Karel de Grotes legitimatie van het koningschap

Karel de Grote is zonder meer één van de meest prominente figuren van de Vroege Middeleeuwen – of misschien zouden we moeten zeggen: in ons beeld van de Vroege Middeleeuwen. Achteraf bezien was Karels troonsbestijging in 768 het begin van een zesenveertigjarig regime dat in alle opzichten een nieuw begin en een nieuw ijkpunt voor de Frankische, Franse en Duitse vorsten na hem zou worden. Het lijkt echter wel zeker dat van dat alles het meeste nog niet te bevroeden was toen Karel de troon besteeg.

De eerste jaren van Karels regering staan in het teken van het vestigen van de macht van de jonge koning – Karel was ongeveer twintig toen hij de troon besteeg – zowel over zijn familie als over het land van de Franken en de daaraan grenzende gebieden. Gemakkelijk wordt vergeten dat Karel in 768 de troon bestijgt sámen met zijn broer Karloman, die in 771 tijdens een jachtpartij om het leven zal komen. Meer in het oog springen Karels oorlogen langs de rijksgrenzen, tegen de Saksen (772-785, 792), de Longobarden (773-774, 786-787), de Beieren (788) en de continue strijd tegen onder meer Bretonnen en Moren in de eerste twee decennia van Karels regering.

Familieperikelen Karel de Grote

Er is een samenhang tussen Karels familiestrijd en de oorlogen langs de rijksgrens. Karel is sinds 769 of 770, dus nog voor de dood van zijn jongere broer Karloman, in de echt verbonden met een Longobardische prinses. Haar naam is niet met zekerheid bekend, en daarom wordt zij door moderne historici wel Desiderata genoemd, naar haar vader, Desiderius, koning van de Longobarden. De Britse historica Janet (Jinty) Nelson aan Desiderius en zijn dochters een artikel gewijd. Twee van Desiderata’s zussen, Adalperga en Liutperga, waren getrouwd met de hertogen van Benevento en Beieren. Door zijn dochters aan buurvorsten uit te huwelijken, probeerde Desiderius zich van bondgenoten te voorzien. Ook weet Nelson Desiderata haar waarschijnlijke naam terug te geven: Gerberga, op zijn Longobardisch Gerperga.

Hildegard

Het huwelijk tussen Karel en Desiderata/Gerberga houdt geen stand. Al in 770 of 771 verstoot Karel zijn echtgenote, om te trouwen met Hildegard, de dochter van een prominente graaf in Alemannië. De keus voor het verstoten van zijn eerste echtgenote is minstens even markant als de keus van zijn tweede. Door Desiderata/Gerberga te verstoten vervreemdde Karel zich willens en wetens van de huwelijkspolitiek die door zijn moeder en schoonvader was opgezet. Hiervoor moet Karel een goede reden hebben gehad. Nelson vindt die reden in de dood van Karels broer Karloman.

Hildegard stamt uit het oosten van het Frankische rijk, het gebied dat tot 771 door Karloman was geregeerd. Door met de dochter van één van zijn nieuwe onderdanen te trouwen, weet Karel zich van de steun van een prominente factie in het oosten te verzekeren. Die steun heeft hij nodig ook, want hij is in strikte zin niet de erfgenaam van zijn broer, die mannelijk nageslacht had. Door zelf de macht over het oosten van het Frankenrijk over te nemen, smoort Karel de ambities van Karlomans zoontjes (en diegenen onder de Frankische adel die zich aan hen en hun vader verbonden hadden) in de kiem. Het rijk van Karels vader Pippijn komt weer in één hand, en Karlomans weduwe en kinderen vluchten naar Italië, waar ze een warm welkom vinden aan het hof van Desiderius, Karels ex-schoonvader.

Met twee Frankische pretendenten in Pavia en een verbond van Longobarden, Beneventijnen en Beieren tegenover zich, besluit Karel in 773 tot een oorlog tegen de Longobarden. The rest is history. Karel verovert Pavia en annexeert het Longobardische rijk, Desiderius wordt in een Frankisch klooster opgesloten, van Desiderata en Karlomans kinderen wordt nooit meer iets vernomen. De Beneventijnen worden vervolgens in 786-787 tot nominale onderhorigheid aan de Franken gedwongen, de onderwerping van de Beieren volgt in 788. Desiderius’ bondgenootschap wordt stap voor stap ontmanteld.

In de eerste twee decennia van zijn regering zien we een Karel wiens bewind wordt getekend door twee karaktertrekken, die we met recht ook op de koning zelf mogen betrekken: spierballen en berekening. Je zou daar een derde karaktertrek aan toe kunnen voegen: de bereidheid om hoog spel te spelen. Op zijn Italiaanse campagne van 773 neemt Karel namelijk zijn zwangere echtgenote mee. Dat is hoogst ongebruikelijk, en duidt erop dat Karel niet geheel zeker was van zijn zaakjes in het Frankenrijk zolang hijzelf in Italië bivakkeerde. Tegelijk zien we met de crisis van 771-773 ook een probleem ontstaan: Karels sterk uitgebreide macht moet gelegitimeerd worden.

Schaduw van de Merovingen

Nu is de behoefte aan legitimatie van de macht natuurlijk altijd een kwestie van groot belang voor middeleeuwse vorsten, maar voor Karel was deze behoefte dwingender dan voor menig ander koning. Dat lag niet alleen aan Karels eigen gedrag – voor Karel en zijn familie lag de behoefte aan legitimiteit dieper.

In essentie was Karels grootvader Karel Martel al koning van de Franken geweest, zij het dat hij nooit de titel van koning had gedragen. Voor de vorm was er gedurende het grootste deel van de periode waarin Karel Martel de sterke man achter de troon was (718-741) een Merovinger op de troon gehouden. De traditie was ook na Karels dood in stand gehouden door zijn twee zoons, Karloman en Pippijn.

Karel zelf was nog een kind toen zijn vader Pippijn de Frankische koningskroon aan de Merovingers ontnam en zelf de titel opeiste. Net als zijn zoon in de crisis van 771 maakte Pippijn in 751 een vlucht naar voren. Pippijns broer Karloman had zich in 747 als pelgrim naar Rome begeven, maar net als zijn neef en naamgenoot had deze Karloman kinderen, waarvan de oudste, Drogo, meende in zijn vaders plaats te kunnen regeren. Kort na de geboorte van Pippijns oudste zoon, Karel, slaagde Pippijn erin zijn neef te verdrijven. Om verdere van claims van zijn verwanten op een deel van Karel Martels erfenis verlost te zijn, besloot Pippijn zich vervolgens tot koning te laten kronen.

Met het verdrijven van de Merovingers kregen de vroege Karolingers echter geen rust. Sterker nog, rusteloosheid, in de zin dat de koning ieder jaar één of andere bijzondere activiteit aan de dag diende te leggen, werd een specifieke eigenschap van het Karolingische koningschap, zoals Paul Fouracre in het artikel ‘The long Shadow of the Merovingians’ heeft laten zien. Pippijn en vooral Karel hebben uitermate hun best gedaan om te laten zien dat zij, in tegenstelling tot de Merovingische rois-fainéants koning waren in méér dan naam, door ieder jaar één of andere onderneming te beginnen, tot in de jaren 790 toe.

Karels Romereis van 781

Begin jaren 780 lijkt er echter een nieuw soort legitimatie te ontstaan. De timing daarvoor is markant. De Longobarden zijn verslagen en geannexeerd, de Moren zijn – tijdelijk – in het defensief gedrongen, en hetzelfde geldt voor de Beneventijnen, Bretonnen en Beieren. De Saksen lijken zelfs enige tijd overwonnen, tot zij in 782 weer in opstand komen. Onder deze gunstige omstandigheden onderneemt Karel in 781 een reis naar Rome. Het zal de enige keer zijn dat hij naar Italie reist zonder dat daar een directe militaire noodzaak voor is. Er is wel een andere noodzaak, namelijk de legitimiteit van de koning.

De Rome-reis van 781 moet vanuit het oogpunt van de historicus één van de markantste gebeurtenissen uit de regering van Karel de Grote zijn. De bijzondere relatie van de Karolingische koningen met de paus bestond al langer. Pippijn had ten tijde van zijn machtsovername in 751 bewust paus Stefanus II in de besluitvorming betrokken. Ook Karel onderhield gedurende zijn regering goede contacten met de paus, en de vijandigheid van de pausen tegenover de Longobarden had hen in 773 tot Karels natuurlijke bondgenoten gemaakt.

In Rome liet Karel twee van zijn zoons door de paus dopen en kronen tot koningen van de deelrijken Italië en Aquitanië. Eén van de broers, Karloman, krijgt bij zijn doop ook een nieuwe naam: Pippijn. Karels buitenechtelijke zoon Pippijn (‘de Bochelaar’), de oudste van Karels kinderen, wordt zo uit de familiegeschiedenis geschrapt. Voor hem is geen plaats meer nu er voldoende legitieme zoons zijn.

Op weg naar Rome, mogelijk ook in Rome, wordt Karel ook met nieuwe vormen van legitimatie geconfronteerd. De grandeur van het pauselijk hof zal daarbij zonder meer een rol hebben gespeeld. Het hofritueel van de pausen in de achtste eeuw is nog sterk beïnvloed door de Byzantijnse hofcultuur, en staat op een geheel ander niveau dan de in vergelijking nogal boerse hofcultuur van de Franken. Minstens even belangrijk is de ontmoeting die Karel had met een aantal prominente geleerden.

De bekendste ontmoeting – en in veel opzichten de meest verrijkende van de hele reis – was de ontmoeting met Alcuin van York in Pavia. Alcuin zal zich in 782 bij Karel voegen en, met uitzondering van een korte periode in York (790-792), tot 796 aan het hof verblijven. Tot aan zijn dood in 804 zal Alcuin bovendien bij Karels politiek van renovatio en emendatio (herstel en verbetering)betrokken blijven. Die politiek – waarbij schoolwezen, kerk en koningschap nauw aan elkaar verbonden werden, was een uitvloeisel van de politiek die Pippijn en Karel Martel al hadden ingezet, waarbij de Karolingers zich nauw aan een beweging voor het “herstel van de christelijke orthodoxie” hadden verbonden om hun macht te legitimeren.

Naast Alcuin lijkt Karel ook de Longobardische monnik Paulus Diaconus op zijn Rome-reis ontmoet te hebben. Dit is in ieder geval de portée van een recente studie naar één van de werken die Paulus aan Karel opdroeg, Paulus’ eigen bewerking van een laatantiek glossarium, de Epitoma de verborum significatu van Pompeius Festus. Zo’n glossarium – een kruising van woordenboek met encyclopedie, gericht op taal- en literatuuronderricht, had Karel nog niet en was een waardevolle bijdrage aan de schoolcultuur in het Frankische rijk.

De reis van 781 is in veel opzichten een belangrijk punt in Karels legitimatiepolitiek. In een aantal opzichten is dit het moment waarop Carolus “Magnus” werd. Hier zien we Karel de banden van zijn familie met de paus aanhalen, we zien hem zich inspannen om de erfopvolging te regelen, en we zien hem als een nouveau riche van overal in de omliggende landen de prominentste intellectuelen ophalen om zijn hof mee te versieren en zijn herstelpolitiek – zoals veel premoderne vorsten prefereerde Karel de notie van herstel boven die van vernieuwing – kracht bij te zetten. In dat kader moet ook de komst van Alcuin en Paulus naar het Karolingische hof gezien worden.

Karel aan het woord

In het werk van Paulus uit de relatief korte periode waarin deze geleerde aan het hof verbleef (ca 781-784) komen we een aantal keren Karels (zelf)representatie tegen. Het meest direct gebeurt dat in een Geschiedenis van de bisschoppen van Metz (Libellus de episcopis Mettensium). Op het eerste gezicht is een dergelijk werk misschien niet de meest voor de hand liggende bron voor een studie van Karels gedachtewereld, maar schijn bedriegt. Karels eerste prominente voorvader in de directe mannelijke lijn was namelijk Arnulf, die na een politieke carrière en een huwelijk bisschop van Metz werd. Ook één van Arnulfs zoons werd bisschop van Metz, en toen Karel in 784 een nieuwe hofkapellaan benoemde, viel de keuze op Angilram, de aartsbisschop van Metz. Angilram is waarschijnlijk ook betrokken geweest bij de productie van Paulus’ geschiedenis van zijn voorgangers.

De Geschiedenis van de bisschoppen van Metz is een werk dat de afgelopen decennia een aantal keren goed onder de loep is genomen, dus kunnen voor een algemeen beeld volstaan met een relatief korte beschrijving. Het is een kort werk, dat de namen van de verschillende bisschoppen opsomt zonder over de meesten echt iets te kunnen melden. Slechts hier en daar – bij de stichter van het bisdom, Clemens, bij bisschop Auctor, onder wiens leiding de stad een aanval van de Hunnen weerstond, en natuurlijk bij Arnulf en Angilrams directe voorganger Chrodegang – wordt iets meer verteld. Misschien heeft dit te maken gehad met de bronnen die Paulus voorhanden had, maar de Amerikaans-Canadese historicus Walter Goffart heeft betoogd dat Paulus ook bewust het patroon van de aartsvadersgeschiedenis uit de eerste hoofdstukken van het bijbelboek Genesis als voorbeeld heeft genomen. Bisschop Clemens is in dat geval de evenknie van Adam, de eerste mens, bisschop Auctor overleeft als het ware net als Noach de zondvloed, en in bisschop Arnulf treffen we een Karolingische Abraham.

Over Arnulf vertelt Paulus bovendien een bijzonder verhaal, waarvan hij verzekert dat hij het uit de mond van de koning zelf heeft opgetekend. De passage luidt – in vertaling – als volgt:

“Deze [Arnulf] bereikte vervolgens zowel toen hij nog voortleefde alsook na het einde van zijn leven veel bewonderenswaardige dingen, die, als iemand ze zou willen kennen, te lezen zijn in het boekje, dat speciaal geschreven is over zijn daden. Toch vermeld ik van hem dit ene bewonderenswaardige feit, waarover ik genoeg verwonderd ben, waarin hij, die zijn leven zó leidde, zó boven zijn klasse uitsteeg. Eens gebeurde het, toen hij boete deed voor een aantal zonden, dat hij, toen hij de brug over de rivier de Moezel overging en de diepte van het stromende en kolkende water niet kon zien, hij een van zijn vinger getrokken ring in die diepte van het water wierp, omdat hij in zijn hoofd geen vertrouwen op een sprankje hoop meer had. “Dan,” zei hij, “zal ik de straf van mijn schuld als voldaan beschouwen, wanneer ik de ring die ik nu weggooi, terug zal vinden.” Een paar jaar later, toen hij tot de rang van bisschop was opgeklommen, bracht een visser hem op een dag een vis, die hij beval voor hemzelf te bereiden, omdat hij zich onthield van vlees, en toen zijn dienaar hem [de vis] zoals hij naar de gewoonte van zijn taak gewoon was, de buik opensneed, vond hij dezelfde ring in de ingewanden van de vis. Deze [de dienaar] verwonderde zich over dit feit, maar onbekend met het gebeurde, bracht hij hem naar de heilige Arnulf, die hem herkende zo gauw hij hem zag, en dankte meteen de almachtige God, vol vertrouwen dat zijn misgrepen vergeven waren en daarna leidde hij niet aflatend zijn leven, maar beperkte zich eerder door een grotere onthouding. Deze eerbiedwaardige vader vroeg ook op niet ongelijke wijze dan Gideon eertijds een teken van de Heer. Want die wilde een teken verkrijgen door een op de dorsvloer gelegd vel, of hij in de strijd en vijand zou kunnen verslaan – deze wilde door een ring in de zeer diepe woeling van de rivier te werpen ervaren of hij al over zijn vijanden een overwinning had behaald. Zij die deze [Gideon] versloeg waren sterk, maar zij die hij [Arnulf] overwon, waren sterker. Deze dingen heb ik niet van zo maar iemand geleerd, maar ik leerde ze kennen toen die verkondiger van alle waarheid, de allerhoogste koning Karel ze me vertelde. Hij stamt af van deze zelfde heilige Arnulf, en is zijn achter-achter-achterkleinzoon.”

Het motief van het verhaal van de verloren ring is een algemeen bekend gegeven. Herodotus vermeldt al een soortgelijk verhaal over Polycrates van Samos (Historiën 3.42-43), en in de Aarne-Thomson-classificatie van volksverhalen wordt dit motief apart omschreven (AT 736A – Polycrates’ ring). Ook in Nederland kennen we het volksverhaal – het is het motief van het verhaal van het vrouwtje van Stavoren. Interessanter dan het motief is de manier waarop het verhaal tegelijk de nederigheid en de heiligheid van Arnulf illustreert als zijn onzekerheid over zijn eigen vergeving. Misschien leggen we er te veel in, maar gezien Karels eigen verre van heilige omgang met onder meer zijn eigen naaste verwanten en de noodzaak zijn macht op grond van christelijke principes te legitimeren, zien we hier ook een projectie van de onzekerheid van Arnulfs achter-achter-achterkleinzoon.

Het vervolg van deze passage is vanuit het perspectief van Karels legitimatie minstens zo interessant:

“Want – als ik weer terug mag keren op het voorgaande – deze eerbiedwaardige man [Arnulf] had in de jaren van zijn jeugd uit een rechtmatig huwelijk twee zoons voortgebracht, dat wil zeggen Anschisus en Chlodulf; de naam Anschisus wordt naar verluidt teruggevoerd op Anchises, de vader van Aeneas, die ooit vanuit Troje naar Italië was gekomen. Want het volk van de Franken vindt zijn oorsprong in de Trojaanse stam, zoals door de ouden is overgeleverd. Toen dus de eerbiedwaardige Arnulf deze twee zoons had, over wie ik het zojuist had, stelde hij zijn beide zoons voor dat hij al zijn bezit tot het nut van de armen zou verdelen, omdat hij meelijdend was en altijd bedacht op vrome werken.” Toen weigerde zijn oudere zoon, Chlodulf, dit te doen, dat wil zeggen het aan hem toekomende deel aan zijn vader te gunnen, maar zijn jongere zoon, Anschisus, die geloofde dat op grond van Christus’ liefde voor hem meer was opgeofferd, beloofde dat hij graag in alle dingen die zijn vader zou willen zou gehoorzamen. De eerbiedwaardige vader dankte zijn zoon, en voorspelde hem, dat hij meer zou ontvangen dan hij had opgegeven; bovendien zegende hij hem en zijn hele nageslacht, dat in de toekomst zou worden geboren. En dit alles is gebeurd.”

Het laat zich raden dat Karel een afstammeling van Anschisus/Ansegisel was. Er is evenwel iets merkwaardigs aan de hand met de naam van Karels voorvader. Paulus suggereert hier dat Karel een directe afstammeling was van de Trojaanse prins Anchises, de vader van de bekendere held Aeneas. Daarmee plaatst Paulus Karel in één lijn met de Romeinse keizers van het Julisch-Claudische huis, waarvan Vergilius in de Aeneis de afstamming óók op Aeneas had teruggevoerd. Karel wordt zo – althans vanuit genealogisch perspectief – een tweede Augustus. Paulus – of Karel? – geeft hier aan de al bestaande legende over de Trojaanse afstamming van de Franken een nieuwe draai: de Karolingers zijn nu persoonlijk verwant aan Aeneas en dus aan keizers als Julius Casear en Augustus. Dat is nieuw.

Paulus schreef, behalve de genoemde Geschiedenis van de bisschoppen van Metz tenminste nog enkele werken die de legtimiteit van de Karolingers moesten bevestigen. Het betreft grafschriften voor vijf vrouwelijke verwanten van Karel – twee zussen, twee dochters en Karels tweede vrouw Hildegard – die alle in de Sint Arnulfkerk in Metz begraven lagen:

“Hier lig ik die bij name Rothaid genoemd word,
die mijn afstamming van een zeer verheven stam herleid,
want ik heb een broer, die Italische volken onderwerpt met wapens,
Karel, vol van de deugd van de Donderende [God].
Pippijn [de Jongere] is mijn vader, kind van vorst Karel [Martel],
die de Aggareense tiran met een grote nederlaag [bij Poitiers, 732] teneersloeg.
Pippijn [de Middelste] is mijn overgrootvader, niemand was dapperder dan hij.
Maar mijn voorouders, de machtige Anschisus, die na lange tijd
zijn naam afleidde van die Trojaan Anschisus.
Hem verwekte de heilige vader en gezegende priester
Arnulf, die overal straalt door zijn wonderbare daden.
Mijn ouders hebben me hier begraven in vol vertrouwen op deze man.”

Hoewel het Rothaids ouders Pippijn en Bertrada waren die hun dochter in Metz begroeven, kunnen we er op grond van de tekst van uitgaan dat het Karel en Paulus waren die achter het grafschrift zaten. Anders kon van Karels verovering van Italië immers ook geen melding worden gemaakt. In feite is het ook niet zozeer Rothaids afstamming die hier wordt gevierd, maar die van Karel, en dan nog een gekuiste versie daarvan ook. Door Karel Martel een vorst te noemen en Pippijn de Jongeres belangrijkste wapenfeit – de coup van 751 – niet te noemen, lijkt het net of de Karolingen al veel langer – en dus legitiemer – koningen van de Franken waren. De andere vier grafschriften geven meer een beeld van de betekenis van Arnulf zelf voor Karel.

Liefde van het verkrijgen van het eeuwige en de oorzaak van ons heil
die het waakzame hart hierheen deed haasten
wil je weten waarom deze heilige plaats talrijke graven herbergt,
wat voor hal zich uitstrekt naar de sterrenrijke hemel?
Deze heilige van de Heer die, nadat hij de kudde had gediend,
was als een vader voor zijn wettige nageslacht:
wiens nageslacht in vertrouwen op haar voorvader en patroon
dit lichaam op deze heilige plaats wilde plaatsen.
Hier rust de dochter van Pippijn, Adelheid, een trouw meisje,
heilige vader, wil haar en haar graf bewaren.

Net als in de Geschiedenis wordt hier expliciet verwezen naar de legitimiteit van Arnulfs kinderen. Goffart heeft dit in verband gebracht met het buitensluiten van Karels eigen buitenechtelijke zoon Pippijn uit de erfopvolging, en hoewel dit best een rol kan hebben gespeeld, lijkt de nadruk op een wettig huwelijk van Arnulf en wettig nageslacht ook sterk te verwijzen naar Karels eigen zoektocht naar legitiem gezag.

De generatie van Karels kinderen is in Metz ook vertegenwoordigd, en wel door twee dochters, Adelheid († ca. 774) en Hildegard († 784).

In dit graf ligt een allerkleinst meisje begraven.
dat met heilig water Adeleid was genoemd.
Haar vader was Karel, stralend met dubbele kroon,
edel van geest, zeer sterk in de strijd.
Zij werd geboren bij de hoge muren van Pavia,
toen haar machtige vader de Italische landen onderwierp,
maar zij is over de grens van het leven weggeroofd toen zij zich over de Rhône haastte
en de pijn raakte het hart van haar moeder van veraf.
Zij stierf, zonder haar vaders overwinningen mee te maken,
nu leeft zij in de heilige landen van haar eeuwige vader.

Adelheid, de dochter van Karel – niet te verwarren met Karels zuster – moet een oudere dochter van onder meer Lodewijk de Vrome zijn geweest, het eerste kind van Karel en Hildegard. Ze werd tijdens de Italiaanse campagne geboren, wat maar eens temeer aangeeft hoe precair Karels positie in 773/774 nog was – het meenemen van zwangere koninginnen op oorlogspad was bepaald niet zonder risico’s en zeker niet gebruikelijk. Ook het feit dat moeder en dochter kort daarna van elkaar gescheiden werden – het “veraf” in het voorlaatste couplet suggereert dat moeder Hildegard niet bij haar dochter was toen ze stierf, maar nog in Italië verbleef – geeft aan hoezeer Karel in deze jaren blufpoker speelde. Tegelijkertijd wijst de vermelding van de ‘dubbele kroon’ op een ander gegeven: door het succes van de campagne van 773 werd Karel machtiger dan alle voorgaande Frankische koningen ooit waren geweest.

De dubbele kroon komt ook terug in het grafschrift van Karels vrouw Hildegard, die ook in Metz begraven lag.

[Deze] gouden letters, die rood gloeien met geelrode vormen,
tonen, hoe helder het begraven lichaam was.
Hier ligt de beroemde koningin Hildegard,
die voor de machtige koning Karel een goede echtgenote was.
Zij oversteeg zozeer het nageslacht van haar beroemde familie,
als een Indische edelsteen de aarde, waaruit ze geboren is.
Zij had zo’n heldere gratie van schitterend figuur,
dat er in het westen niet één mooier was.
Parische sardonix, leliën en rozen
Konden haar zachte schoonheid niet evenaren.
Maar toch overstegen de lichten van haar hart en de eenvoud
van haar ziel en haar inwendige schoonheid haar uiterlijk.
U was mild, wijs, verstandig, aangenaam,
vrijgevig en versierd met alle goeds.
Maar waarom zou ik verder gaan? Want er is geen groter
lof voor u, dan dat u in alles de affecties van zo’n echtgenoot vervuld hebt!
Want toen uw wapendragende man de voorouderlijke scepters verenigde
zowel de zwaandragende Po als Romulus’ Tiber,
toen alleen was u gevonden, was u alleen waardig
de gouden scepters van een verenigd rijk in uw hand te houden.
Na het elfde nam een ander jaar u al tot zich,
terwijl de honingzoete liefde u vervulde;
na het elfde nam een ander jaar u weer weg;
ach moeder van koningen, ach schoonheid en pijn!
Frank, Sueef, Germaan en zelfs Brit [rouwt om u,] en met de harde Goten weent de Ierse schare,
u beweent de Aquitaniër en de Italische aarde,
zelfs angstig Rome rouwt.
U hebt ook harde harten van mannen tot tranen gebracht,
en tranen vallen ook tussen schilden en wapens.
Ach, hoe heftig verschroeide u met vuur
het wijze en kalme hart in de vorstelijke borst van uw man,
maar deze zekere hoop troost alle lijdenden,
dat u op grond van waardige daden heilige rijken zult besturen.
Arnulf, zorgende vader, pleit nu bij Jezus met gebeden
dat zij hun deelgenoot wordt met de uwen.

Hier wordt ook duidelijk welke dubbele kroon bedoeld wordt: de verenigde kroon van de Franken en de Longobarden. De legitimiteit van Karels handelen verovering van Lombardije wordt tegelijkertijd verdedigd, met een verwijzing van een ‘voorvaderlijke’ band met Italië – een fabel die teruggaat op de al besproken claim op een Trojaanse afstamming. Hoewel volkomen uit de lucht gegrepen, is dit vanuit legitimerend oogpunt een meesterzet: het maakt van de Longobarden de indringers, in plaats van Karel.

In het grafschrift van koningin Hildegard vallen nog twee dingen op. Allereerst wordt Hildegard zelf uitgebreider besproken dan haar dochter Adelheid en haar schoonzusjes. Dit zal enerzijds te maken hebben gehad met een verschil in tijdsafstand tussen het moment waarop de prinsesjes, casus quo de koningin overleden en het moment waarop de grafschriften werden geschreven, anderzijds natuurlijk op het verschil in persoon – een volwassen vrouw en een zuigeling worden op andere manieren voorgesteld, en over de eerste valt sowieso meer te melden.

Het is waarschijnlijk ook het verschil in tijdsafstand dat dit grafschrift zoveel persoonlijker maakt dan de voorgaande drie. Rouw is hier een belangrijk thema, in de andere grafschriften kwam het amper voor. Rouw is ook het centrale thema van het laatste Metzer grafschrift van Paulus – voor Hildegards jongste kind, ook Hildegard geheten, dat kort na haar moeder overleed.

Hildegard, een wrede dood roofde je plotseling,
zoals de noordenwind in de prille lente een liguster rooft.
Je levensloop eindigde binnen een jaar,
en het licht van een tweede jaar kwam niet,
klein meisje, je liet geen klein verdriet achter,
door het hart van je vader met een pijl te doorboren;
omdat je je moeders naam hebt, hernieuw je het verdriet om je moeder,
die je amper veertig dagen overleefde.
Wij storten stromen van tranen in ons droeve hart,
jij richt je zeer gelukzalig op langdurige blijdschap.

Conclusie

Als het gaat om de legitimatie van de macht van de vroege Karolingers wordt als vanzelf verwezen naar de machtsovername van Pippijn de Jongere in 751 en de keizerkroning van zijn zoon Karel in 800. Het lijkt er echter op dat in de jaren 780, nadat Karel zijn macht over de Franken, Longobarden en Saksen flink verstevigd leek te hebben, dat een nieuwe legitimatiepolitiek zich presenteerde in Karels denken over zichzelf. Karel zelf heeft daar ook zeker zelf de hand in gehad, dat blijkt wel uit zijn optreden tegenover mensen als Alcuin en Paulus Diaconus, en eveneens uit de ringpassage in de Geschiedenis van de bisschoppen van Metz. Mensen die bij de koning in het gevlei wilden komen, zullen met hun eigen creatieve ingevingen wel bijdragen hebben geleverd, maar in ieder geval in de jaren 780 is de hand van Karel goed zichtbaar, en is ook de band tussen het hof en de geleerden erg nauw – zie ook de band tussen hofkapelaan Angilram en Paulus.

Waaruit bestond het nieuwe zelfbeeld? Een aantal elementen spreken duidelijk uit de besproken grafschriften. Het benadrukken van een eigen, legitieme traditie, een eigen heilige, een eigen heilige plaats (Sint Arnulf in Metz) en een eigen afstamming die helemaal tot de Trojanen teruggaat zijn daarbij niet te missen elementen. Het belang van (de claim) van legitimiteit en oude tradities is misschien lastig in te voelen in de huidige wereld waarin vernieuwing en nieuwheid worden gezien als bijna per definitie beter dan het oude, maar voor de Frankische samenleving en bijna de gehele premoderne wereld werkte het mechanisme andersom. Oud werd gezien als beter, en vernieuwing werd het liefst gezien als herstel van het oude, zoals in de renovatio en emendatio van de Karolingers.

Het christelijke karakter van het koningschap is een ander element. Geheel nieuw is dit element niet, maar het is in deze teksten duidelijker aanwezig dan in voorgaande vormen van Frankische zelfrepresentatie. Dat is ook niet zo verwonderlijk, omdat de Merovingers nog voorchristelijke elementen in hun koninklijke representatie hadden, waarop de Karolingers niet konden bogen, bijvoorbeeld de lange haren. Het is een bekend gegeven dat de Karolingers dit probeerden te compenseren door hun band met christelijke idealen sterker aan te zetten dan hun voorgangers hadden gedaan, en door een sterkere rol in de kerk te spelen door het benadrukken van renovatio en emendatio. Hoewel nog niet in de dominante vorm waarin het onder Lodewijk de Vrome en latere Karolingers wel voor het voetlicht treedt, is dit element al wel merkbaar in de besproken teksten.

Minder opvallend, en zeker ook minder door historici besproken, is de rol van emoties. Hiervoor is pas in de laatste decennia enige aandacht gekomen. De emoties die het hele veelvolkerenrijk van Karel gehad zou hebben over het overlijden van koningin Hildegard is echter een belangrijk teken dan de manier waarop emoties een rol speelden bij het tonen van wat de betrokken belangrijk (zouden moeten) vinden. Dat geldt zeker ook voor de emoties die worden opgeroepen in de gedichten voor Karels beide dochters, van wie één stierf zonder dat ze de overwinningen van haar vader had meegemaakt, en van wie de andere stierf toen de koning nog in rouw was over de dood van zijn vrouw. In feite zeggen de gedichten dat huilen mag, ook als je een grote koning bent. Dat is minstens zo nieuw als de Trojaanse afstamming van de Karolingers of datgene dat zij presenteren als renovatio en emendatio.

Eén element is nog niet aan bod gekomen: Karels gebruik van ‘nieuwe media’. Grafschriften en geschiedenisboeken bestonden natuurlijk al eerder, maar wat echt nieuw was aan Karels nieuwe legitimatiepolitiek was dat onder Karel deze vormen van communicatie voor het eerst gebruikte binnen de context van het Frankische koningschap. Het gebruik van deze ‘media’ ging bovendien hand in hand met de komst van de gebruikers ervan, geleerden uit onder meer Ierland, Engeland en Italië naar het Frankische rijk, en met de roep om renovatio en emendatio. De rol van Italië is daarbij wat onderbelicht gebleven, hoewel de Italiaanse geleerden in essentie nauwer bij het Karolingische rijk werden betrokken dan de Insulaire geleerden, omdat Noord-Italië na 774 tot het Karolingische gebied ging behoren. Gezien de sterke band met de paus en de voorbeeldrol van het pauselijke hof voor de Karolingers was Italië bovendien meer dan een exporthaven voor nieuwe ideeën, het was een gebied waarin het Karolingisch gezag gevestigd was en dus gelegitimeerd moest worden. Mensen als Paulus Diaconus putten daarbij voor hun nieuwe meesters uit lokale tradities, zoals de traditie van het componeren van poëtische grafschriften – voor de Franken misschien een onbekend medium, maar in Italië zonder onderbreking in gebruik gebleven sinds de Oudheid.

Zo gingen vanaf de jaren 780 een politiek van kerkhervorming, de noodzaak van legitimatie van het koninklijk gezag en een uitbreiding van de intellectuele infrastructuur van vooral de geestelijkheid hand in hand. Uiteindelijk zou daarmee in ieder geval het doel van legitimatie bereikt worden: Karels opvolgers hoefden zich niet langer te verdedigen tegen de suggestie nieuwkomers op de troon te zijn. Karel zelf was het nieuwe ijkpunt van Frankisch koningschap geworden. Die positie zou hij de hele Middeleeuwen door houden, en ook nog wel daarna. De Rome-reis van 781 vormde daarin een kantelpunt, minstens zozeer als de machtsovername van 751 en de keizerskroning van 800 – ook al zijn die beide jaartallen wél in de geschiedenisboekjes beland, en de eerste niet.

 

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!