Michiel de Ruyter en de slavenhandel

De actiegroep Michiel de Rover probeert dezer dagen rond de première van de film Michiel de Ruyter de aandacht te trekken door de zeeheld Michiel de Ruyter te beschuldigen van op zijn minst betrokkenheid bij de slavenhandel. Maar dat beeld is onterecht, vindt dr. Ronald Prud’homme van Reine. De actievoerders kunnen niet worden betrapt op een diepgaande belangstelling voor de Nederlandse zeegeschiedenis, blijkens de mededelingen die zij op diverse websites doen. Maar er is één historicus voor ze in de bres gesprongen: de Rotterdamse hoogleraar in de geschiedenis van het Caraïbisch gebied Alex van Stipriaan. Op zijn gegevens baseren de actievoerders zich doorgaans (zie onder meer: http://www.stijnspreekt.nl/michiel-de-ruyter-hield-nederlandse-slavenhandel-stand/). Van Stipriaans argumenten worden hieronder besproken.

Michiel_de_Ruyter

Michiel de Ruyter door Ferdinand Bol in 1667. Hij draagt zijn Orde van de Heilige Michaël. bron: wikimedia commons

Ruiter of rover?

Allereerst de naam van de actiegroep. Die is ontleend aan het in 2007 in Zeeland gelanceerde verhaal dat de achternaam De Ruyter afkomstig zou zijn van het werkwoord ‘ruyten’, dat plunderen betekent. In mijn artikel ‘De Ruyter heette geen Trouwhand’ heb ik al vermeld dat dit woord vooral in de zestiende eeuw, voor de geboorte van Michiel, werd gebruikt. Michiel is echt naar de man op het paard genoemd. Niet voor niets was hij voor de aanneming van zijn achternaam al bekend vanwege zijn optreden als ruiter in het beleg van Bergen op Zoom, tijdens de strijd tegen de Spanjaarden in 1622. Toen hij beroemd werd verschenen er talloze gedichten waarin hij werd bezongen als Michiel de Ruyter die met zijn houten paard (schip) de vijand had verslagen. Op de naam ‘plunderaar’ zou Michiel zeker geen prijs hebben gesteld.

Betrokkenheid bij slavenhandel

Alex van Stipriaan noemt De Ruyter al in de jaren veertig al betrokken bij de slavernij in het Caraïbisch gebied, omdat hij in die jaren als kapitein van een koopvaardijschip voor eigen rekening handel dreef met eilanden die volledig draaiden op slavenarbeid. Of en hoe bepaalde eilanden in de Caraïben nu volledig dreven op slavenarbeid: de discussie daarover laat ik over aan kenners van de geschiedenis van de WIC en de slavernij. Het lijkt me duidelijk dat het erg ver gaat kooplieden in dit gebied die het alleen om handel in goederen ging allen medeplichtig te verklaren aan de slavenhandel. Welke Nederlandse kooplieden uit deze tijd zijn dan nog onschuldig? Zeker wanneer we bedenken dat slavernij ook in Azië volop voorkwam.

De Ruyter en de WIC

Over De Ruyter en de WIC West-Afrika stelt Van Stipriaan: ‘Om de handel met de Afrikaanse handelaars in de kustgebieden zo goed mogelijk te kunnen drijven werden er handelsforten langs de hele West-Afrikaanse kust gebouwd en/of veroverd op een van de concurrenten. Zo waren er midden 17e eeuw naar schatting 20 Nederlandse forten gebouwd in het gebied tussen het huidige Senegal en Nigeria en was het WIC hoofdkwartier en centrum van diens slavenhandel gevestigd in het op de Portugezen veroverde fort Elmina in het huidige Ghana. Meerdere keren werd op verzoek van de WIC, door de Staten Generaal een beroep gedaan op admiraal De Ruyter om bedreigde belangen te beschermen of te heroveren op de Europese concurrenten’. Van Stipriaan noemt vervolgens acties van De Ruyter op de West-Afrikaanse kust in 1655 en 1664-1665.

elmina

Fort Elmina in de zeventiende eeuw. bron: wikimedia commons

Bij de eerste actie in 1655 zou De Ruyter fort in Tacorary op de Engelsen hebben heroverd. Van Stipriaan vergist zich hier echter, want ook deze actie vond tijdens de expeditie van 1664-1665 plaats, de enige maal dat De Ruyter langs de West-Afrikaanse kust voer. Daarna somt hij de forten op die De Ruyter verder veroverde: ‘In 1664 veroverde hij met succes het Engelse fort op eilandje Tasso (Sierra Leone), waar maar liefst 400-500 ivoren slagtanden tot de buit behoorden en in de maanden daarna heroverde hij alle Nederlandse forten en veroverde ook het Engelse fort Cormantin (later omgedoopt tot Amsterdam). Alleen het nabij Elmina gelegen Cabo Corso weigerde hij aan te vallen, omdat het zo zwaar versterkt was dat hij de risico’s te hoog achtte’. De Ruyter was er volgens een speciaal plan van raadpensionaris Johan de Witt vanuit de Middellandse Zee op uit gestuurd om een aantal door de Engelsen volledig onverwacht in vredestijd veroverde forten van de Nederlandse WIC op de West-Afrikaanse kust te heroveren. De Ruyter voerde deze actie uit in dienst van de Nederlandse marine, in opdracht van de Staten-Generaal. Het was een uiterst gevaarlijke onderneming voor hem. Hij had onvoldoende kaartmateriaal van dit zeegebied en was er zelf niet bekend. Hij kreeg te maken met elkaar beoorlogende zwarte stammen, die niet terugschrokken voor extreem geweld, zoals het op grote schaal afhakken van hoofden. Opvallend is dat De Ruyter er als opperbevelhebber in slaagde plundering tegen te gaan en met zwarte inwoners tot overeenstemming te komen. Uit alles blijkt dat tijdens de acties dankzij het optreden van De Ruyter het gebruik van geweld zoveel mogelijk binnen de perken bleef. De forten op de West-Afrikaanse kust faciliteerden de slavenhandel van de WIC en de Engelsen. Maar kunnen we daarom zeggen dat De Ruyter invloed heeft gehad op de slavenhandel in dat gebied? Wanneer hij de forten niet had heroverd hadden de Engelsen hun slavenhandel in die regio, die veel omvangrijker was dan die van de Republiek, gewoon voortgezet.

De Caraïbische en mediterrane expedities

Na afloop van zijn onderneming in Afrika voer De Ruyter begin 1665 met zijn schepen over de Atlantische Oceaan naar de Caraïben en de oostkust van Noord-Amerika en Canada, om in opdracht van de Staten-Generaal de Engelsen aldaar zoveel mogelijk afbreuk te doen. Hij boekte daarbij enkele successen, maar het was een uiterst moeilijke onderneming nu zijn schepen al zo lang van huis waren. Zelfs in deze situatie ziet Van Stipriaan De Ruyter nog in nauw contact met de slavenhandel: ‘Hij gaat voor reparaties naar de Franse slavenkolonie Martinique, verovert een aantal Engelse schepen en bevoorraadt de spil van de Nederlandse slavenhandel in de Cariben, Sint Eustatius’. Het werkt enigszins op de lachspieren. De Ruyter moet uit alle macht proberen zijn vloot op grote afstand van het vaderland zeewaardig te houden en laat zijn schepen daartoe repareren op niet-vijandelijk, Frans terrein. Van Stipriaan staat eeuwen later klaar met een geheven vingertje: hij komt terecht in een slavenkolonie! Wanneer De Ruyter na zijn lange overtocht eindelijk bij Sint-Eustatius weer Nederlands grondgebied bereikt wordt hij daar met grote vreugde begroet en kopen de eilandbewoners met blijdschap buskruit van de opperbevelhebber, om zich te kunnen verdedigen tegen een verwachte Engelse aanval. Opnieuw tegen de zin van Van Stipriaan: Sint-Eustatius is de spil van de Nederlandse slavenhandel. Dat hier ook andere, directe belangen op het spel staan om de vijand te kunnen afweren speelt in zijn gedachtegang geen enkele rol.

En zo redeneert Van Stipriaan door tot het einde van de carrière van De Ruyter. Als de vlootvoogd door de Staten-Generaal in 1674 wordt opgedragen de Fransen afbreuk te doen in het Caraïbisch gebied en daar Martinique te veroveren, spreekt Van Stipriaan alleen van een aanval op een belangrijke slavenkolonie. Het toppunt is wel dat Van Stipriaan zelfs de laatste expeditie van De Ruyter op zeer geforceerde wijze in het kader van de slavenhandel probeert te zien. De Ruyter vertrok in 1675 in opdracht van de Staten-Generaal naar de Middellandse Zee om bondgenoot Spanje daar te steunen tegen Frankrijk, dat een opstand op het destijds Spaanse Sicilië ondersteunde. Met zijn te zwakke eskader leverde De Ruyter tweemaal slag tegen de sterke Franse vloot en raakte dodelijk gewond in het tweede treffen. Iedereen beoordeelt deze expeditie als een dapper optreden van de oude vlootvoogd. Van Stipriaan tovert een konijn uit de hoge hoed: De Ruyter heeft door zijn optreden een nieuwe overeenkomst tussen Spanje en de WIC over de slavenhandel mogelijk gemaakt.

Jan Kompagnie

Ten slotte wil Van Stipriaan ook afrekenen met het oude verhaal over de vriendschap van De Ruyter in zijn jeugd met een zwarte jongen: ‘Het verhaal gaat dat op ook heroverde eiland Goeree (Senegal) De Ruyter een oude Afrikaanse jeugdvriend uit Vlissingen tegenkwam, die als jongetje daarnaar toe was verscheept en bij hem op school had gezeten. Ze zouden elkaar 46 jaar niet hebben gezien en samen vol vreugde jeugdherinneringen hebben opgehaald. Deze man, die in Vlissingen de naam Jan Kompagnie had gekregen, was inmiddels onderkoning van Goeree. Het is een mooi en in de loop der tijd vele malen opnieuw verteld en geromantiseerd en aangedikt verhaal. Maar of het waar is kan worden betwijfeld. […] De Ruyter zelf heeft er namelijk in zijn journaal over deze tocht met geen woord over gerept evenmin als diens zoon Engel en anderen die bij de tocht aanwezig waren en journaals bijhielden. En in Vlissingse archieven is tot op heden geen spoor van Jan Kompagnie aangetroffen. Alleen in een door een onbekende bijgehouden journaal wordt over hem gesproken en dit lijkt later aangedikt weer terecht gekomen in de biografie die Gerard Brandt schreef na de dood van de admiraal in opdracht van zoon Engel de Ruyter’.
Het verhaal van Jan Kompagnie is op deze wijze niet weerlegd. De Vlissingse archieven kent Van Stipriaan niet: doop-, trouw- en begraafregisters uit de tijd van De Ruyter zijn verloren gegaan, dus het is volkomen logisch dat Jan Kompagnie er niet in is terug te vinden. Van Stipriaan moet het bestaan van het authentieke anonieme scheepsjournaal toegeven, waarin hij uitvoerig wordt vermeld. Ik ken dat scheepsjournaal, het is bijgehouden door een opvarende van De Ruyters schip. In zo’n scheepsjournaal is veel meer ruimte voor beschrijving van triviale gebeurtenissen dan in de scheepsjournalen van Michiel en Engel de Ruyter. Michiel de Ruyter wist dat hij zijn journaal na afloop van de reis bij de Staten moest inleveren en kon dus niet op persoonlijke aangelegenheden ingaan. Zoon Engel hield voor eigen gebruik een zeer beknopt reisverslag bij.

Gezien De Ruyters optreden in Afrika en zijn vriendschap met Jan Kompagnie denk ik dat er eerder kan worden gezegd dat De Ruyter voor zijn tijd opmerkelijk onbevooroordeeld tegenover de zwarte medemens stond.

 

Ronald Prud’homme van Reine

Engel de Ruyter was mee op deze expeditie naar Afrika. Hoe weet Van Stipriaan ineens zo zeker dat Gerard Brandt de nadere details over het verhaal niet mondeling van Engel de Ruyter heeft gehoord, tijdens het schrijven van de biografie? Uit alles blijkt dat Engel de Ruyter Brandt enorm heeft geholpen tijdens dit werk, onder meer door alle scheepsjournalen chronologisch te verzamelen en lijstjes met anekdotes en bijzondere verhalen te maken. Waarom zou Brandt het hele verhaal trouwens hebben verzonnen? In zijn tijd gold het bepaald niet als een verdienste er een vriendschap met een zwarte man op na te hebben gehouden. Veelal werden zwarten immers als hulp in de huishouding gebruikt. Maar dat gebeurde niet bij de familie De Ruyter thuis.
Wie de beschuldigingen van Van Stipriaan aan het adres van de Ruyter analyseert kan maar tot één conclusie komen. Volgens de maatstaven die hij ten aanzien van De Ruyter hanteert is bijna elke zeventiende-eeuwer in meerdere of mindere mate schuldig aan de slavenhandel. Gezien De Ruyters optreden in Afrika en zijn vriendschap met Jan Kompagnie denk ik dat er eerder kan worden gezegd dat De Ruyter voor zijn tijd opmerkelijk onbevooroordeeld tegenover de zwarte medemens stond.

Actiegroep schetst verkeerd beeld Michiel de Ruyter

De Ruyter was een man van zijn tijd, maar bezat wel degelijk veel mededogen. Volgens de actiegroep schrijf ik daar onzin over in mijn biografie van De Ruyter, Rechterhand van Nederland. Ik citeer uit de website van een sympathisant (http://socialisme.nu/blog/nieuws/44081/michiel-de-ruyter-een-typisch-nederlandse-schurk/): ‘Pogingen om deze mythe in stand te houden leveren in de geschiedschrijving juweeltjes van dubbelheid op, zoals de volgende letterlijke passage uit de net herdrukte biografie van Ronald Prud’homme van Reine: ‘De Ruyter schijnt zijn bemanning te hebben toegesproken zoals een vader zijn kinderen. Hij trad streng doch rechtvaardig op. In een brief aan Johan de Witt uit 1665 beschreef hij zonder enig mededogen hoe vijf matrozen die als deserteurs tot de doodstraf werden veroordeeld op Texel waren opgehangen, “naerdat den oppersten belhaemer eerst sijn 2 voorste vyngers sijn affgecapt”.’ Einde citaat, zoals de sympathisant dat aanbiedt. In werkelijkheid gaat deze passage verder: ‘Een andere keer, toen enkele matrozen veroordeeld wegens moord de strop kregen, brak bij het ophangen van een van hen het touw, waardoor deze nog levend op de grond terecht kwam. De Ruyter schonk hem toen vergiffenis, hoewel dat ongebruikelijk was. Hij meende echter dat het als een teken van God gezien kon worden dat de man het had overleefd. Het was namelijk onzeker wie van de veroordeelden precies de moord had gepleegd’. Goed lezen en volledig citeren blijft belangrijk!

Voor wie meer wil lezen over Michiel de Ruyter: de zevende druk van Rechterhand van Nederland, Biografie van Michiel de Ruyter ligt vanaf 5 februari in de boekhandel.

Lees de hele discussie tussen Ronald Prud’homme van Reine en Alex van Stipriaan over de vermeende betrokkenheid van De Ruyter bij slavenhandel:

Michiel de Ruyter en de slavenhandel: Ronald Prud’homme van Reine

Michiel de Ruijter, zijn biograaf en de slavernij: Alex van Stipriaan

Reactie op ‘Michiel de Ruijter, zijn biograaf en de slavernij: Ronald Prud’homme van Reine

 

Schrijf je in voor TOEN!