Keizer Karel de Grote

Op 28 januari 2014 is het precies 1200 jaar geleden dat Karel de Grote overlijdt. In 800 kroont de paus Karel de Grote tot keizer, de eerste keizer sinds de Romeinse keizers in het westen van het toneel verdwenen.

Karel de Grote door de paus gekroond tot keizer in 800 na Chr.

Karel de Grote door de paus gekroond tot keizer in 800 na Chr.

Door de verschillende bronnen naast elkaar te leggen, te vergelijken en te toetsen op hun betrouwbaarheid zal in dit stuk geprobeerd worden een beeld hier van te krijgen. Tenslotte wordt dit beeld naast de visies van Barraclough, Fleckenstein en Ganshof gelegd en getoetst.


Bronnen kroning Karel de Grote

Vita Karoli
De schrijver van de Vita Karoli, Einhard, was een tijdgenoot van Karel de Grote die aan het hof leefde en waarschijnlijk wel als een vriend van Karel gezien kan worden. Hij kreeg de opdracht een biografie van Karel te schrijven en dit werk staat bekend als de Vita Karoli. In hoeverre kan de biografie van Einhard als betrouwbaar gelden? Hiervoor zullen wij in de eerste plaats naar de herkomst van de informatie moeten kijken. Waar haalde Einhard zijn informatie vandaan? Wij weten dus dat Einhard aan het hof van Karel de Grote leefde en een tijdgenoot was. Hij kon hier praten met ooggetuigen en ook had hij toegang tot de zogenaamde Koninklijke Annalen en de Capitularia. Hij was waarschijnlijk een vriend van Karel en heeft dus zelf met de keizer kunnen praten. Hij zat dus dicht bij het vuur. In de tweede plaats moeten we kijken of hetgeen hij geschreven heeft klopt. Geleerden hebben ontdekt dat er fouten zijn te vinden met betrekking tot de militaire acties van Karel de Grote. Ganshof verklaart dit door te stellen dat Einhard uit was op een karakterbeschrijving en niet een beschrijving van de evenementen. Wat bij Einhard zo goed als ontbreekt is informatie over bestuur en staat. Dit zou komen omdat tijdens de regering van Karel de Grote, beslissingen omtrent het bestuur en de staat ad hoc werden genomen en slechts gedeeltelijk waren zegt Ganshof. Een derde punt waar we naar moeten kijken is de tijd tussen het gebeurde en moment van vastleggen. Waarschijnlijk is Einhard vanaf 817 begonnen aan zijn biografie, maar niet later dan 830. Voor een vroeg-middeleeuwse bron is dit vrij recent. Tenslotte is de objectiviteit van de schrijver van belang. Einhard is niet bepaald objectief, hij schrijft bijvoorbeeld dat de geboorte en jeugd van Karel in nevelen verhuld zijn, terwijl dit waarschijnlijk een poging van Einhard was om de waarheid te verbergen: dat Karel’s vader nog niet getrouwd was met de moeder van zijn kind toen Karel geboren werd. Maar aan de andere kant blijkt Einhard’s verhaal op veel punten vaak wel te kloppen. Met deze gegevens kunnen wij de bron van Einhard betrouwbaar achten.

Annales Regni Francorum
Deze annalen zijn geschreven in de periode tussen 741 en 829. Er is veel onzekerheid over het ontstaan en de verbanden tussen de verschillende stukken. Een paar dingen kunnen er wel over gezegd worden. In de eerste plaats zijn sommige zaken direct na de periode van Karel geschreven maar andere juist niet. En in de tweede plaats is het werk door verschillende auteurs geschreven. Waar de schrijver(s) van de Annalen hun informatie vandaan hebben gehaald is niet geheel duidelijk, maar een gedeelte van de Annalen is wel tijdens en vlak na Karel de Grote geschreven. Hetgedeelte over de kroning is zeker contemporain. Over de nauwkeurigheid van de bron zijn wel wat dingen te zeggen. Er worden ontzettend veel details in genoemd zoals plaatsnamen, rivieren, streken en een aantal eigen namen. Er wordt verder melding gemaakt van een abnormale vorst in juli en een aardbeving op 30 april 801 in Spoleto. Dit zijn geen dingen die men verzint, daar zijn ze te nauwkeurig voor. De bron is geschreven tussen 741 en 829 en dus zowel tijdens als na Karel’s periode. King schrijft dat sommige zaken direct na de periode van Karel geschreven maar anderen juist niet. De bron is vrij objectief en de zaken worden in een erg neutrale, haast zakelijke wijze beschreven. De Annalen worden beschouwd als de belangrijkste en eigenlijk enige bron voor politieke en militaire geschiedenis ten tijde van Karel. De bron lijkt door de gedetailleerdheid en neutraliteit erg betrouwbaar.

Annales Laureshamenses
Deze beschrijven de periode van 768 tot 803, waarvan de periode van voor 786 waarschijnlijk letterlijk is overgeschreven uit een andere bron. Ook hier is de herkomst van de informatie moeilijk te achterhalen, behalve dan van het stuk van voor 786 welke een bijna exacte kopie is van de Annales Mossellani. Ook hier komen heel wat plaatsnamen in voor maar niet zo uitgebreid als in de Frankische Annalen. De Annalen zijn voornamelijk contemporain tussen 786 en 803. Er is een enkele keer een spoor van subjectiviteit te ontdekken in de bron wanneer de schrijver zijn goedkeuring uitspreekt over de verbanning van de mensen die paus Leo III hebben mishandeld. Verder kan de bron als vrij objectief worden beschouwd en betrouwbaar.

Liber Pontificalis
Deze bron beschrijft de levens van pausen. Het gaat ons bij deze bron om de levensbeschrijving van Leo III. Het boek der pausen is geen exacte biografie, het ging meer om het ambt van de paus. De meeste beschrijvingen zijn na de dood van de paus geschreven maar waren altijd gebaseerd op contemporaine bronnen. De Liber Pontificalis kan als betrouwbaar worden beschouwd volgens King. Al zouden er natuurlijk wel vraagtekens geplaatst kunnen worden bij het wonder dat Leo III overkwam.

Chronographia
De Chronographia is geschreven door een Byzantijnse monnik genaamd Theophanes, die een periode van 284-813 beschrijft, hij begon met schrijven rond 810 en dit deed tot 814/815. Hij beperkt zich voornamelijk tot de Byzantijnse geschiedenis en geeft weinig informatie over het westen, wanneer hij wel over het westen schrijft zitten er vaak fouten in de datering van evenementen. Waar de schrijver zijn informatie vandaan haalt is onduidelijk. Hij beschrijft de kroning van Karel gaat maar toch is de bron waarschijnlijk onbetrouwbaar omdat de monnik geen goed zicht had op de westerse geschiedenis.

2. De kroning van Karel de Grote

Maar of Karel de kroon en titel nou wel wilde of niet en of hij er nou wel of niet van af wist, het initiatief tot de kroning is waarschijnlijk wel van Leo III uit gegaan. Leo III was mishandeld en beschuldigd van allerlei kwaad en tot wie zou hij zich anders moeten wenden dan tot Karel die de kerk van Rome liefhad en overlaadde met geschenken. Door Karel de keizerstitel te schenken kreeg Karel de bevoegdheid de mensen te straffen die de paus kwaad hadden gedaan , een opportunistische daad dus en misschien dat ook het feit dat op de Oost-Romeinse troon een vrouw zat meegespeeld heeft in de beweegredenen van de paus, waarmee de paus zich ook wat kon distantieren van het Oost-Romeinse Rijk. De keizerskroning, welke gevolgd werd door een zalving met heilige olie , gaf de paus een soort monopolie op het kronen tot keizer, alhoewel Karel later zijn zoon Lodewijk de Vrome zelf heeft gekroond tot keizer, maar dit werd na Karel’s dood nog eens dunnetjes overgedaan door paus Stephanus te Reims waarbij Lodewijk ook gezalfd werd.

Een andere partij die betrokken was bij de kroning naast Karel en de paus, was het Romeinse volk welke volgens de bronnen, nadat Leo III de kroon geplaatst had Karel acclameerde met de woorden:

“Lang leve Karel, de vrome, door God gekroonde Augustus, de grote, vredelievende keizer”.

Dit zou driemaal geroepen worden de Romeinse bevolking liet hiermee blijken dat ze de kroning en dus de nieuwe keizer accepteerde.

 Voor Karel zal de titel niet veel betekend hebben, het veranderde niets aan zijn machtspositie, die hij al had opgebouwd zonder de keizerstitel. Rome bezat hij al. Het Byzantijnse Rijk accepteerde op een gegeven moment wel zijn titel, maar het is maar de vraag of de status van Karel’s keizerstitel gelijkwaardig werd gezien aan de status van de Byzantijnse keizerstitel. Doordat het de paus was die Karel had gekroond kon men daar de conclusie uit trekken dat de paus boven de keizer stond en dat de keizerlijke titel alleen uit handen van de paus en dus uit handen van God verkregen kon worden: de door God gekroonde Augustus. Het keizerschap uit handen van de paus gaf het een sacrale status. Het Romeinse volk deelde deze gedachte in hun acclamatie. Deze waarde hechtte Karel er zelf niet aan wat blijkt uit het feit dat hij zijn eigen zoon tot keizer kroonde en dit niet liet gebeuren door de paus. Door Karel te vergelijken met Augustus, kwam hem hierdoor ook de status toe van de vroegere Romeinse keizers, alsof hij een opvolger was van deze traditie.

3. Historici over de kroning van Karel de Grote

Na dit voorlopige scenario van de kroning van Karel de Grote zullen wij kijken naar de vises van andere historici: Fleckenstein, Ganshof en Barraclough en naar de verschillen.

Fleckenstein
In het boek “Karl der Grosse” beschrijft Fleckenstein Karel als de machtigste man van zijn tijd. Nog voor het jaar 800 had hij al zoveel macht dat hij de onomstreden heerser van West-Europa was. Zelf zou hij niet naar het keizerschap gestreefd hebben maar anderen dachten dit wel, zoals de paus. Fleckenstein ziet het ontstaan van dit middeleeuwse en westerse keizerschap dan ook bepaald door drie factoren: de feitelijke macht van Karel, zijn relatie tot de paus en zijn relatie tot Byzantium. De paus wilde uit de invloedssfeer van Byzantium komen en gaf Karel een positie die gelijk was aan die van een keizer, Karel wilde dat Byzantium dit zou erkennen. Karel was de grote beschermer van de kerk van Rome. Hij kwam in een scheidsrechtersrol terecht toen zowel Leo III na zijn mishandeling en de tegenstanders van Leo III Karel om hulp kwamen vragen. Karel vertrok zelf naar Rome om daar een aanvang te maken met het onderzoek en toen werd hij door Leo III gekroond. Fleckenstein verklaart Karel’s bezwaar tegen de kroning, zoals die door Einhard beschreven is, als een traditie bij keizers, om eerst een bezwaar te maken en vervolgens toch te accepteren. De annalen van Lorsch geven aan dat er onderhandelingen aan de kroning vooraf gingen en omdat het volk moest acclameren, de ceremonie toch vooraf besproken moest zijn. Er heersten verschillende ideeen over het keizerschap: de paus en het Romeinse volk dachten het een Romeins karakter toe, terwijl Karel een Frankisch heerser bleef en westerse belangen voor liet gaan. Zowel Einhard als Lorsch laten volgens Fleckenstein zien dat Karel slechts een titel ontving omdat hij de macht en de positie reeds in bezit had. De kroning hield in dat het westen nu definitief gescheiden was van het oosten.

Barraclough

Barraclough zegt dat Karel de Grote zag zich steeds meer als hoofd van de christelijke kerk. Een oude regel bepaalde dat de officiele doctrine van de kerk bepaald werd door de paus en de keizer. De paus had al sinds 751 niets meer te zeggen over deze doctrine en de keizer zat helemaal in Byzantium. Karel bepaalde wat er in het westen gebeurde. Zijn christelijke koningschap verhief hem boven een keizerschap en Karel was daar niet op uit. Volgens Barraclough moeten we Einhard dan ook letterlijk opvatten als deze zegt dat Karel de kroning niet gewild had.
Dat Byzantium Karel’s titel en waardigheid in eerste instantie niet accepteerde is logisch als men bedenkt dat de Byzantijnse keizers zich als de enige en ware opvolgers zagen van het Romeinse keizerrijk, bovendien had Odoaker, bij het afzetten van de laatste west-Romeinse keizer, de keizerlijke eretekenen, de zogenaamde insigina naar de oost-Romeinse keizer gestuurd, waarmee hij op symbolische wijze een einde maakte aan het west-Romeinse rijk. Ook stuurde hij senatoren als gezanten naar Constantinopel die de keizer aldaar verklaarden dat er geen twee keizers nodig waren, waarna de oost-Romeinse keizer Odoaker tot patricius benoemde. Ook maakte Byzantium nog steeds aanspraken op het Westen sinds 476 en dit alles bij elkaar vormde een reden om de keizerskroning en titel van Karel niet te accepteren en zeker de waardigheid niet gelijk te stellen aan die van de oost-Romeinse keizer. Karel vocht om erkenning en dit resulteerde in een aantal veldslagen tussen de Byzantijnen en de Franken in Zuid-Italie, pas later werd Karel door de Byzantijnse keizer als keizer en basileus aangesproken. Met deze bronnen kunnen wij nu een beeld proberen te geven van de gebeurtenissen die zich rond het jaar 800 hebben afgespeeld. Karel had, voor hij in Rome tot keizer gekroond werd, reeds een enorme machtspositie bereikt: in 773 had hij Lombardije veroverd, Saksen tussen 772 en 785, Beieren tussen 787 en 788 en hij had de Spaanse Mark gevestigd in 778. In 800 werd hij tot keizer gekroond, was dit ook inderdaad de kroon op zijn carriere? Einhard schrijft in zijn Vita Karoli dat Karel van niets wist en helemaal niet uit was op die kroon en titel en nooit de kerk was binnen gestapt als hij het van te voren had geweten. Het kan zijn dat Karel dat alleen zei omdat hij niet verwacht had dat zijn “broeders” in het oosten zich zouden opwinden over de titel die hij had gekregen , of hij had slechts bezwaar tegen de pauselijke kroningsceremonie die naast de acclamatie van de Romeinse bevolking werd geïntroduceerd. De Annales Laureshameses vermelden dat Karel het verzoek, van de paus en de heilige vaders van het concilie, om de titel aan te nemen niet negeerde. De vijf bronnen die in dit stuk aan de orde zullen komen zijn: het Vita Karoli (Leven van Karel) van Einhard, de Annales Regni Francorum (Frankische Rijks-annalen), de Annales Laureshamenses (Annalen van Lorsch), het Liber Pontificalis (Boek der pausen) en de Chronographia van Theophanes. Eerst zal, waar mogelijk, de herkomst van de bron en eventueel van de schrijver beschreven worden, vervolgens zal uit de inhoud, het gedeelte over de kroning door Leo III, kort beschreven worden en tenslotte zal er naar de betrouwbaarheid van de bron gekeken worden.

Ganshof
Er zijn twee, misschien drie verschillende groepen historici met een visie op de keizerskroning van Karel de Grote zegt Ganshof in zijn “Carolingians and the Frankish monarchy”. De eerste groep omvat de historici Kleinclausz, Halphen, Levillain en Hirsch. Zij menen dat Karel tot de keizerskroning was verleid door het initiatief van het groepje clerici rondom Karel (Halphen en Kleinclausz) of dat de kroning eventueel alleen door een gedeelte van die clerici, welke Karel’s triomf in de Romeinse raad op 23 december 800 wisten te bereiken, was georganiseerd (Levillain).

De tweede groep historici waar Ganshof zich graag bij aansluit, menen dat het initiatief tot de keizerskroning bij de paus lag en niet bij Karel of zijn adviseurs. Deze groep omvat de historici Caspar, Pfeil en Lintzel. Caspar ziet de oorzaak in de lokale problemen omtrent de opstand tegen paus Leo III en sluit zich zo aan bij de Duitse historicus Heldmann die hier ook de oorzaak van de kroning in ziet en beschrijft in zijn boek “Das Keisertum Karls des Grossen”: omdat er geen keizer was om de tegenstanders van de paus te berechten en omdat de keizerin in Byzantium niet mee werd geteld kroonde Leo III Karel tot keizer. Pfeil en Lintzel zien een plan van de paus om zich te onttrekken van de Byzantijnse keizer en zijn eigen keizer te Rome te plaatsen, alle drie de historici zijn het er over eens dat Karel meer heeft gedaan dan ooit in de bedoelingen van de paus heeft gelegen, hij breidde zijn keizerschap uit over zijn hele rijk in plaats van zich te beperken tot Rome alleen, waarbij Caspar en Pfeil dit zien als een poging van Karel om los te breken van de keizerlijke waardigheid zoals hij die van de paus heeft gehad.

Een derde en laatste groep zou volgens Ganshof misschien de twee historici Stengel en Löwe moeten zijn welke de nadruk leggen op het niet-Romeinse karakter van Karel’s keizerschap. Zij zien het initiatief gedeeltelijk bij Karel en de sterke invloed van Alcuin, wiens Imperium Christianum oppervlakkig aan de Romeinse keizerlijke traditie werd verbonden met aan de andere kant het Germaanse idee van het keizerschap. Zijn keizerschap was vooral christelijk en Germaans en het Romeinse gedeelte was alleen om de Byzantijnse keizer te vernederen.

 Ganshof kan zich niet helemaal vinden met de visie van Heldmann en zou nog iets verder willen gaan. Ganshof stelt dat in het Frankenrijk ten tijde van Karel een idee geheerst moet hebben dat Karel, de beschermer van het christendom de keizerstitel moest hebben. Karel zelf had een afkeer van het Romeinse Rijk maar misschien dat Alcuin hem heeft kunnen overhalen. Alcuin had hem ook geschreven en hem verzocht vooral de paus weer op de troon te plaatsen en hem te helpen. De paus werd op zijn plaats terug gezet maar zag zich toch omringd door vijanden, zijn lot hing af van de Frankische koning en zijn adviseurs. Het hele christelijke volk welke uit de Lombardijnen, Franken en Romeinen bestond wilde Karel tot keizer gekroond zien omdat de Byzantijnse troon vacant was en Karel Rome in zijn macht had, wat de oorspronkelijke hoofdstad van de caesars was. De paus had zijn eigen ideeen, hij zag dat een keizer zoals Karel hem zou kunnen beschermen tegen zijn vijanden en misschien zou de paus ook Byzantium hiermee kunnen uitdagen. Dus nog voor de acclamatie door het Romeinse volk plaatste hij de kroon op Karel’s hoofd waarmee hij wilde bevestigen dat de keizerlijke waardigheid van de paus afkwam, dit zou het ongenoegen van Karel met de kroning door de paus kunnen verklaren welke door Einhard beschreven wordt. Ook verklaart dit misschien waarom hij zijn titel pas na enkele maanden ging gebruiken en waarom hij zijn eigen zoon kroonde in Aken en niet in Rome door de paus liet kronen. Dus het keizerschap was volgens Ganshof het plan van de Frankische adel en van Alcuin maar de kroning een initiatief van de paus om zo zijn eigen belangen te kunnen behartigen.

Er waren twee gebeurtenissen die een grote rol speelden zegt Barraclough: een in Rome en een in Constantinopel. In Rome werd een paus blindgemaakt en afgezet door zijn tegenstanders, in Constantinopel werd een Romeinse keizer door zijn eigen moeder blind gemaakt en afgezet. De paus zocht hulp bij Karel die hem weer op de troon zette en die hierna gekroond werd door de paus met acclamatie van het volk. Acclamatie was normaal, de kroning niet. Het initiatief van de kroning lag bij de paus, maar het was slechts mogelijk door de positie van Karel. De “vacante” troon in Byzantium werd ook gebruikt als reden voor de keizerskroning van Karel maar dit was geen oorzaak. Deze lag in de lokale gebeurtenissen, de paus had een beschermer nodig en vond die in Karel. Door de kroning tot keizer schiep de paus een zekerheid, de zekerheid dat Karel er altijd zou zijn als beschermer. Het was slechts een tijdelijke maatregel van de paus om zijn hoofd boven water te houden en ook Karel zag dat zijn titel tijdelijk was: hij verdeelde zijn land onder zijn zonen en zijn rijk werd geen echt rijk omdat de koninkrijken Francia en Lombardije bleven bestaan.

Geen creatie van een westers rijk of een herleving van het Romeinse Rijk volgens Barraclough. Karel werd de zesentachtigste keizer na Augustus, wie hij opvolgde. Karel accepteerde de titel als een goddelijk gift en wilde de titel na Byzantijns verzet niet naast zich neerleggen. Er kwam een compromis met Byzantium, Karel was keizer maar er werd niet aangegeven van wat of wie, het bleef een persoonlijke titel en hij was dus geen Romeinse keizer. In 812 kwam er een regeling met Byzantium wat drie dingen betekende. Ten eerste werd bevestigd wat in 800 al was gebeurd: zijn keizerstitel, in de tweede plaats kwam een rijk tot stand welke niet Romeins was, waardoor er twee rijken naast elkaar bestonden en tenslotte liet hij de titel die hij van de paus had gehad, imperator romanorurum, vallen en gebruikte een nieuwe titel waarbij hij benadrukte toch ook vooral de koning van de Franken en Lombardijnen te zijn.Deze nieuwe titel was voor hem belangrijk, het was zijn eigen creatie en hij kon er mee doen wat hijwilde, dit verklaart volgens Barraclough waarom Karel hierna zijn eigen zoon kroonde en dat hij meer waarde aan de keizerstitel ging hechten.

Verschillen
Fleckenstein ziet Karel’s keizerschap als een resultaat van de wisselwerking tussen een drietal factoren welke de feitelijke machtspositie van Karel en de relatie tussen hem, de paus en Byzantium waren. Volgens Ganshof was het keizerschap een plan van de Frankische adel en van Alcuin die vonden dat Karel recht had op de titel vanwege zijn positie, maar de kroning was een initiatief van de paus om zo zijn eigen belangen te kunnen behartigen. Barraclough ziet de kroning louter als een poging van de paus om zijn hoofd boven water te houden. Fleckenstein ziet dat er verschillende ideeen over de waarde en inhoud van de titel bestonden, de paus en het Romeinse volk zagen er een Romeins keizerschap in zoals in de Romeinse keizertijd, Karel zal er toch meer een christelijk-Germaans keizerschap ingezien hebben en uit Einhard en de annalen van Lorsch blijkt volgens Fleckenstein dat Karel slechts een titel ontving omdat hij de positie reeds had. Dit laatste zal Ganshof ook gedacht hebben, de positie had hij al alleen de titel ontbrak nog, de paus zag er alleen nog een andere waarde in die alleen voor hem van belang kon zijn: de keizerlijke bescherming die de paus zou gaan genieten. Barraclough stelt dat zowel de paus als Karel in de titel een tijdelijk iets zagen, de paus omdat het hem er alleen maar om ging dat hij veilig was en Karel die het als een persoonlijke titel zag en er van uit ging dat zijn titel niet over zou gaan op zijn kinderen. Ook zag Karel de titel die de paus hem gegeven had als iets waar hij niet blij mee was, pas toen hij de titel aangepast had ging hij er meer waarde aan hechten.

Keizerskroning initiatief paus

We hebben naar de bronnen gekeken en daar een beeld van gekregen, daarna hebben we gekeken naar de visie van drie historici op de kroning van Karel de Grote, nu is de tijd gekomen om alles op een rijtje te zetten en te zien of er een duidelijk beeld gevormd kan worden van deze gebeurtenis.

In het beeld dat wij ons hadden gevormd na de bestudering van de bronnen kwamen wij tot de conclusie dat het initiatief tot de keizerskroning afkomstig was van paus Leo III. Net als Barraclough, die als motief voor de kroning het eigen belang van de paus ziet hebben wij ook de kroning als een opportunistische daad van de paus gezien. Of Karel de keizerstitel wilde en of hij van de kroning af wist hebben wij niet kunnen beantwoorden, wat deze drie historici wel hebben proberen te doen. Barraclough zegt dat Karel de titel absoluut niet wilde en dat Einhard serieus genomen moet worden als hij dat schrijft terwijl Fleckenstein het bezwaar van Karel als een soort traditie ziet, als een soort vorm, van nieuwe keizers om eerst te weigeren en dan toch toe te stemmen. Ganshof ziet in het ongenoegen van Karel geen ongenoegen in de titel maar in de wijze waarop hij hem heeft ontvangen, namelijk uit handen van de paus. Dit laatste is wat wij ook al voorzichtig naar voren hadden gebracht. Ganshof stelt ook dat de keizerskroning een voorbedacht plan was van de Franken en dan met name van Alcuin en dat alleen de kroning door de paus een initiatief was van de paus om zo Karel aan zich te binden.

Wij stelden dat de titel aan Karel’s machtspositie niets veranderde en dit is wat Fleckenstein en Ganshof ook zeggen. Fleckenstein zegt dat Karel alleen de titel ontving, de positie had hij al. Ganshof zegt dat in het Frankenrijk het algemene idee geheerst moet hebben dat degene die het grootste gedeelte van christelijk Europa inclusief de stad Rome in zijn bezit had wel keizer moest worden. In ons beeld probeerde de paus door zijn daad aan de buitenwereld te laten zien dat de keizer onder hem stond en dat de kroon uit Gods handen kwam, Ganshof stelt dit ook, de acclamatie van het Romeinse volk gaven de titel een Romeins karakter, terwijl Karel hier zelf niet deze waarden aan toekende, hij kroonde immers zijn eigen zoon in Aken, ver weg van Rome en de paus.

Wij stelden ook dat de kroning een initiatief van de paus was, daar veranderen wij ook niets aan maar we gaan niet zo ver als Barraclough om te stellen dat ook het toekennen van het keizerschap en de titel een idee van de paus is geweest om hiermee zijn veiligheid borg te stellen. Wij willen ons eerder aansluiten bij de visie van Ganshof die de kroningsceremonie inderdaad ziet als een initiatief van de paus om hier zijn eigen belang mee te behartigen, maar het toekennen van de titel als een initiatief van anderen. Dat Karel de titel zou krijgen was duidelijk, de positie had hij al. Ganshof stelt dat de paus de kroningsceremnonie uitvoerde en hiermee een gemeen spelletje speelde om toch nog wat in de melk te kunnen brokkelen, hij kreeg hierdoor een permanente beschermer en hij kon hiermee Byzantium tarten. Met de kroning door de paus bedoelen wij dan ook de ceremonie in de Sint Pieterskerk op kerstavond, het toekennen van de titel moet reeds van te voren vast hebben gestaan en was voor de paus, die er vanaf wist, een mogelijkheid, een laatste troef in handen, om nog enige macht te kunnen krijgen. Als Karel dit geweten had zou hij die kerk waarschijnlijk nooit zijn binnen gestapt, om Einhard’s woorden maar eens te herhalen.

1 Reactie op Keizer Karel de Grote

Geef een reactie

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!