst draagvlak en de meeste mensen achter zich. Zo’n strijd kan soms echter wel lang duren.”

Soms wordt gezegd dat alleen in oorlog er absolute vrijheid bestaat omdat er dan complete anarchie heerst, zodat je alles kunt doen. Klopt dat?
Karskens: “In een oorlog zijn er ook regels hoor, en als je die regels niet volgt, ga je eerder tegen de muur dan de vijand.”

De Limiet van het Mens Zijn

De Franse filosoof en schrijver Jean-Paul Sartre zei dat verschrikking leidt tot vrijheid. De intensiteit van het leven en van de wil tot leven wordt in een oorlog gescherpt en geeft een gevoel van vrijheid. Klopt dat?
Karskens: “Oorlog is natuurlijk de survival of the fittest. Het brengt natuur-driften naar boven en je wordt heel alert. Oorlog is toch een soort drug. Het is een geaccelereerd leven dat je dan leidt. Je voelt het tot in je vingertoppen. Dat is een prettige high. Het maakt stofjes in je brein los – de zogenaamde endorfinen. Dat brengt je toch in een hele prettige stemming. Hele volksstammen die zich vroeger achter een krijgsheer schaarden, moeten zich daar toch heel senang bij gevoeld hebben. Dat kan niet anders. Het geeft mensen een kick.”

Merk je het bij jezelf ook dat je er soms een high van krijgt als je in een oorlogsgebied bent?  
Karskens: “Ik denk dat het één van de krachten van de oorlog is dat je je in geen enkele andere situatie meer bewust bent van je leven dan in het strijdgewoel. Je in een oorlog bevinden is een uitdaging. Het is een test met jezelf. Dat gevoel kun je ook hebben in een voetbalwedstrijd, maar alleen bij een gewapend conflict gaat het om het echie. In een oorlog draait het steeds om het zoeken naar de limieten van het mens zijn. De drang om te presteren drijft ons daartoe. Het is een dierlijke drift in de mens.”

Leef je intenser in een oorlog omdat je dan dichter bij de dood leeft?
Karskens: “Ja, dat gevoel heb je wel. Het is niet altijd dat je dichter bij de dood leeft, maar je voelt wel meer de uitdaging om te overleven dan in het burger-bestaan.”

Maar in het burger-bestaan is die overlevingsdrang wellicht toch wat minder dan in een oorlog?
Karskens: “Dat wel, maar daar is toch ook veel competitie. Op je werk is het competitie, in de sport is het competitie en op school is het competitie. Dat zit er al van jongs af aan in: cowboytje en indiaantje spelen etc. Dat wordt ons niet zo maar opgedrongen hoor. De mens zit voor een groot gedeelte zo in elkaar. Het gaat altijd om wie de beste is. We leven in een zeer competitieve samenleving en oorlog is daar een extreem voorbeeld van.  Volgens mij is dat altijd zo geweest, alleen zijn de effecten nu erger omdat de wapens veel gruwelijker zijn. Hoewel, met een hakmes kun je ook veel ellende aanrichten, zoals we gezien hebben in Rwanda.” 

Is de kameraadschap tussen mensen ook intenser tijdens oorlogen? En zo ja, is dat prettig? 
Karskens: “Ja, zowel de vriendschap als de haat worden sterker gedurende een oorlog. Vaak op totaal irrationele gronden hoor, dat wel. Dat is de kuddegeest hè.”

Vrede in Afghanistan?

Helpen vredesmissies of is het verspilling van tijd, geld en mensen?
Karskens: “Wat is een vredesmissie? Je bedoelt in Afghanistan? Dat is geen vredesmissie. Een echte vredesmissie was er bijvoorbeeld in Liberia. Daar werd, net als in Sierra Leone geweldig geslacht. Al die rivaliserende partijen wilden op een gegeven moment niet meer vechten en daarom werd er een leger naartoe gestuurd zodat de rust gehandhaafd kon worden. Dan kun je spreken over een vredesmissie, maar als je er heen gaat met gevechtsvliegtuigen en gevechtshelikopters dan is dat gewoon letterlijk oorlogsvoering.”
“De bevolking moet altijd zelf vrede willen. Als strijdende partijen het oorlog voeren zat zijn heeft het best zin om – tijdelijk natuurlijk – militairen te sturen zodat iedereen dat veiligheidsgevoel krijgt. Opdat mensen, als ze gaan slapen, niet meer hoeven te denken dat de (gewapende) buurman weer aan hun deur klopt. Als je een bepaalde rust brengt in een gebied kan dat absoluut zin hebben. Maar niet elke oorlog onder de naam van een vredesmissie is natuurlijk vredelievend bedoeld. Het verkoopt natuurlijk wel goed als je het zo voorstelt, maar daarmee wordt het nog niet waar. ‘Opbouw’-missie is nog zo’n woord. Dat klinkt beter dan ‘we gaan knokken’. Het zijn de spindoctors die dat soort benamingen bedenken, maar daar moet je doorheen kijken.”

Maar wat is dan het doel van de missie in Afghanistan?
Karskens: “ Het gaat daar puur om de olie. Afghanistan grenst aan Iran en dat is een enorm groot olie-rijk gebied. Door de geallieerde bezetting van Irak en Afghanistan wordt Iran momenteel gesandwiched tussen westerse legermachten. Het westen wil dat economisch belangrijke gebied simpelweg beheersen. Omdat Amerika en de NAVO in dat gebied zitten, kunnen Rusland, China en India er niet neerstrijken. Het westen is vreselijk bang dat op een of andere slimme manier de Chinezen er aan komen. Daarom zit Nederland daar en niet om die waterput. Het is echt pure machtspolitiek, ook wel geo-politiek genoemd. Om die vrouwenrechten daar te brengen is het wel een dure grap, vind je niet? Het kost vele miljarden en daar moeten ook weer talloze miljarden tegenover staan. Het gaat altijd om geld. Money makes the World go Round.

Er wordt ook wel eens beweerd dat westerse legers in Afghanistan zitten vanwege de aanwezigheid van nucleaire wapens in Pakistan. Men zou bang zijn dat fundamentalistische moslims uit Afghanistan en Pakistan in het bezit zouden komen van de atoombom? Is dat zo of gaat het toch voornamelijk om olie?
Karskens: “Er liggen al lang allerlei scenario’s klaar om die Pakistaanse atoombommen onschadelijk te maken, voordat de vijand de kans krijgt ze te veroveren. Dat is niet zo’n probleem.  Als ze willen kunnen ze dat binnen de kortste keren opruimen. Rusland en China zullen hard mee werken om in zo’n geval met een hele snelle interventie-macht te voorkomen dat anderen met een atoombom gaan gooien.”

De Amerikaanse schrijver Gore Vidal beweert dat Amerika continu kleine oorlogen voert om zo een Derde Wereld-oorlog te voorkomen? Zit daar wat in? Is dat doelbewust beleid van de VS? Gaat het om een soort containment-politiek?
Karskens: “Ja,ja, voor een deel wel. Dat denk ik zeker. Je moet dergelijke ingrepen natuurlijk niet uit de hand laten lopen. Want hoe groter zo’n lokale oorlog wordt, hoe meer problemen je op de hals haalt. In Irak hebben de VS zich niet echt vergrepen maar het was natuurlijk wel een grote hap. Dat hadden ze op een slimmere manier kunnen spelen door het de Irakezen zelf te laten uitknokken.”

“Het zelfde geldt voor Afghanistan waar de VS ook geen slimme politiek voeren. Waarschijnlijk worden we er daar uiteindelijk toch uitgekotst en dan is alles voor niks geweest. Ze zouden met meer geduld te werk moeten gaan en met meer diplomatie. De macht van het Militair Industrieel Complex is echter zo groot en zo verweven met de machthebbers dat ze geen zin hebben in slappe hap en maar meteen een dreun geven. Dan luisteren die lastige landen tenminste naar ons, denken de VS. Dat is een politiek die het 200 à 300 jaar geleden erg goed deed, maar tegenwoordig wat minder.
Vroeger was alle kennis en macht geconcentreerd in Europa, terwijl tegenwoordig iedereen meer inzicht en know how heeft.  Vroeger kon je ongestraft hele dorpen, stammen en landen uitmoorden. Dat gebeurt nog wel, maar dat wordt wel steeds moeilijker. Je bent gebonden aan internationale regels, althans nu nog wel.”

Bestaat het Militair Industrieel Complex echt volgens jou? Daar is vaak discussie over.  Sommigen zeggen dat het onzin is? 
Karskens: “Dat bestaat wel ja. Als je ziet dat na zo’n oorlog in Irak de omliggende landen voor miljarden dollars Amerikaanse wapens bestellen, zegt dat wel iets. De wapen-industrie en de regering van de VS is er altijd bij gebaat een bepaald spanningsveld te handhaven. Daarom moet er af en toe geknokt worden. En hoeveel mensen zijn er niet afhankelijk van nieuwe defensie-uitgaven:  research-afdelingen en toeleveringsbedrijven hebben daar veel baat bij. Dat behelst een aanzienlijk deel van de bevolking. Na de val van de Muur in ’89 werd meteen gezegd dat er op de defensiebudgetten gekort kon worden, maar dat kwam ze uiteindelijk toch niet zo goed uit. Daarom zijn ze maar het tegenovergestelde gaan doen. De VS heeft de defensie-budgetten sindsdien juist voortdurend verhoogd.”

Dat betekent dat de wereld nogal cynisch in elkaar zit?
Karskens: “Ja, het beleid wordt niet bepaald door rationele overwegingen, maar door  pragmatische en economische beweegredenen.”

Denk je met je werk veel invloed te kunnen uitoefenen op de politiek of op NGO’s? Of is dat niet direct je doel?  
Karskens: “Het is natuurlijk afhankelijk van waar je zit en hoe belangrijk die oorlog is, maar ik weet zeker dat ik met mijn berichtgeving over Afghanistan/ Uruzgan een hele belangrijke factor ben, absoluut. Daar oefen ik wel een grote rol uit. Dat komt omdat ik eigenlijk de enige ben die die oorlog van binnenuit kritisch bekijkt en met feiten en ervaringen aan kom zetten. Niet één keer maar heel vaak. Mijn berichten daarover worden allemaal wel goed gelezen, en ik ben natuurlijk ook gevraagd om voor het parlement te spreken in Nederland, maar ook in België. Dat doe ik graag. Ik vind het goed en mooi als ze me vragen.”
“Dan geef ik duidelijk en onverbloemd mijn mening over de kwestie. Ik ben immers totaal niet gebonden. Voor een hoop andere journalisten is dat praktisch onmogelijk omdat ze embedded  gaan en dus een morele zwijgplicht hebben, terwijl ik dat helemaal niet heb. Ik ben altijd onafhankelijk gegaan. Ik kan zeggen wat ik zelf wil. Al die anderen praten toch vaak met zand in de mond hoor. Ze kunnen bepaalde dingen gewoon niet zeggen omdat ze anders niet meer mee mogen of omdat ze dat een beetje lullig vinden tegenover hun gastheren (Defensie).”

Heb je het idee dat wanneer je voor het parlement spreekt er ook echt geluisterd wordt en dat ze het opnemen en begrijpen?
Karskens: “Meer en meer. In het begin dachten ze: het gaat ons wel lukken en het komt goed in Afghanistan, maar het aantal omgekomen militairen in het buitenland stijgt natuurlijk alleen maar. Vroeger mocht er ook niet gepraat worden met de Talibs, terwijl iedereen nu opeens wel hardop roept dat het noodzakelijk is. Al die strategieën die ze vier jaar geleden hadden bedacht, zijn allemaal weer terug gehaald, terwijl ik nog steeds op het zelfde standpunt sta en het zelfde zeg als in het begin. Dat komt natuurlijk omdat ik Afghanistan ken en weet wat oorlog is. Al die parlementsleden en ministers niet, want die zijn er nooit geweest. Zij gaan een beetje af op militairen voor wie het een broodwinning is om te blijven knokken. Dat zien ze nog steeds te weinig in.”

Heb je van tevoren gewaarschuwd dat het fout zou gaan? Of heb je gezegd dat er ook een mogelijkheid tot succes was?
Karskens: “Dat het een succes kon worden, heb ik nooit gezegd. Ik zeg altijd: ‘het is een oorlog die de NAVO niet kan winnen en de Taliban niet kan verliezen.’ Al die ontwikkelingsprojecten zullen de zaak niet veranderen. De Afghaanse samenleving is ook geen samenleving die het überhaupt niet tolereert dat buitenlanders zich er mee bemoeien. Het buitenland mag alleen het geld geven. Met een enorme grote Navo-macht kun je daar niet meer uitrichten dan de Russen indertijd. Ze kunnen zich beter terugtrekken, maar dan wordt het een nog grotere chaos natuurlijk.”
“De oplossing moet door de Afghanen zelf worden aangedragen. Het is hun land. Wij accepteren het ook niet als de Saoedi’s hier op een gegeven moment zeggen dat wij moeten gaan leven zoals zij willen. Dat zouden wij ook helemaal niet accepteren, dus waarom zouden zij het wel tolereren als wij het zeggen. Het is hun sores. Als zij zichzelf willen bevrijden moeten ze dat vooral doen en daar dienen wij ons niet mee te bemoeien.”

Merk je duidelijk dat de Nederlandse overheid en het leger niet blij zijn met jou? Op welke manier wordt dat duidelijk?
Karskens: “Ze hadden me bijna een keer laten vermoorden in Uruzgan. Ze probeerden me te debunken. Er is daar een roddelcircuit waar je niet alles van hoort. Daardoor zijn mensen soms stug tegen je of willen ze niet met je praten. Als je in zulk soort gebieden als Nederlands leger slecht spreekt over iemand dan kan een onverlaat wel eens denken: ik ga die militair eens helpen en dus schiet ik die Karskens maar eens dood. Dan krijg ik vast een pluim. Daar ben je als journalist gewoon kansloos tegen omdat je geen wapen bezit en heel weinig dekking hebt.
In een uitzending van tv-programma Zembla, die iedereen terug kan kijken, zag je duidelijk dat Nederlandse militairen ‘gewoon’ stonden te liegen. Als je dan de beelden van de camera terugziet, merk je dat de werkelijkheid precies het tegenovergestelde er uitzag als hetgeen verteld werd door leden van de Nederlandse defensie-macht. Ze liegen en bedriegen continu. Het zij zo. Ik trek me er voor de rest niet veel van aan. Ik ga toch gewoon door.”
Denk je dat er in de toekomst iets gaat veranderen inzake het Afghanistan-beleid? 
Karskens: “De helft van de Nederlandse bevolking ziet die hele aanwezigheid van Nederland in Uruzgan niet zitten. Dat blijkt uit opiniepeilingen. Mijn berichten geven argumenten tegen alle propaganda van de regering en het leger in. Als je de kritische berichtgeving afzet tegenover de positieve berichtgeving dan is het wel heel ver zoeken om de waarheid te vinden, maar mensen kijken echt wel heen door die propaganda. Alleen al het feit dat het leger en de overheid hun toevlucht moeten zoeken tot die embedded journalistiek, waarbij je regelrechte censuur pleegt, betekent dat ze gewoon hun boodschap door de mensen hun strot willen duwen. Negen van de tien journalisten gaan embedded mee naar Uruzgan en moeten dan hun stukken laten lezen voordat het verzonden kan worden naar Nederland. Als het dan niet positief genoeg is gaat het niet door.  En als je het woord ‘opbouw’ niet noemt, worden ze ook een beetje boos. Alleen dictaturen hanteren normaal gesproken het wapen van de censuur, maar Nederland in Uruzgan dus ook. Dat komt doordat er geen natuurlijk draagvlak is voor die actie.”

Wat wordt in de toekomst de ergste brandhaard in de wereld? Welk gebied is het gevaarlijkst voor de wereldvrede?
Karskens: “Ik denk het Midden-Oosten en de olie-staten omdat dat gebied de hefboom is van de wereld-economie. Zolang er nog geen alternatief is voor olie blijft dat een belangrijk en daardoor kwetsbaar gebied. We doen ons dat wel een beetje zelf aan hoor. Door de enorme macht van de olie-maatschappijen is de ontwikkeling van alternatieve energie sterk in het slop geraakt. Je zou verwachten dat de politiek de macht van die olie-maatschappijen kan minimaliseren maar het gebeurt niet. Dus blijven we afhankelijk van die olie-producerende landen. Nu is die olie 60 dollar per vat, maar als de economie weer aantrekt, en er over tien jaar een gebrek aan olie komt, dan gaat het 200 à 300 dollar per vat kosten. Dan moet je natuurlijk wel op de bron zelf zitten, anders wordt binnen een paar maanden je economie om zeep geholpen. Daarom zitten we daar dus en niet om die waterput aan te leggen of om vrouwen te bevrijden.”

Boek

Rebellen met een Reden. Bron: Arnold Karskens

Komt er binnenkort nog een boek van je uit?
Karskens: “Ja, in oktober. Het boek heet: Rebellen met een Reden: idealistische Nederlanders, vechtend onder vreemde vlag en komt uit bij uitgeverij Meulenhoff. Het is bijna af. Ik moet het nog herlezen en de eindredactie dient er nog over heen te gaan. Het boek gaat over mensen als Indië-ganger Poncke Princen en de linkse rebel Tanja Nijmeijer die in Colombia met de FARC strijdt tegen de regering Deze mensen hebben zich uit idealistische overwegingen aangesloten bij rebellen-groepen en opstandelingen. Het is mijn zevende boek over oorlog.”

Heb je nog ideeën voor eventuele boeken daarna?
Karskens: “Oh, zoveel ! Ik kan er nog zo zeven bij schrijven. Het kost alleen ontzettend veel tijd. Controleren en nalezen etc. Het is immers non-fictie, dus alles moet echt kloppen.”

Denk je ook wel eens aan fictie? Heb je plannen om ooit eens een roman te schrijven?
Karskens: “Dat wil ik ook nog wel eens doen. Ik dacht altijd dat dat makkelijker is dan non-fictie, maar dat is dus helemaal niet zo. Dan moet je alles dus fantaseren.”

Met jouw ervaring in oorlogsgebieden is dat misschien wel te doen. Dan kun je al je belevenissen er in verwerken.
Karskens: “In principe moet dat kunnen. In de toekomst zal het zeker gebeuren.”

Zal die roman ook weer over oorlog gaan?
Karskens op sarcastische toon: “Ja zeker, ik heb nergens anders verstand van.” 

Wanneer vertrek je weer en waar ga je dit keer naartoe?
Karskens: “Ik verwacht eind oktober weer weg te gaan, tenzij er iets spoedeisends komt. Dan ga ik eerder. Vroeger wilde ik er per se bij zijn als er ergens een oorlog uitbrak, maar dat doe ik eigenlijk niet meer. Nu kies ik iets uit dat heel interessant is. Ik doe nu meer de achtergronden, dat is veel boeiender. Kijk, als er een oorlog in Libanon uitbreekt, gaan er tegenwoordig 500 journalisten naartoe. Dan breng je allemaal het zelfde verhaal, waardoor je geen meerwaarde hebt. Het gaat mij er om die ene zin te schrijven die nog niet geschreven is. Dat brengt journalistiek gezien, maar ook gevoelsmatig, het meeste op. Dan voel je jezelf het meest noodzakelijk.”
“ Bij de invasie van 2003 was ik de enige Nederlander in Baghdad. Dan is het interessant. Laatst ben ik naar Gaza gegaan, maar dat had ik beter niet kunnen doen. Eerst wilde ik niet, maar uiteindelijk ben ik toch geweest. Dan sta je daar weer met 300 mensen bij de grens. Dat viel tegen omdat je dan niks extra’s brengt. Dan denk ik wel: Karskens jongen, stommerd, was toch thuis gebleven!”
“Soms kan het echter ook wel weer goed zijn om een bepaalde conflicthaard weer eens te bezoeken hoor. Dan doe je weer nieuwe ideeën op. Het is niet allemaal verloren, maar je moet het niet te vaak doen. Je weet gewoon niet altijd of het een goede zet is om ergens naar af te reizen. Ik heb daarom het liefst een conflict dat al speelt met interessante aspecten waar je onderzoeksverhalen over kunt schrijven. In Uruzgan doe ik bijvoorbeeld veel research. Ik doe er het werk dat anderen laten liggen zoals begane oorlogsmisdaden onderzoeken.”
“Waar ik eind oktober naartoe ga, weet ik nog niet. Geen idee.” 

Na het interview trakteert Karskens op oesters met witte wijn, waarna hij weer naar huis gaat om zijn boek af te maken. Hij heeft nog een week om alles te checken voor het boek naar de zetter gaat. In september volgt weer het front. Dit heftige leven kan hij naar eigen zeggen goed volhouden tot zijn 65ste en mogelijk nog langer. Geaccelereerd leven tot in de kist. Wie had anders verwacht van deze oorlogsverslaggever….

Eind oktober 2009 in de boekhandel:
Rebellen met een Reden: Idealistische Nederlanders vechtend onder vreemde vlag
Uitgeverij Meulenhoff
ISBN: 9789029085458
Prijs: 19,95 Euro

http://www.meulenhoff.nl

http://www.nobelprijsvoordeliteratuur.nl/meulenhoff/result-titel.asp?ISBN=9789029085458#1

www.arnoldkarskens.com

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Schrijf je in voor TOEN!