Interview: kindertijd in een Jappenkamp

Anne-Ruth Wertheim is door Historiën geïnterviewd over haar kindertijd in een Jappenkamp in Nederlands-Indië. Met name een ganzenbord dat door Anne-Ruths moeder in het kamp is getekend,  is een symbool voor wat er in het Jappenkamp gebeurd is.

Kindertijd in een Jappenkamp: interview met Anne-Ruth Wertheim

© Alle illustraties: Anne-Ruth Wertheim

“Samen met mijn ouders, zusje en broertje woonde ik in een mooi huis en nam de wereld in mij op zoals alle kinderen dat doen – als vanzelfsprekend. Mijn leventje was paradijselijk. We speelden bijna altijd buiten, klommen in bomen en scharrelden rond aan de oever van de eendenvijver voor ons huis.

Vanaf mijn derde jaar bezocht ik een kleuterschooltje en later de grote school. Dat daarop vrijwel uitsluitend blanke kinderen zaten, viel me pas op toen ik een keer mee mocht de kampong in, bij de viering van de bruiloft van onze chauffeur. Daar zag ik allemaal Indonesische kinderen op blote voeten lopen, wat ons altijd streng verboden was. Het kwam niet in me op af te vragen of ze wel schoenen bezaten.

In de vakanties gingen we de bergen in, waar het lekker koel was en je zelfs onder een deken moest slapen. De deken rook lekker naar kamfer, een geur die voor mij nog altijd verbonden is met vrij zijn van school, berglucht en avonturen beleven.”
 

Wat merkte Anne-Ruth van het standsverschil (tussen de blanke Nederlanders aan de ene kant en de Indonesiërs en de Chinezen in Indonesië aan de andere kant)?

“Er waren altijd Indonesische bedienden om mij heen, die opraapten wat ik liet vallen. De kleren die ik vuil maakte, gaven ze me netjes gestreken terug. Iedere ochtend besprak mijn moeder aan de ontbijttafel met onze kokkie wat ze die dag zou koken – kokkie zelf zat ernaast op haar hurken. En als ik mee mocht boodschappen doen, zag ik hoe de Chinese eigenaren van de toko’s de baas speelden over de Indonesiërs, die de vloer veegden.

Mijn wereldbeeld was opgebouwd uit drie lagen: bovenaan stonden wij blanke Nederlanders, onderaan de Indonesiërs en daar tussenin de Chinezen.”

De 6 maanden oude Anne-Ruth en de Indonesische bedienden (links) en Anne-Ruth en haar zus en broer (rechts)

De 6 maanden oude Anne-Ruth en de Indonesische bedienden (links) en Anne-Ruth en haar zus en broer (rechts)

Anne-Ruth heeft van haar 8e tot haar 10e in een Jappenkamp in Java gewoond. Hoe heeft die kindertijd in het kamp haar later gevormd?

“Mijn wereldbeeld werd van de ene op de andere dag op z’n kop gezet toen ik zeven jaar oud was. In de Pacific woedde de Tweede Wereldoorlog en de Japanners bezetten Nederlands Indië. Ze vestigden er een wreed bewind dat drie-en-een-half jaar zou duren. Ze sloten ons met alle andere blanken op in kampen. We leden honger en gebrek en werden met geweld in bedwang gehouden. Ons kamp werd bewaakt door Indonesische soldaten, die net als wij geslagen werden door de Japanners, maar wel genoeg te eten kregen.

Nu stonden dus de Japanners bovenaan, daaronder de Indonesiërs en helemaal onderaan wij blanken. Door zelf te ervaren wat honger, gebrek en racistisch geweld betekenen, ging ik me vragen stellen. Mijn bevoordeelde positie als kind van koloniale ouders werd minder vanzelfsprekend. Ik begon oog te krijgen voor hoe andere mensen moesten leven, wat armoede betekende en hoe je beïnvloed werd door de beelden die je in je hoofd hebt over andere groepen. Bestonden hogere en lagere groepen eigenlijk wel en wat had je daar nu eigenlijk aan?

Doordat wij kinderen dag en nacht tussen de volwassenen leefden, de moeders, de jonge vrouwen en de oude, begon ik iets te begrijpen van verhoudingen tussen mensen. Ik merkte hoe mensen elkaar het leven zuur maakten en hun frustraties af  reageerden op anderen, vaak ook op hun kinderen. Maar ik zag ook hoeveel vrouwen ondanks alles hun waardigheid bewaarden, hun kinderen beschermden en verdedigden als leeuwinnen en anderen hielpen en steunden.

Ook onder ons kinderen waren er die heel veel voor anderen over hadden. En ik ervoer hoeveel invloed roddelen had op de gedachten en gevoelens van mensen over elkaar. Ik kwam erachter dat vooroordelen die de ronde deden over groepen, bleven hangen in de hoofden van mensen en van daaruit hun vernietigende werk deden. Er was een moment waarop ik heel kwaad werd op alle mensen buiten het kamp overal op de wereld, die vrij waren en ons daar maar lieten zitten. En ik besloot dat ik in mijn latere leven ervoor zou zorgen dat er geen onrecht meer zou zijn, dat de onderlinge verschillen tussen mensen minder zouden worden benadrukt en wederzijds gerespecteerd. Ik zou ervoor zorgen dat alle mensen in vrede konden samenleven.

Ik kan me niet herinneren dat wij kinderen het hier ooit met elkaar over hadden of dat ik het met mijn moeder besprak. Maar na de oorlog, toen mijn ouders elkaar weer hadden teruggevonden, bleken zij onafhankelijk van elkaar tot de overtuiging te zijn gekomen dat de Indonesiërs recht hadden op hun onafhankelijkheid. De Nederlanders moesten met hen samenleven en –werken op voet van gelijkheid. Van toen af aan was dat in ons gezin een vanzelfsprekendheid, die wel gemaakt heeft dat wij veel agressie over ons heen kregen. Want de meeste Nederlanders waren gewoon koloniaal blijven denken.”

Wat heeft Anne-Ruth als kind gemerkt van de dagelijkse gang van zaken in het kamp?

Eten halen in het Jappenkamp

“We hadden vreselijke honger, echt zo erg dat ik nu nog vaak terugdenk aan de hevige buikkrampen en de gefixeerdheid op eten, waaraan je op geen enkele manier kon ontkomen. Als je ziek werd, waren er geen medicijnen, zodat er volwassenen maar ook kinderen stierven. Ik was doodsbang dat mijzelf of mijn familie en vriendinnetjes wat zou overkomen.

Ook was er voortdurend geweld om ons heen door de Japanse gevangenbewaarders. En het griezeligst van alles was dat mijn moeder, die mij moest beschermen, zelf soms zichtbaar bang werd.

Maar een belangrijk deel van de tijd brachten wij kinderen toch door met spelen, net als vroeger buiten het kamp. We gingen in groepjes op onderzoek uit in andere delen van het kamp – er woonden immers zo’n tweeduizend mensen binnen de omheining en daar was van alles te beleven. Of we gingen weer eens kijken bij de vuilnisbelt. Daar lag gebroken glas en allerlei andere scherpe dingen. Maar wij, die allang geen schoenen meer bezaten, hadden inmiddels zoveel eelt onder onze voetzolen dat we daar gewoon overheen liepen. We vonden er van alles en als je iets zag dat je graag wilde hebben, moest je hard roepen ‘tjoep’ en dan was het van jou.”

In het Jappenkamp was er een levendige handelsruil. Hoe ging dat in zijn werk?

Een wachttoren en de matten van bamboe in het Jappenkamp

“Het kamp werd bewaakt door Indonesische soldaten. Ze zaten in de bamboetorens op de hoekpunten van het kamp met hun machinegeweer in de aanslag. Mijn moeder zei altijd dat we zo min mogelijk naar boven moesten kijken, want het was gevaarlijk hun aandacht op je te vestigen.

Omdat zij net als wij vaak geslagen werden door de Japanners probeerden ze soms weg te vluchten naar hun dorp en familie. Dat was niet makkelijk, want ze waren kaal geschoren en hadden alleen maar kakikleren, dus ze vielen overal op. Een paar keer per dag was er wisseling van de wacht. Dan zag je de ene soldaat langs het trappetje omlaag komen en zijn aflossing omhoog klimmen. Bij dat wisselen waren ze heel even onzichtbaar voor de Japanners, tussen de dubbele omheining van matten met prikkeldraad waarachter wij gevangen zaten. En precies dáár had je een levendige handel tussen die Indonesiërs en ons. Zij gaven ons van hun eten en wij gaven hun van onze kleren, om te kunnen vluchten. Een damespyjamabroek met opgerolde pijpen was al beter dan hun eigen kakikleren.

Natuurlijk was die ruilhandel streng verboden. De Japanners werden razend als het uitkwam en hun straffen waren afschuwelijk. De meesten van ons durfden het dan ook niet, ook al hadden ze nog zo’n honger. Maar sommigen deden het toch en brachten daarmee het hele kamp in gevaar. Want de Japanners straften vaak het hele kamp voor wat één iemand gedaan had, en dat kon ook een kind zijn!”
                     

Welke gebeurtenis in het kamp heeft op u het meest indruk gemaakt?

“Het strafappel. We hebben toen zeven uur in de tropenzon moeten staan, zonder water en eten. Er waren Indonesische bewakers ontvlucht en die hadden ze gepakt. De pyjamabroek werd aan een stok gehesen en alsmaar door riepen ze: “Van wie is deze broek dames? Van wie is deze pyjamabroek?!” Ze wilden degene die de broek had geruild voor eten te pakken krijgen om te straffen. Maar eerst zei niemand iets. Toen haalden ze de oude mensen en toen de zieken, die moesten ook in de zon staan. En toen nog niemand iets zei, gingen ze de ontvluchte Indonesiërs slaan, voor onze ogen. Mijn moeder wilde niet dat wij het zagen en duwde me tussen de andere vrouwen, zodat ik alleen maar allemaal benen zag om me heen. Maar ik hoorde wel het geschreeuw van de Indonesiërs.
Tenslotte heeft één van hen haar aangewezen. Non Lies heette ze. Hij zei nog: ’Kassian, non Lies’ wat betekent: ’Arm meisje, Lies’. Ze werd weggebracht en is nooit meer teruggekomen.”

De moeder van Anne-Ruth heeft in het kamp een ganzenbord getekend voor de kinderen. Anne-Ruth heeft later verklaard dat dit ganzenbord een symbool was voor alles wat er in het Jappenkamp gebeurde. Kan u hier wat meer over zeggen?

“Spelen in het algemeen en spelen met dit bordspel in het bijzonder was een manier om te ontsnappen aan de kampellende. Je verkeerde zo een tijdje in een schijnwereld, ver van de werkelijkheid. Al je belevenissen op het bord stonden voor de dingen die je dagelijks meemaakte. Je dobbelstenen konden je pech brengen, zoals op de dagen dat er te weinig eten was voor iedereen en je niets of maar een heel klein beetje kreeg. Of wanneer een Japanner het weer eens nodig vond iemand te gaan slaan, waar jij naar moest kijken. Je kon ook geluk hebben met je dobbelstenen, zoals wanneer je vriendinnetjes aardig voor je waren. Of wanneer je bezig was een fijn boek te herlezen. Er waren bijna geen boeken, maar we leenden elkaar alles wat we hadden. Daardoor moest je wel vaak een boek voor de zoveelste keer lezen, maar dat vonden we niet erg. Op het laatst kenden we hele stukken uit ons hoofd! 

Maar in dit ganzenbord zat ook de illusie dat je aan het eind van het spel weer thuiskwam in ons huis aan de eendenvijver. Want op het bord had mijn moeder in plaats van de dingen die normaal op een ganzenbord staan, allerlei dingen getekend die voorkwamen in het kamp: de wachttorens, de gevangenis zelf, de kamptoko en de put. En natuurlijk stond ook de Dood erop, maar die hoort gewoon op een ganzenbord. ” 

Het ganzenbord dat door de moeder van Anne-Ruth voor haar kinderen is getekend in het Jappenkamp.

Het ganzenbord dat door de moeder van Anne-Ruth voor haar kinderen is getekend in het Jappenkamp.

Anne-Ruth heeft een boek over haar tijd in het Jappenkamp geschreven met de titel ‘De gans eet het brood van de eenden op’. Kan ze haar titel toelichten?

“De interpretatie die ik later aan het ganzenbord gaf in mijn verhaal ‘De gans eet het brood van de eenden op’ ging verder. Ik legde verband met het mooie beeld dat mijn moeder midden op het ganzenbord had getekend van de eendenvijver met op de achtergrond ons huis. Dat had ze in het kamp getekend en dus helemaal uit het hoofd. Aan de oever van de vijver, die eigenlijk eerder een meer was, had ze mijn zusje, broertje en mij getekend terwijl wij bezig zijn de eenden te voeren. Je ziet op die tekening hoe een grote, gemene gans al het brood voor de neus van de eenden wil wegkapen en dat was ook wat er in werkelijkheid altijd gebeurde. In mijn verhaal staat die gans voor de Japanse onderdrukker en zijn wij Nederlanders de eenden, samen met de Indonesiërs die ook ernstig hebben geleden onder hun regime.”

De gemene gans staat symbool voor de Japanners, de eenden staan symbool voor de onderdrukte Nederlanders en Indonesiërs

De gemene gans staat symbool voor de Japanners, de eenden staan symbool voor de onderdrukte Nederlanders en Indonesiërs

 

In 1944 kreeg Anne-Ruths moeder met een groot dilemma te maken. Kan Anne-Ruth toelichten waar haar moeder mee geconfronteerd werd en welke beslissing haar moeder sámen met de kinderen genomen heeft?

“Halverwege de oorlog begonnen de Japanners, die geallieerd waren met Nazi-Duitsland, hun voorbeeld te volgen en de joden af te zonderen van de niet-joden. Mijn vader, die in een mannenkamp zat, was joods maar mijn moeder, met wie mijn zusje, broertje en ik in een vrouwenkamp zaten, niet. Wij waren dus halfjoods en de Japanners dreigden ons met geweld bij haar weg te halen. Om dat te voorkomen, besloot zij zichzelf als joods te laten registreren en zo gingen wij samen naar het joodse kamp.

Op 4 september 1944 had de kampcommandant een bevel voor ons. Iedereen die ook maar één druppel joods bloed in z’n aderen had, moest zich opgeven om naar een apart kamp gestuurd te worden. Mijn moeder schrok zich kapot, want wij hadden joods bloed. Iedereen had gedacht dat het alleen de Duitsers waren die de joden vervolgden. Maar de Japanners deden het ze na.
                    
Mijn moeder had slapeloze nachten. Wat moest ze doen? Zijzelf was niet joods, maar mijn vader wel en wij, de kinderen waren dus half. Als zij zou opgeven hoe het in werkelijkheid was, liepen we de kans dat zij hier zou moeten blijven en wij, de kinderen, alléén naar het joodse kamp zouden moeten. Na het bevel over de joden praatte mijn moeder met ons over wat we nu moesten doen. Dat vond ik hartstikke leuk, dat je gewoon als groot mens behandeld werd. Dat was voor de oorlog nooit zo geweest. Toen hadden mijn vader en moeder hele gesprekken waar wij niets van begrepen.

Zou zij geheim houden dat wij half-joods waren? Het was een gok wat er daarna met ons zou gebeuren. Misschien had mijn vader het in zijn kamp ook wel verborgen gehouden. Maar als hij het nu eens wél had opgegeven? Dan zou het misschien uitkomen. Of als iemand ons zou verraden? Of als ze joodse namen zouden gaan nazoeken?
Tenslotte besloot mijn moeder dat zij zou doen alsof zijzelf óók joods was. Dan waren wij dus ‘heel’ joods en zou zij met ons meegaan naar het joodse kamp. En zo is het gebeurd. We moesten ’s morgens vroeg bij de poort komen en werden op een vrachtwagen geladen, samen  met alle andere joden.”

In 1944 zijn Anne-Ruth met haar moeder, zus en broer van het eerste kamp Kramat naar een ander kamp verhuisd. Welke verschillen waren er in haar beleving tussen de twee kampen?

De poort van kamp Tangerang, getekend door de moeder van Anne-Ruth in het ganzenbord

“Het joodse kamp Tangerang was voor de oorlog een jeugdgevangenis geweest en werd dat na de oorlog weer. Tweederde van de kampbevolking bestond uit joden en eenderde uit niet-joden. De groepen waren gehuisvest in aparte gedeelten van het kamp, maar wel zo dat je elkaar kon tegenkomen. De gevangenis bestond uit grauwgekleurd beton en het was er somber en akelig. We zaten in zalen met tachtig mensen bij elkaar op twee verdiepingen met britsen. De zalen hadden tralies en de deuren gingen ‘s nachts op slot. Dan kon je dus ook niet meer naar de wc en hoorde je voortdurend hoe menselijke behoeften neerkletterden in de emmers die op de vloer waren geplaatst. We kregen nog minder te eten dan in het Kramatkamp waar we vandaan kwamen, een omheinde wijk in één van de armere delen van Jakarta. Daar woonden we weliswaar met zeven mensen in een piepklein kamertje waarin drie stapelbedden waren gepropt. Maar je kon om de huizen heen lopen en er was een beetje buitenruimte om te spelen”
 

In het Jappenkamp sprak Anne-Ruth over een situatie waarin je gediscrimineerd wordt en tegelijkertijd anderen discrimineert. Kan je daar meer over zeggen?

“In Tangerang zaten Westerse joden zoals wij en ook een groep joden uit Irak, Bagdadjoden. In ‘De gans eet het brood van de eenden op’ heb ik ze Oosterse joden genoemd. Zij waren ooit als handelsminderheid in Indonesië terechtgekomen. Toen de Japanners Indonesië bezetten, waren ze net als wij geïnterneerd en nu apart gezet vanwege hun joods zijn. Ze zagen er Arabisch uit, spraken Engels en woonden in een paar zalen bij elkaar.                  
Wij speelden nooit met hen en roddelden over hen: dat ze rare gewoontes hadden en gapten, maar dat hadden wij nooit onderzocht. En we scholden op hen en zij op ons. Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat wij discrimineerden. Gek is dat, wij werden zelf gediscrimineerd en toch deden we het weer bij anderen. Of is dat juist logisch?”

Anne-Ruth is in augustus 2010 voor de derde keer in Indonesië. Het is misschien vragen naar de bekende weg, maar welke nostalgische plekken betekenen voor haar het meest?

“Deze keer bezochten mijn man en ik Indonesië samen met mijn middelste dochter Dorothee, haar man Harry en hun zonen Milan en Ramon. Zij wilden graag zien waar ik geboren ben en tot mijn elfde jaar geleefd had. We begonnen met de kampplaatsen. De wijk Kramat bestaat nog steeds en is nu een gezellige, drukke verzameling straten met veel kleine toko’s en vriendelijke Indonesiërs, die onmiddellijk een paar nog Nederlandssprekende ouderen te voorschijn toverden om je te woord te staan.

In Tangerang, dat nu een grote voorstad van Jakarta is, staat nog steeds de Tangeranggevangenis die opnieuw als jeugdgevangenis gebruikt wordt. Er zitten nu hele jonge Indonesische meisjes in die drugs gedeald hebben. We voerden gesprekjes met ze door de tralies en we hadden met hen te doen. Op de plek waar vroeger de keuken stond waar vandaan iedere dag het minieme beetje eten kwam dat ons in leven moest houden, was nu een grote ontvangstzaal gebouwd die men ons met trots toonde.

Natuurlijk gingen we ook naar ons oude huis aan de eendenvijver. Ik wees m’n kleinkinderen aan waar we aan de oever van het meer ons zelfbedachte spel ‘Hemeltje en Hel’ hadden gespeeld met onze katholieke Chinese buurkinderen. Dat was in de tijd dat wij nog niet gevangen zaten en de meeste Hollandse kinderen wel al. Met Indonesische kinderen kwam je zelfs in die tijd nog niet in aanraking, die woonden ver weg in de kampongs rondom de stad. Natuurlijk was er geen school meer, zodat we de hele dag konden doen en laten waar we zin in hadden.

Maar een echt onbekommerde tijd was het niet want onze vader zat al vanaf de eerste dag van de bezetting gevangen en je voelde dagelijks de dreiging van het Japanse militaire gezag dat zich in uniform aan ons voordeed. We waren dan elke keer weer als de dood dat het om een razzia ging en dat ze ons naar het kamp zouden sturen.

Op een zekere dag gebeurde dat inderdaad. Het was tussen de middag en alle volwassenen sliepen. Maar wij speelden gewoon bij de eendenvijver en zagen het gebeuren. De soldaten sloegen met hun geweerkolven op de luiken van ons huis en mijn moeder kwam verschrikt tevoorschijn. We kregen tot de volgende ochtend om onze spullen bij elkaar te pakken. Toen werden we op een platte kar met een paard ervoor naar het Kramatkamp vervoerd. Onze Chinese vriendjes wuifden ons uit.”

Heeft Anne-Ruth haar verhaal ooit ook aan Indonesiërs verteld?

De Dood in 'Het gans van de eenden eet het brood op'

“Ik ben toevallig in 2010 uitgenodigd om een paar workshops te doen rondom mijn verhaal ‘De gans eet het brood van de eenden op’ op het Writers and Readers Festival in Ubud op Bali in oktober. Aan de Indonesiërs heb ik immers mijn verhaal verteld in de vorm van de Indonesische vertaling, waarvan nu al 700 van de 1000 exemplaren zijn verkocht!

Het internationale festival in Ubud wordt jaarlijks gehouden en is opgezet nadat er op Bali in 2002 ernstige aanslagen waren gepleegd door Indonesische (islamitische) terroristen. Het was gericht tegen blanke toeristen, vooral uit Australië. Dit jaar is het thema ‘Diversity and Harmony’, een thema dat mij uit het hart gegrepen is!”

KADER

Dit interview is onder meer gebaseerd op het boek ‘De gans eet het brood van de eenden op’. Het boek kwam in 1994 uit en is alleen nog te koop bij Linnaeus Boekhandel te Amsterdam. In 2008 verscheen bij Galang Press in Yogyakarta een Indonesische vertaling door de bekende schrijver Hersri Setiawan. Een Japanse vertaling zal binnenkort verschijnen op internet.

ONDERWIJS

Onder de gelijknamige naam is ook lesmateriaal door Centrum voor Mondiaal Onderwijs verschenen in samenwerking met Anne-Ruth Wertheim. ‘De gans eet het brood van de eenden op’ bestaat uit twee verschillende lesbrieven, een voor de bovenbouw van het basisonderwijs en een voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Bij de lesbrieven is ook een cd te bestellen met het verhaal van ‘De gans eet het brood van de eenden op’. De lesbrieven zijn te downloaden in pdf; de cd is ook digitaal te beluisteren op de website.

4 Reacties op Interview: kindertijd in een Jappenkamp

  • A V Tamminga schreef:

    Aan Anne-Ruth Wertheim,

    Gisteren, 24 december vond ik de bijlage van VN, die ik altijd bewaard heb, zoals zovele prachtige bijlagen uit die vroege jaren. 25 jaren gingen voorbij, maar de ervaringen van zoveel lijden door een oorlogssituatie komen nog harder aan. Helemaal wanhopig word ik er opnieuw van, blijft het maar doorgaan? Wat een bijzondere familie van Anne-Ruth, de interesse van haar dochter en kleinkinderen. Vooral in deze dagen, waarin weinigen zich bekommeren om het lot van minder gelukkigen verdiep ik me graag in mijn bewaarde archieven, die zo boeiend geschreven zijn dat ik op zoek zal gaan in de Linnaeus Boekhandel en mijn kleinkinderen erover wil vertellen.
    In deze stille woning zonder kerstsfeer leest mijn man het artikel.
    Dank voor de intensiteit waarmee U het schreef.

    Met vriendelijke groet,

    Aukje Tamminga
    Velazquezstraat 19
    Amsterdam

  • Pingback: Childhood Years in a Japanese Prison Camp - English

  • Marjan bruinvels schreef:

    Mooi verhaal…het klopt helemaal en beschreef het in een boek Camp Stories.

  • Marjan bruinvels schreef:

    Ja ik schreef het boek…

Geef een reactie

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!