Michiel de Ruijter, zijn biograaf en de slavernij

Vorige week stelde dr. Ronald Prud’homme van Reine op Historiën dat Michiel de Ruyter door sommigen onterecht wordt gelinkt aan slavernij en slavenhandel. Professor dr. Alex van Stipriaan ziet die link wel. Hierbij zijn repliek. 

michiel_de_ruyter

Michiel de Ruyter. Schulldig aan slavernij…..of niet? Bron: wikimedia commons

In de aanloop naar de première van de film over Michiel de Ruyter ontstond er discussie over de vraag of deze nationale figuur in zijn leven ook betrokken was geweest bij het Nederlandse slavernijsysteem in het Atlantisch gebied. Eerst iets over dit systeem. Eén onderdeel bestond uit handel in mensen, ingekocht op de kusten van West- en Centraal Afrika en van daar getransporteerd naar de Amerika’s. Om deze handel met de Afrikaanse handelaars in de kustgebieden zo goed mogelijk te kunnen drijven werden er handelsforten langs de hele West-Afrikaanse kust gebouwd en/of veroverd op een van de concurrenten. Zo waren er midden 17e eeuw naar schatting 20 Nederlandse forten gebouwd in het gebied tussen het huidige Senegal en Nigeria en was het WIC hoofdkwartier en centrum van diens slavenhandel gevestigd in het op de Portugezen veroverde fort Elmina in het huidige Ghana.

elmina

Fort Elmina in de zeventiende eeuw. bron: wikimedia commons

Het andere deel van het slavernijsysteem bestond uit de productie met deze Afrikanen van suiker, tabak, cacao en later ook koffie en katoen. Dit gebeurde in de Caraïbische plantagekoloniën, waarvan de gehele economie in dienst stond van deze grootschalige productie met slavenarbeid voor de Europese markt. Voor Nederland was Suriname hiervan lange tijd het belangrijkste –maar zeker niet het enige- voorbeeld. In dit geval werden vrijwel alle benodigdheden voor deze plantageproductie uit Nederland aangevoerd, waarbij de betreffende schepen in retour de plantageproducten meenamen. Ook waren er schepen die eerst met goederen naar Afrika voeren, deze ruilden voor slaafgemaakte Afrikanen, die vervolgens naar het Caraïbisch gebied transporteerden en vervolgens terugvoeren met suiker, cacao, koffie etc. naar Nederland, waar het tot eindproduct werd verwerkt en op de markt gebracht. Dit laatste wordt de Driehoekshandel genoemd. Er waren dus vele momenten waarop aan het slavernijsysteem werd verdiend, waarvan de belangrijkste waren: de productie van en handel in ruilgoederen om Afrikanen mee te in kopen, de verkoop van deze Afrikanen in de Amerika’s, de productie van en handel in benodigdheden voor het draaiend houden van de plantage-economieën en het transport, de verwerking en verkoop van de plantageproducten in Nederland. Tot 1731 was het monopolie op de Nederlandse slavenhandel in het Atlantisch gebied in handen van de WIC. Ook in het gebied van de VOC, tussen Kaap de Goede Hoop (Zuid-Afrika) en Batavia (Indonesië) werd overigens op grote schaal in mensen gehandeld.

Volgens De Ruyters biograaf Ronald Prud’homme van Reine gaat het te ver om al diegenen die goederen verhandelden in dit gebied “medeplichtig te verklaren aan de slavenhandel”. En dat is nu precies waar het om gaat, want dat waren ze wel degelijk. Althans, niet als het om alleen de slavenhandel ging, wél waar het het gehele slavernijsysteem betreft. De activiteiten in het Atlantisch gebied waren voor het grootste deel slavernij-gerelateerd. Dat mag je vervelend vinden, het maakt het niet minder waar. En als je bedenkt, vervolgt Prud’homme, dat ook in Azië slavernij volop voorkwam, “welke Nederlandse kooplieden uit die tijd zijn dan nog onschuldig?” De vraag stellen is ‘m beantwoorden zou ik zeggen, ook al was de Aziatische slavernij minder bepalend voor het koloniaal systeem in het Indische Oceaan gebied dan in het Atlantisch gebied. Waarom is het zo moeilijk te accepteren dat Nederlands rijkdom en voormalige machtspositie voor een deel gebaseerd zijn op mensenhandel en slavenarbeid? Dat is nu eenmaal de andere kant van de medaille van de geschiedenis van Verlichting, tolerantie, wetenschap en ondernemerszin waar Nederland zich wel graag beroept.

Mijn bronnen

De vraag is dus of Michiel de Ruyter ook bij het boven beschreven slavernijsysteem betrokken was of niet. Volgens de meest prominente nazaat van Michiel, Frits de Ruyter de Wildt, was dat eigenlijk niet het geval, getuige de web site van zijn Stichting Michiel de Ruyter en zijn vele uitspraken in de media. Prud’homme van Reine, is daarin wat genuanceerder en geeft toe dat de Ruyter er indirect misschien wel mee te maken had, maar bagatelliseert dit en komt liever tot de wat merkwaardige conclusie dat De Ruyter het geweld in Afrika binnen de perken hield. Zelf ben ik van mening dat de Ruyter wel degelijk onderdeel is geweest van het Transatlantisch slavernijsysteem, als ondernemend particulier en als loyaal marineman en dat hij zich zeker bewust had kunnen zijn van de onmenselijkheid waarop het slavernijsysteem was gebaseerd. Daarmee is niet gezegd dat hij in zijn leven niet ook een heel aantal andere dingen heeft gedaan, en evenmin dat hij geen briljant admiraal zou zijn geweest. Maar deel van zijn levensverhaal is nu eenmaal ook dat hij actief heeft bijgedragen aan de instandhouding van het slavernijsysteem.

Laat ik beginnen te vermelden dat de gegevens die ik hierna presenteer voor het grootste deel gebaseerd zijn op het werk van andere, en zeker niet de minste historici en slechts in geringe mate op mijn eigen onderzoek. Er ligt dus onderzoek van meerdere onderzoekers, en bepaald geen bevooroordeelde anti-de Ruyter-lobby, aan ten grondslag. In het artikel waar Prud’homme naar verwijst heb ik die ook keurig vernoemd, met paginanummers en al. Als Prud’homme dus vindt dat ik ‘te ver ga’, ‘op zijn lachspieren werk’ of ‘geforceerd’ iets tracht te bewijzen, dan doe ik dat in commissie en zou ik hem willen vragen de betreffende bronnen, zoals die van Goslinga, Den Heijer, Postma en Tang te raadplegen.1

In de tijd van de Ruyter had Nederland een deel van Brazilië op Portugal veroverd en vervoerde het in twee decennia zo’n 32.000 slaafgemaakte Afrikanen daarnaar toe (Postma 1990:21). Ook transporteerde Nederland voor Spanje slaafgemaakte Afrikanen, via het zogenaamde asiento-systeem, als een soort onderaannemers. Daarnaast hadden zich Nederlandse plantage-eigenaars overal in het Caraïbisch gebied gevestigd die voortdurend om slavenarbeid verlegen waren, en was Curaçao voor Nederland een belangrijk slavenhandelsknooppunt aan het worden, wat later gevolgd door St. Eustatius. Tussen 1658 en 1674 transporteerden Nederlandse schepen bijna 45.000 Afrikanen naar of via deze bestemmingen (Postma 1990:35; Goslinga 1985:78-189). Pas na de Tweede Nederlands-Engelse oorlog, met de Vrede van Breda, en de striktere handelsmonopolies van Engelsen en Fransen, werd de verdeling van het Caraïbisch gebied tussen de Europese mogendheden wat definitiever en werden Nederlandse kolonisten nog voornamelijk in Nederlandse koloniën aangetroffen.

Een interessant voorbeeld was het eiland Tobago (nu onderdeel van Trinidad & Tobago). Af en aan was het eiland Tobago tussen 1628 en 1678 in handen van Zeeuwen. De bekende reders en kooplieden Cornelis en Adriaan Lampsins, die over de grootste vloot in Zeeland beschikten, speelden een belangrijke rol in de Zeeuws-Caraïbische handel en kregen in 1654 zelfs een octrooi van de Staten generaal om Tobago te koloniseren, wat hen in 1760 uiteindelijk lukte. Ze herdoopten het eiland in ‘Nieuw Walcheren’, met als hoofdplaats Lampsinsburg (nu: Scarborough). Op dat moment telde het eiland zo’n 1.250 vrije Europeanen en ca. 7.000 slaafgemaakte Afrikanen. Een typisch Caraibische slavenkolonie dus.2

De Ruyter in het Atlantisch gebied

In het Lampsins-verhaal komt de Ruyter voor het eerst in beeld, want vanaf 1637 was hij in dienst van deze reders als kapitein van een oorlogsbodem gericht tegen kaperschepen in de Noordzee. Vanaf 1640 werd hij bij die zelfde Lampsins kapitein-koopman op het schip de Vlissinge, waarmee hij een aantal tochten naar het Caraïbisch gebied maakte. Vanaf dat moment maakte de Ruijter dus deel uit van het slavernijsysteem, want alle handel naar en van dit gebied stond in dienst van dit systeem (zie boven). En het zal niet onvoordelig zijn geweest, want toen de Ruyter in 1744 voor zichzelf begon als eigenaar-koopman van zijn schip de Salamander ging hij opnieuw varen naar het Caraïbisch gebied. Hoeveel tochten hij precies heeft gemaakt is mij niet precies duidelijk, maar alle auteurs spreken van verschillende tochten in de acht jaar dat hij voor zichzelf voer met de Salamander (zie ook de site van Stichting Michiel de Ruyter).

Daarna werd de Ruyter weer marineman in dienst van de Republiek. Volgens Goslinga (1985: 46) verdreef de Ruyter de Engelsen in 1655 uit het fort Tacorary (nu Ghana), dat voortdurend door weer een andere mogendheid werd veroverd. Het was een van de forten die een rol speelden in de slavenhandel.3 Veel belangrijker was echter de aanloop naar de Tweede Nederlands-Engelse oorlog, toen de Britten alle Nederlandse forten op de kust van West-Afrika op een na, het WIC hoofdkwartier Elmina, veroverden. De WIC beschikte niet over de benodigde middelen voor een tegenaanval en daarom besloten de Staten generaal De Ruijter erop te sturen die met zijn vloot bij Gibraltar lag.

In 1664-1665 veroverde heroverde hij alle Nederlandse forten en veroverde ook het Engelse fort Cormantin (later omgedoopt tot Amsterdam). Alleen het nabij Elmina gelegen Cabo Corso weigerde hij aan te vallen, omdat het zo zwaar versterkt was dat hij de risico’s te hoog achtte. Dit was zeer tegen de zin van WIC directeur–generaal te Elmina, Johan van Valckenburg, die vermoedde dat daardoor de Nederlandse handel in het gebied ondermijnd zou worden. Toen de vrede werd getekend in 1667 werd besloten alles te laten zoals het op dat moment was. Dat betekende dat het tot Cape Coast castle omgedoopte Cabo Corso Engels bleef en inderdaad een van de hoofdplaatsen werd in de Britse slavenhandel. Ook aan de andere kant van de oceaan werd alles gelaten zoals het op dat moment was, waardoor het door de Engelsen veroverde Nieuw Amsterdam Engels bleef en New York werd en het door de Zeeuwen veroverde Suriname in Nederlandse handen kwam. (Goslinga 1985: 45-48; Den Heyer 1997: 23)

Een van de eerste historici van de WIC, W.R. Menkman (1942:78-79) schreef al meer dan zeventig jaar geleden: “Bij den vrede van Breda kwamen wij er, dank zij De Ruyter, in Afrika goed af; wij behielden Suriname – en Engeland het met even weinig moeite veroverde Nieuw Nederland”. En “Onze West-Indische Compagnie voerde geen oorlog meer; wanneer er Nederlandsche zeestrijdkrachten in de Caraïbische wateren verschenen, dan waren het eskaders van de Staten der zeeprovincies, onder Hollandsche en Zeeuwsche bevelhebbers (De Ruyter, Crijnssen, Evertsen, Binckes).” Toen al werd dus door historici onderkend dat De Ruyter van groot belang was voor de Nederlandse macht in het Atlantisch gebied, die, hoe je het ook wendt of keert, hoofdzakelijk draaide om het belang van het transatlantisch slavernijsysteem.

De Staten Generaal vonden in ieder geval indertijd de Afrikaanse forten belangrijk genoeg om ze te heroveren en hun beste marineman daar op af te sturen. Niettemin komt Prud’homme hier met een wat merkwaardige redenering: “De forten op de West-Afrikaanse kust faciliteerden de slavenhandel van de WIC en de Engelsen. Maar kunnen we daarom zeggen dat De Ruyter invloed heeft gehad op de slavenhandel in dat gebied? Wanneer hij de forten niet had heroverd hadden de Engelsen hun slavenhandel in die regio, die veel omvangrijker was dan die van de Republiek, gewoon voortgezet.” Maar De Ruyter werd er dus wél op afgestuurd en heeft de forten wél heroverd en dientengevolge dus wél de belangen in slavenhandel en slavernij voor Nederland veilig gesteld. Belangen die, voor alle duidelijkheid, helemaal niet kleiner waren dan die van de Engelsen. In het tijdvak 1625-1675 hadden beide mogendheden ieder een aandeel van iets minder dan een vijfde in de totale transatlantische slavenhandel (Portugal/Brazilië was veruit de grootste).4 En de Republiek vond de ruil van Suriname voor New York toen bepaald niet onvoordelig.

Uiteindelijk, in 1676, zo stelde ik in mijn stuk, heeft De Ruyter zijn leven verloren in een van de Mediterrane zeeslagen tegen de Fransen, waar hij bondgenoot Spanje steunde. Dat hierbij opnieuw een relatie met de belangen in de slavenhandel zou zijn, is volgens Prud’homme een konijn die ik uit mijn hoge hoed tover. Laat het volgende citaat van opnieuw de goed gedocumenteerde Atlantisch historicus Goslinga volstaan: “The [WIC] Cooymans brothers committed themselves to the annual delivery of 4,000 blacks for five consecutive years [to the Spanish colonies via Curaçao]. Both of them clever businessmen, they had achieved this success by greasing the palm of the government of the Spanish Netherlands with a Ps. 250,000 ‘contribution. […] The new board of the WIC, the Heren X, were performing rather well. Their success in the negotiations with the Spaniards was substantial, though they had to overcome a real reluctance on the part of the Spanish to enter into negotiations with heretical foreigners. […] The support given by Their High Mightinesses to the Spanish by sending a Duytch fleet under Admiral de Ruytewr tot heir assistance in the war against France was no slight factor in mollifying the Spanish attitude. Thus the New WIC carried off a diplomatic victory: the blacks would be delivered in Curaçao. In 1678 there were already 1,800 for immediate delivery” (Goslinga 1985:158-159).

Slavernij en christendom

Voor die tijd was De Ruyter overigens ook nog in het Caraïbisch gebied geweest. In 1665 om de Engelsen daar zoveel mogelijk afbreuk te doen en in 1674 om, zoals ook Prud’homme zegt, daar ditmaal de Franse macht te bestrijden. De Ruyter had daarbij de opdracht om Martinique aan te vallen. Daar moest dus iets van belang zijn dat Frankrijk afbreuk zou doen en wellicht tegelijk een voordeel voor de Republiek kon zijn. Drie maal raden wat dat was: zo’n 180 slavenplantages volop suiker en tabak producerend, meer dan Suriname op dat moment, laat staan Curaçao. De aanval mislukte overigens.

In 1665 is hij ook nog op St. Eustatius geweest, dat toen nog niet, zoals ik eerder stelde de spil vormde in de Nederlandse intra-Caraïbische slavenhandel, maar waar wel al de basis daarvoor werd gelegd. Waar het mij echter vooral om gaat is dat hij op al die Caraïbische reizen, tussen 1640 en 1674 met eigen ogen heeft kunnen aanschouwen hoe vele tienduizenden Afrikanen in Nederlands, Frans en Engels gebied in mensonwaardige omstandigheden voor de Europeanen moesten werken. Dat gold natuurlijk voor meer Nederlanders, maar in zijn geval had dat meer impact kunnen hebben, want De Ruyter was ook degene die enige duizenden slaaf gemaakte Nederlanders en andere Europeanen vrijkocht of bevrijdde uit de handen van Noord-Afrikaanse kapers. Ook het lot van die mensen, die als galeislaven of in harems moesten werken was mensonwaardig en hij zette zich vol energie voor hun bevrijding in. Voor de Afrikaanse slaafgemaakten niet. Het enige verschil tussen de twee soorten slaafgemaakten was hun huidskleur. Of is dit teveel een eenentwintigste-eeuwse redenering? Dat is maar de vraag. Voor beiden kon hij namelijk, als gelovig man die hij was, inspiratie vinden in de kerk. De liefdeskassen, waarmee de witte slaafgemaakten werden vrijgekocht waren vaak het initiatief van kerkgemeenschappen, en ook de bevrijding van 26 Hongaarse predikanten moeten voor de Ruyter vanuit zijn kerkelijke achtergrond een sterke inspiratie hebben gehad en een bevredigend gevoel hebben gegeven.

Natuurlijk leefde De Ruyter in een tijd dat het in slavernij brengen van Afrikanen door velen met de bijbel in de hand werd verdedigd, maar even goed waren er in zijn tijd predikanten die verkondigden dat slavernij onchristelijk was of op z’n minst dat slaafgemaakten behandeld moesten worden zoals zij zelf ook behandeld wilden worden. Een bekend voorbeeld daarvan was een predikant in Vlissingen, de plaats waar De Ruyter het grootste deel van zijn leven heeft gewoond, Georgius de Raad. Deze schreef in 1665 o.a. dat “de heele werelt weet” hoe slaven soms behandeld worden door “onze” mensen. Hij vertelde hoe ze gestolen uit Afrika geroofd, tegen hun zin in “onze” schepen werden gelokt, van de “schrickelijcke en notoire sonden” en de “ongehoorde en Heydensche wreetheyt die de Christenen omtrent de Heyden-slaven in de schepen hebben gepleeght”. En hij verhaalde hoe de slaafgemaakte Afrikanen “op onse plantagien werden onthaelt”. Weliswaar kon, volgens de Raad de Voorzienigheid mensen in slavernij brengen, maar christenen hadden dan wel de plicht hen tot de ware godsdienst, het gereformeerd geloof, te brengen. Hoe dan ook was slavenhandel volgens hem een zonde waarvoor men zich zal moeten verantwoorden, al stelde hij ook dat God uit iets slechts ook iets goeds kan laten voorkomen.5 Dergelijke zienswijzen moeten op de gelovige De Ruyter, die de slavernij in al zijn aspecten met eigen ogen vele jaren had aanschouwd toch op zijn minst indruk hebben gemaakt. Je zou verwachten dat hij dan toch op zijn minst zich over de behandeling van slaafgemaakte Afrikanen zou hebben uitgelaten en/of een vergelijking met de Europese slaafgemaakten zou hebben gemaakt. Niets daarvan.

Jan Kompagnie

Ook moet hij zich bewust geweest zijn van de vreemde contradictie van de normaliteit van Afrikaanse slavernij in de koloniën enerzijds en het verbod daarop in de Republiek zelf anderzijds. Als een slaafgemaakte Afrikaan in de Republiek kwam –meestal met zijn eigenaar- dan was hij na zes maanden automatisch een vrij man, of eventueel na verlenging na een jaar (zie van Stipriaan 2014). Sterker nog, De Ruyter moet dat, als we het verhaal mogen geloven, met eigen ogen hebben gezien in de figuur van Jan Kompagnie. Deze Afrikaanse man zou als jongetje naar Vlissingen zijn gebracht en daar een vriendje van de jonge Michiel zijn geweest. Na elkaar 46 jaar niet meer gezien te hebben kwamen ze elkaar weer tegen op het door De Ruyter heroverde fort-eiland Goeree (nu Goré, Senegal), waar de man onderkoning was geworden en waar zij samen vreugdevol jeugdherinneringen ophaalden, voor De Ruyter weer verder voer. Een prachtig verhaal.

Voor Prud’homme is dit verhaal reden te tonen hoe De Ruyter “opmerkelijk onbevooroordeeld tegenover de zwarte medemens stond” en hoe bijzonder het was om een vriendschap met een zwarte man te hebben. “Veelal werden zwarten immers als hulp in de huishouding gebruikt. Maar dat gebeurde niet bij de familie De Ruyter thuis.” Dus omdat de De Ruyters geen zwarte bediende hadden en/of Jan Kompagnie niet als bediende voor zich lieten werken was de kennis die kleine Michiel aan de kleine Jan had bijzonder? De familie De Ruyter was niet eens in de omstandigheid een zwarte bediende te kunnen hebben. De redenering is dus nogal merkwaardig. Hoe het zij, pas onlangs stuitte ik op het onderzoek dat scheepvaart-historicus Dirk Tang naar dit verhaal deed en daarin twijfels uitte over de authenticiteit ervan.6 Als we hem mogen geloven is het hele verhaal gebaseerd op één anoniem journaal tussen een heel aantal bekende journaals, waaronder die van De Ruyter en diens zoon zelf die er met geen woord over reppen. Citerend uit het artikel van Tang is alles gebaseerd op het volgende citaat:

Onze luytenant Hondius hadde dien dagh een boodt water gehaeldt/en daer wiert voor den Capitein van der Saen een Neger aen boordt gebracht/ die door de Wandeling genoemt wierde Jan Compagny, die voor 5 of 46 Jaren geleden/ al kennis hadde gehadt/aen den Heer Vice-admiraal de Ruyter, en wist alles perfeckt te verhalen/ wat in die tijdt ghepasseert was/ dat hy onmoogelijck scheen dat op sulcke Barbarische Menschen sulcken memorij was/ om alles weder soo perfeckt te verhalen/ deze Neger zijnde een oud bedaert Man/ die soo wij verstonden op dat Eylandt soo veel als Vice-Koninck was/ en hadden veel dienst aen de Hollandsche West-Indische Compagny ghedaen hadde”.

Hier is dus alleen sprake van een Afrikaan die na 46 jaar nog perfect de tijd kan herinneren dat hij als jongetje de jonge Michiel heeft gekend. Niet meer, niet minder. Het verhaal van De Ruyters eerste biograaf Gerhard Brandt, die dit pas een aantal jaren na De Ruyters dood opschreef, is een stuk uitgebreider en gedetailleerder. Het kan dat dit verhaal persoonlijk door De Ruyters zoon Engel aan Brandt is verteld, zoals Prud’homme suggereert, maar dat weet hij net zo min als Dirk Tang (laat staan ik zelf). In die beschrijving van Brandt spreekt Jan Kompagnie van zijn “ouden makker en fpeelgezel, met wien hy gevaaren had” en van De Ruyter wordt gezegd: “De Ruiter onthaalde hem vriendelyk, en had groot vermaak in zyn gefprek, dat hem d’onnoozele geneugten van zyne kommerlooze jaaren in de gedachten bragt”. Mijzelf gaat het wat ver dit te interpreteren als een onbevooroordeelde vriendschap. Hoe oud waren ze toen en hoe ongelijk was de situatie 46 jaar later? Voor hetzelfde geld laat de machtige admiraal zich daar op paternalistische wijze entertainen door een vermakelijke Afrikaan die hem ooit als jongetje heeft meegemaakt. Maar dan nog, als het allemaal wél klopt en als hij inderdaad zo onbevooroordeeld was, was het dan niet reden te meer geweest om van De Ruyter een kritischer houding ten aanzien van het lot van slaafgemaakte Afrikanen te mogen verwachten?

1 C.C. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and on the Wild Coast (Assen 1971); C.C. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and in the Guianas, 1680-1791 (Assen/Maastricht 1985); H. den Heijer, Goud, ivoor en slaven; Scheepvaart en handel van de Tweede Westindische Compagnie op Afrika 1674-1740 (Zutphen 1997); J.M. Postma, The Dutch in the Atlantic slave trade, 1600-1815 (Cambridge 1990); J. Postma & V. Enthoven (eds.), Riches from Atlantic commerce; Dutch trans-Atlantic trade and shipping, 1585-1817 (Leiden 2003); D.J. Tang e.a., Slaven en schepen in het Atlantisch gebied (Leiden 2013).
2 Menkman 1942: 84-86; Goslinga 1971:105; L. J. Joosse, Geloof in de Nieuwe Wereld: ontmoetingen met Afrikanen en Indianen (1600-1700) (Kampen 2008), 333-334.
3 Wellicht heeft Prud’homme gelijk dat dit eigenlijk 1665 moet zijn, Goslinga (1985: 46-47) heeft het echter over 1655 en refereert er terecht aan dat de verovering van de Nederlandse forten in 1664-65 door de Engelse admiraal Robert Holmes al diens tweede keer was dat hij dit soort activiteiten in West-Afrika ondernam. Goslinga baseert zich op de geschriften van toenmalig WIC-man Willem Bosman.
4 Zie de Transatlantic Slavetrade Database [http://www.slavevoyages.org/tast/assessment/estimates.faces]
5 J. Douma, Slavernij in het Nederlandse koloniale tijdperk: Waarom een zwarte bladzijde? Transparant 10:3 (1999), 4-12, aldaar 8; A.N. Paasman, Reinhart: Nederlandse literatuur en slavernij ten tijde van de Verlichting (Leiden 1984) 138; zie ook: Alex van Stipriaan, De achterkant van Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap; Nederland en zijn slavernijverleden. Tijdschrift over Cultuur en Criminaliteit 4:3 (2014), 68-81.
6 Dirk J. Tang, Jan Compagnie, het Afrikaanse vriendje van Michiel de Ruyter [http://www.geschiedenis.nl/index.php?go=home.showBericht&bericht_id=3193]

Lees de hele discussie tussen Ronald Prud’homme van Reine en Alex van Stipriaan over de vermeende betrokkenheid van De Ruyter bij slavenhandel:

Michiel de Ruyter en de slavenhandel: Ronald Prud’homme van Reine

Michiel de Ruijter, zijn biograaf en de slavernij: Alex van Stipriaan

Reactie op ‘Michiel de Ruijter, zijn biograaf en de slavernij: Ronald Prud’homme van Reine

Alex van Stipriaan

Alex van Stipriaan Luïscius (1954), author's name Alex van Stipriaan, is professor of Caribbean History at the History Department of Erasmus University's School of History, Culture and Communication (ESHCC) at Rotterdam. Since 2005 he combines this with a curatorship of Latin America and the Caribbean at the Tropenmuseum Amsterdam. He teaches courses on Caribbean migrations, diversity and cultural heritage, as well as on Diversity in Dutch History, and teaches also on Slavery in the Black Atlantic as well as on Caribbean arts.

More Posts

Schrijf je in voor TOEN!