Van Nieuw-Amsterdam tot New York, 1625-1664

New York was Nieuw Amsterdam. Maar hoe zat het verder? Hoe het begon? De stad werd in 1625 gesticht. Het was een kleine Nederlandse handelspost van de WIC, de Westindische  Compagnie.


nieuwamsterdam.jpg
Wie met de (gratis) veerboot van of naar Staten Island vaart, zo genoemd ter ere van de Staten-Generaal, en een adembenemende blik werpt op het hedendaagse Manhattan, kan zich waarschijnlijk maar moeilijk voorstellen dat de bruisende wereldstad New York in 1625 is ontstaan als een kleine Nederlandse handelspost van de West-Indische Compagnie (WIC).

Rechts: New York in de zeventiende eeuw

Brooklyn, The Bowery, The Gramercy, Flushing, Harlem, Stuyvesant Town, Yonkers, Broadway, Wallstreet, Battery Park, Van Cordtland Park, zo maar een paar namen van bekende of wellicht minder bekende New Yorkse wijken, straten of parken die nog refereren aan een stukje Nederlandse koloniale geschiedenis in de Verenigde Staten. Van de periode 1625-1664 is, op de archiefstukken en enige te bezichtigen fundamenten van het voormalige Stad Huys na, helaas niets meer over.

Toch zijn er in New York nog wel plekjes waaraan herkenbaar is dat de Nederlanders een rol in de ontstaansgeschiedenis hebben gespeeld. Diegenen die op zoek zijn naar iets tastbaars, kunnen een bezoek brengen aan twee prachtige monumentale Nederlandse boerderijen uit de 17e en 18e eeuw: de Wyckhoff House (1652) in Brooklyn en de Dyckman House (1785) in The Bronx (zie foto’s). Wie in Lower Manhattan door het gebied rond Pier 17 loopt en door Pearl st., Beaver st., Stone st. en Bleecker st. wandelt, merkt aan de rode bakstenen gebouwen uit de 19e eeuw met hun Nederlands aandoende bouwstijl dat er een band is met Nederland. Wie ten slotte het stadswapen en de vlag van New York bekijkt, zal ook hier Nederlandse kenmerken in kunnen ontdekken. Ondanks dat de Nederlandse periode in de Verenigde Staten niet zo lang heeft geduurd, zijn de wortels van New York onmiskenbaar Nederlands. Dit is het verhaal hoe de kleine handelspost Nieuw-Amsterdam een stad werd en uiteindelijk New York zou worden.

  1609-1625, ontdekking
Henry Hudson was als Engelsman en ontdekkingsreiziger in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (hierna: VOC). Toen Hudson in 1609 met zijn schip ‘Halve Maen’ de majestueuze baai van de huidige New Yorkse haven binnenzeilde, was hij aanvankelijk nog in de veronderstelling de korte noordelijke route naar Azië gevonden te hebben. Azië stond in deze tijd, en ook nog lang daarna, synoniem voor rijkdom nu daar de voor Europeanen zeer gewilde en dus peperdure specerijen bemachtigd konden worden. De specerijenhandel was hiermee een zeer lucratieve bezigheid waarmee veel geld kon worden verdiend.

 wapen new york.jpg

Links: het wapen van New York

Aangezien op de bekende zuidelijke routes naar Azië de Spanjaarden en de Portugezen geduchte concurrenten waren en men bovendien vermoedde dat er een kortere en dus winstgevender noordelijke route naar Azië moest zijn, had de VOC geld geïnvesteerd in de onderneming van Hudson. In de veronderstelling de mogelijke noordelijke route gevonden te hebben, voer Hudson de later naar hem vernoemde rivier op. Toen deze zich verderop echter versmalde en ondieper werd, werd het hem al snel duidelijk dat dit niet de gezochte weg naar Azië kon zijn. Met lege handen keerde Hudson terug naar Europa. Toch was de belangstelling van de Nederlanders gewekt nu er in de overgeleverde verslagen uitstekende mogelijkheden voor vestiging en handel waren beschreven.

Ondanks dat er al wel op het gebied gehandeld werd, werd er pas in 1621 met de oprichting van de WIC daadwerkelijk aanstalten gemaakt om het door Hudson geclaimde gebied te gaan bewonen en economisch te exploiteren. Kolonisten waren onder andere noodzakelijk om de claim op het gebied kracht bij te zetten tegenover de Engelsen.

vlag new york.jpg Links: de vlag van New York

Dit was aanvankelijk echter niet gemakkelijk. Immers, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (hierna: de Republiek) was bezig met een enorme economische opmars die zou uitmonden in wat later de ‘Gouden Eeuw’ zou gaan heten en de Republiek destijds tot een van de machtigste staten ter wereld maakte. De Republiek verlaten voor een ongewis bestaan in een ruig en onontgonnen land aan de andere kant van de Atlantische oceaan was dan ook niet voor de hand liggend. Aangezien de kolonisatie fractie binnen de WIC haar zin op dat moment kon doordrukken ten koste van de handelsfractie, die met een minimale vestiging enkel de handelsbelangen wilde verdedigen, slaagde de WIC er in om een met een handjevol Nederlanders en Walen in Noord-Amerika een nieuwe kolonie te stichten die zij Nieuw-Nederland noemden.

1625 – 1640, vestiging

De belangrijkste vestiging van Nieuw-Nederland werd Nieuw-Amsterdam, dat gevestigd was op het eiland mannahata dat in de taal van de lokale Indianen ‘heuvelachtig eiland’ betekent. Bepalend is hierbij het inzicht van Peter Minuit, de tweede gouverneur van Nieuw-Nederland, geweest die vanwege de voortdurende dreigingen van buitenaf inzag dat het eiland Manhattan groot genoeg was om de bevolking te kunnen onderhouden en in de punt van het eiland klein genoeg was om door een fort verdedigd te kunnen worden.

Bovendien lag het aan de monding van de rivier waardoor er gemakkelijk handel kon worden gedreven. Manhattan kon daarom in alle behoeften voorzien. Voor Minuit was het dan ook reden het eiland van de Indianen te kopen voor een partij goederen ter waarde van destijds zestig gulden ($24), een geldbedrag dat destijds al niet echt hoog was. In 1999 vertegenwoordigde het bedrag omgerekend een waarde van $ 669,42. Nadat Minuit zich met de kolonisten op het meest zuidelijkste puntje van Manhattan had hergegroepeerd, verrezen er binnen een jaar dertig houten huizen.

castelloplan.JPG Links: het Castelloplan

Het enige stenen huis betrof het hoofdkwartier van de WIC waar de rijke lading van beverpelzen werd opgeslagen alvorens ze naar de Republiek werd verscheept. Ook droeg Minuit er zorg voor dat er een fort, Fort Amsterdam, werd gebouwd dat tot doel had de haven tegen vijandelijke schepen te beschermen. Niet veel later werden hier onder andere een kerk en twee windmolens aan toegevoegd.

Het beeld van Nieuw-Amsterdam dat van deze tijd bekend is, is niet echt positief te noemen. Ondanks dat men erin geslaagd was een nederzetting te vestigen, werd de interne en externe druk op de kolonie steeds groter. Intern, aangezien het merendeel van de bevolking volgens Burrows/Wallace en R. Shorto tamelijk ruig, onhandelbaar en onzedelijk bleek te zijn en Nieuw-Amsterdam al snel vies en in verval was geraakt. Daarnaast bleken de eerste gouverneurs van Nieuw-Nederland, Verhulst, Minuit en Van Twiller, volgens J. Jacobs niet over de capaciteiten te beschikken om de kolonie op grote afstand van het moederland te kunnen besturen. Zij hadden daarom allemaal problemen hun autoriteit te handhaven. Het gevolg hiervan was dat zij hun toevlucht zochten in een autoritaire bestuursstijl. Extern was er een constante druk op de grenzen van de zijde van de Engelsen.

De Engelsen waren niet gelukkig met het feit dat Hudson het gebied in naam van de Republiek ontdekt en geclaimd had en kregen steeds meer in de gaten dat het door de Republiek beheerste deel van Noord-Amerika vanwege zijn strategische ligging de toegang tot het continent was. Daarnaast, zoals later nog zou blijken, speelde ook een rol dat Engeland het niet kon verdragen dat de Republiek erg succesvol was in de handel en al spoedig de wereldzeeën beheerste, wat ten koste ging van het Engelse aandeel in de wereldhandel met alle economische gevolgen van dien. Deze wedijver om de heerschappij op de zeeën zou uiteindelijk resulteren in drie oorlogen met Engeland in de 17e eeuw, die ook hun effect zouden hebben op Nieuw-Nederland (zie mijn artikel: ‘De Tweede Engelse Oorlog:de Tocht naar Chatham’). Naast de Engelsen begon ook Zweden een meer dan serieuze interesse in het gebied te krijgen, wat in 1638 leidde tot een Zweedse kolonie in de directe nabijheid van Nieuw-Nederland. Ten slotte stichtte Kiliaen van Rensselaer (zelf bestuurder van de WIC), deels op het grondgebied van Nieuw-Nederland, zijn patroonschap Rensselaerswijck die hij zou besturen als een Middeleeuwse leenheer.

 1640 – 1647, onvrede

Nieuw-Amsterdam was een handelspost van de WIC. Dat betekende dat de wil van de gouverneur over het algemeen ook de wet was. Dit kwam omdat de Staten-Generaal, de hoogste autoriteit in de Republiek, bij de oprichting van de WIC bepaalde bevoegdheden aan haar had overgedragen. De WIC had van de Staten-Generaal niet alleen het monopolie op de handel in de West gekregen, maar ook de bevoegdheid om binnen de factorijen en handelsposten de wet en de orde te handhaven. De WIC had voor Nieuw-Nederland een aantal van deze bevoegdheden overgedragen aan haar gouverneur ter plaatse die ook de bestuurders van Nieuw-Amsterdam aanstelde. In 1640 vond er echter een belangrijke ontwikkeling plaats met het besluit van de WIC het monopolie op de pelshandel, met uitzondering van de piraterij en smokkelarij, in het gebied op te heffen. Dit had tot gevolg dat de WIC voor wat betreft Nieuw-Nederland niet langer een commerciële compagnie was, maar enkel haar bestuurlijke functie overhield. De beslissing het monopolie op te heffen, trok een nieuwe groep kolonisten aan die niet langer afhankelijk was van de WIC en bovendien niet langer tevreden was met de autoritaire bestuurstijl van de WIC. Na het vrijgeven van het handelsmonopolie werd Nieuw-Amsterdam al snel een stapelhaven. Dit betekende dat Nieuw-Amsterdam het exclusieve handelscentrum werd van waaruit goederen van of naar het achterland werden afgehandeld. Onder deze nieuwe impuls begon niet alleen de handel toe te nemen maar begon ook het inwonertal van Nieuw-Amsterdam te groeien.

Echter, in 1638 begon Kieft die als vierde gouverneur was aangesteld, tegen de zin van de inwoners van Nieuw-Amsterdam een desastreuze oorlog tegen de Europeanen welgezinde Indianen. Veel van wat rondom Nieuw-Amsterdam was opgebouwd werd door aanvallen van de Indianen weer verwoest. Deze door Kieft gevoerde oorlog (1643-1645) schaadde de handelsbelangen van de kolonisten, die zich toch al niet meer konden vinden in het bestuur van de WIC. De oorlog was voor de kolonisten dan ook aanleiding om zich tegen het bewind van de gouverneur van de WIC te keren. Het verzet tegen Kieft maakte volgens J. Jacobs duidelijk dat Nieuw-Amsterdam zich ontwikkelde tot een maatschappij die behoefte had aan een bekwaam bestuur dat de wensen van de bevolking vertegenwoordigde én aansluiting zocht bij wat zij gewend waren in de Republiek. Het bestuur zoals de WIC dat voerde, voldeed hier niet aan. Door de oorlog tegen de Indianen zag Kieft zich uiteindelijk gedwongen een raad in te stellen, die hem moest adviseren tijdens de oorlog tegen de Indianen. Al had deze raad geen daadwerkelijke macht, wel werd duidelijk dat deze raad zich verzette tegen de acties van Kieft.

new york vlaggenmast.jpg

Rechts: foto detail Nederlands monument: vlaggenmast, Battery Park >>

Daarnaast was het volgens D.J. Maika een uiting van gemeenschapszin en daarmee een ontwikkeling in het proces naar de invoering van het burgerrecht.  De ondemocratische bestuurswijze van Kieft en de desastreuze oorlog tegen de Indianen was voor de raad een reden de WIC in 1644 per petitie te verzoeken de gouverneur te vervangen en te pleiten voor een bestuur zoals dat gangbaar was in de Republiek. De drijvende kracht hierachter was de jurist Adriaen van der Donck (ca. 1618-1655) die aanvankelijk naar Nieuw-Nederland was gekomen om voor Van Rensselaer in Rensselaerswijck te werken, maar later steeds vaker in Nieuw-Amsterdam te vinden was om daar uiteindelijk ook in de omgeving te gaan wonen (het huidige Yonkers, wat een verengelsing is van de jonker/jonkheer waarmee Van der Donck werd aangesproken). In tegenstelling tot waarop de inwoners hadden gehoopt, concludeerde de WIC dat de benarde positie van de kolonisten niet het gevolg was van een gebrek aan vertegenwoordiging door het volk, maar van het gebrek aan een sterke en geschikte leider. Dat de WIC veel waarde hechtte aan een capabele leider, kwam ook omdat Kieft zich onvoldoende teweer had gesteld tegen de alsmaar uitbreidende invloed van Engeland in het gebied. Ook Zweden en Van Rensselaer hadden hun kolonies ten koste van het grondgebied van Nieuw-Nederland weten uit te breiden.

 1647 – 1653, machtstrijd en stadsrechten

De WIC vond haar sterke leider in Peter Stuyvesant, die van 1647 tot 1664 gouverneur van Nieuw-Nederland was. Toen Stuyvesant, die in 1644 tijdens een mislukte inname van Sint-Maarten een been had verloren, in augustus 1647 zijn houten been in Nieuw-Amsterdam aan wal zette, viel het hem meteen op dat Nieuw-Amsterdam een schim was van wat het geweest had moeten zijn. In een brief had Stuyvesant gerapporteerd dat Kieft’s oorlog met de Indianen de kolonie van zijn bewoners had ontdaan en vele dorpen in rook had doen laten opgaan. Stuyvesant was verder van mening dat Fort Amsterdam meer op een molshoop leek dan op een fort. Ook over het gedrag van zijn nieuwe onderdanen was Stuyvesant niet te spreken. Stuyvesant was van oordeel dat het merendeel van de beschonken bevolking veel te wild en los in de zedelijke moraal was geworden. Voor Stuyvesant was deze eerste ervaring met Nieuw-Amsterdam aanleiding zichzelf ten doel te stellen Nieuw-Amsterdam terug te brengen in de staat van een goed geleide Nederlandse stad. Het was hem duidelijk geworden dat het afgelopen moest zijn met de chaos en wanorde. De orde moest doormiddel van disciplinaire (straf)maatregelen worden hersteld. Stuyvesant pakte dit in de loop van de jaren aan door onder andere verschillende kroegen en bordelen te sluiten, strafmaten te verhogen en in verband met de hygiëne te verbieden dat het afval zomaar op de straat gedumpt mocht worden. Deze actieve politiek van Stuyvesant leidde er volgens Burrows/Wallace toe dat Nieuw-Amsterdam binnen 10 jaar tijd was omgetoverd van een sjofele, geplaagde handelspost in een goed gerunde Nederlandse stad met politie, brandweer en postfaciliteiten, al bleven problemen natuurlijk altijd bestaan.

Politiek gezien werd de in 1644 geschreven brief die geleid had tot het aftreden van Kieft, door Stuyvesant beschouwd als een vorm van muiterij tegen het wettelijk ingestelde gezag, in dit geval de vertegenwoordiger van de WIC. Voor Stuyvesant was dit onacceptabel en door een proces tegen de opstellers van de brief probeerde hij het op gang gekomen democratiseringsproces in de kiem te smoren. Het conflict over een meer representatief bestuur, dat met de vervanging van Kieft door Stuyvesant naar de achtergrond gedrukt leek te zijn, kwam hiermee in alle heftigheid weer naar boven. Een nieuwe door Stuyvesant ingestelde raad, schreef onder leiding van de jurist Adriaen van der Donck een juridisch goed onderbouwd betoog aan de Staten-Generaal en de WIC met het verzoek om Stuyvesant te vervangen. De raad vroeg expliciet om een burgerlijke regering zoals deze gebruikelijk was in de Republiek. Nadat Van der Donck begin 1650 voor de Staten-Generaal te Den Haag een vurig pleidooi had gehouden voor een ander bestuur, droeg de Staten-Generaal de zaak over aan haar permanente commissie voor de WIC. Op 11 april 1650 adviseerde deze permanente commissie om Stuyvesant terug te roepen en was zij van oordeel dat er op provincieniveau een nieuwe raad naast de gouverneur geïnstalleerd moest worden die zou bestaan uit leden van de WIC én kolonisten. De commissie adviseerde verder om Nieuw-Amsterdam een vorm van zelfbestuur te verlenen door een bestuurlijke laag in te voeren die zou bestaan uit twee burgemeesters met vijf schepenen (wethouders) en een schout (Officier van Justitie). De afhandeling van het advies zou twee jaar op zich laten wachten, maar zou uiteindelijk bepalend zijn voor de verdere toekomst van Nieuw-Amsterdam.

Op 4 april 1652 bepaalde de Amsterdamse Kamer van de WIC, die sinds 1645 als enige voor Nieuw-Nederland verantwoordelijk was, uiteindelijk in een brief aan Nieuw-Nederland dat het conform het advies van de Staten-Generaal een burgerlijk bestuur zou krijgen dat zou bestaan uit twee burgemeesters met vijf schepenen en een schout. Nieuw-Amsterdam zou met dit besluit stadsrechten ontvangen. De WIC had de datum waarop Nieuw-Amsterdam haar stadsrechten zou krijgen vastgesteld op 2 februari 1653. Drie weken na het besluit van de WIC vaardigde de Staten-Generaal op 27 april 1652 een order uit om Stuyvesant terug te roepen. De order om Stuyvesant terug te roepen zou door het uitbreken van de Eerste Engelse Oorlog (1652-1654) echter nooit ten uitvoer worden gebracht.

Met het verkrijgen van stadsrechten van haar moederstad Amsterdam, kreeg Nieuw-Amsterdam een bestuur zoals dat in de Republiek gebruikelijk was. De hoogste autoriteit lag nog steeds bij de gouverneur van Nieuw-Nederland en zijn raad. Hierbinnen had Nieuw-Amsterdam echter de bevoegdheden gekregen om haar eigen zaken te regelen. Het belang van het verkrijgen van stadsrechten was volgens J. Jacobs niet alleen dat Nieuw-Amsterdam formeel als stad werd erkend en daarmee de basis werd gelegd voor de latere betekenis van New York, maar ook dat de relatie en meningsverschillen tussen de bestuurders en de inwoners van Nieuw-Amsterdam in een herkenbaar model besproken konden worden. Het betekende ook dat Van der Donck er in geslaagd was de Staten-Generaal en de WIC te overtuigen van het nut en de noodzaak van een burgerlijk bestuur. Van der Donck heeft hiermee een belangrijke bijdrage geleverd in de ontstaansgeschiedenis van Nieuw-Amsterdam/New York.

Rechts: foto Dyckman House, Manhattan >>Dyckman house, Manhattan

De omstandigheid dat de gouverneur van de WIC de hoogste autoriteit in Nieuw-Nederland bleef, betekende echter niet dat de burgemeester van Nieuw-Amsterdam een marionet was. Stuyvesant zocht als gouverneur voortdurend het compromis met de burgemeester van Nieuw-Amsterdam, omdat deze de steun genoot van het zakelijke kapitaal en de samenleving. Hiermee werd de grip van het burgerlijke bestuur op de gang van zaken in de stad geleidelijk aan versterkt. In dit kader is ook van belang dat in 1657 het burgerrecht werd ingevoerd. Een burger werd hiermee niet alleen verplicht een bijdrage te leveren aan de verdediging van de stad, ook het schoon houden van de stad en respect tonen voor diens ambtenaren behoorde hiertoe. Daarnaast probeerde het stadsbestuur volgens D.J. Maika met de invoering van het burgerrecht ook de handelaren er toe dwingen zich meer in te zetten voor de stad en hiermee de betrokkenheid bij Nieuw-Amsterdam te vergroten. Tot aan 1657 kwam het vaak voor dat handelaren enkel uit waren op eigen gewin en niet wilden bijdragen aan en investeren in de saamhorigheid van de stad Nieuw-Amsterdam. Om dit af te dwingen, werd het burgerrecht als voorwaarde gesteld om te mogen handelen in en buiten Nieuw-Amsterdam.

De reactie van Stuyvesant op de hierboven genoemde brief van de raad uit 1644 had bestuurlijk derhalve niet de gewenste uitkomst gekregen die Stuyvesant in 1647 zelf voor ogen had gestaan. Het andere deel van de erfenis van Kieft had Stuyvesant intussen voortvarend ter hand genomen. Zoals al eerder opgemerkt, had Stuyvesant verordeningen uitgevaardigd om de orde en zedelijkheid in Nieuw-Amsterdam te herstellen. Daarnaast had Stuyvesant ook de door Kieft verwaarloosde externe bedreigingen van de kolonie aangepakt. Stuyvesant had al snel na zijn komst ingezien dat de Engelse kolonie Nieuw-Engeland feitelijk uit vier afzonderlijke kolonies bestond waarvan hij vermoedde dat twee positief tegenover Nieuw-Nederland stonden. Door onderhandelingen slaagde Stuyvesant er in om met de vier Engelse kolonies in 1650 het Verdrag van Hartford te sluiten waarin de soevereiniteit van Nieuw-Nederland werd gerespecteerd. Terwijl de beide moederlanden tijdens de Eerste Engelse Oorlog met elkaar in oorlog verkeerden, slaagden Nieuw-Nederland en Nieuw-Engeland er in vreedzaam naast elkaar te leven. Het verdrag maakte volgens C. Schnurmann dan ook duidelijk dat Nieuw-Engeland, tegen de zin van het moederland Engeland, een eigen politiek ten aanzien van Nieuw-Nederland voerde. Het verdrag zou uiteindelijk tot 1664 door de Engelsen worden gerespecteerd. Daarnaast slaagde Stuyvesant er in 1655 in de Zweedse dreiging aan de grens met Nieuw-Nederland te neutraliseren door de Zweedse kolonie in te nemen.

 1653-1664, New York

Met de vruchtbare inspanningen van Van der Donck voor een representatief burgerlijk bestuur en het optreden van Stuyvesant om de grenzen van Nieuw-Nederland veilig te stellen, was de kiem gelegd voor een verdere groei van Nieuw-Amsterdam. Tevens had de politiek van Stuyvesant er aan bijgedragen dat Nieuw-Nederland niet voortijdig door de Engelsen veroverd werd en het Nederlandse karakter van Nieuw-Amsterdam verder kon wortelen in de Amerikaanse bodem. Geleidelijk aan werden de houten huizen vervangen door de typische Nederlandse rode bakstenen huizen met hun bekende geveltjes en werden straten besteend met karakteristieke kinderkopjes. Het inwoneraantal van Nieuw-Amsterdam bleef groeien.

Rechts: foto Wyckhoff house, Brooklyn >>Wyckhoff house, Brooklyn

De druk van Engelse zijde begon echter steeds verder toe te nemen. De kolonisatiepolitiek van Stuyvesant, bedoeld als tegendruk tegen de Engelsen, kon niet verhinderen dat steeds meer Engelsen uit Nieuw-Engeland zich vestigden in Nieuw-Nederland vanwege het liberalere klimaat. Van Nederlandse zijde stond hier te weinig tegenover om gelijke tred te kunnen houden. Daarnaast begon ook internationaal de druk aanzienlijk toe te nemen. Had de door Engeland in 1651 afgekondigde Akte van Navigatie in combinatie met het teisteren van de Nederlandse handelsvloot geleid tot de Eerste Engelse Oorlog in 1652, met de troonsbestijging van Karel II (in het Engels Charles II) in Engeland in 1660 werd er spoedig een tweede Akte van Navigatie aangenomen die als doel had de Nederlanders uit de Atlantische handel te stoten. De in 1651 afgkondigde Akte van Navigatie was volgens de historici R.R. Palmer en J. Colton de eerste in een reeks van politieke maatregelen waarmee het Britse koloniale rijk zou worden opgebouwd en die gericht was tegen de handeldrijvende Nederlanders. Het schreef voor dat goederen die naar Engeland of haar koloniën geïmporteerd werden in Engelse schepen dan wel in schepen van het exporterende land vervoerd moesten worden. Zoals bij de eerste Akte van Navigatie mochten bij de Tweede Akte van Navigatie waardevolle goederen enkel via Engelse havens door Engelse schepen naar Engeland vervoerd worden. Het was vooral de jongere broer van Karel II, Jacobus de hertog van York, die een grote rol heeft gespeeld in de overname van Nieuw-Nederland door Engeland.

Jacobus (in het Engels James) was van mening dat wanneer Nieuw-Nederland in Engelse handen zou komen de tweede Akte van Navigatie effectiever ten uitvoer kon worden gebracht. Daarnaast bood het voor de Engelsen militair-strategisch ook voordelen nu de Engelse bezittingen in Noord-Amerika met elkaar verbonden zouden worden en Nieuw-Nederland een goede uitvalshaven zou zijn voor de strijd tegen de Fransen in Canada. Ook in het licht van de handel bezien, bood een inname van Nieuw-Nederland de Engelsen voordeel. Nieuw-Nederland fungeerde in de West-Indische plantage-economie namelijk als een stapelhaven, wat lucratieve inkomsten genereerde. Daarnaast speelde volgens J.I. Israel een rol dat de stemming in Engeland in 1664 al zeer anti-Nederlands was en men tot in de hoogste kringen er van overtuigd was dat een oorlog tegen de Republiek grote winsten zou opleveren. Met dit alles in het achterhoofd haalde Jacobus in maart 1664 zijn broer Karel II over om hem een groot gebied in Noord-Amerika te schenken waaronder ook Nieuw-Nederland viel.

Vrijwel onmiddellijk stuurde Jacobus op eigen kosten kolonel R. Nicolls met vier fregatten richting Nieuw-Nederland. Op het moment dat Nicolls in Nieuw-Nederland aan land kwam en met 300 tot 450 manschappen naar New York optrok, was Nieuw-Amsterdam niet in staat zichzelf te verdedigen. Niet alleen was fort Amsterdam in een slechte conditie, ook waren er maar 150 slecht bewapende soldaten en hooguit 250 burgermanschappen paraat om een Engelse aanval te kunnen pareren, wat uiteraard veel te weinig was. Desondanks was Stuyvesant bereid de strijd aan te gaan en te vechten tot het bittere eind. Stuyvesant had hierin echter buiten de inwoners van Nieuw-Amsterdam gerekend. Na een jarenlange strijd tegen de WIC en diens vertegenwoordiger(s), waren zij niet bereid hun leven en bezittingen op het spel te zetten. Toen Stuyvesant uiteindelijk de uitzichtloosheid van zijn positie inzag, onderhandelde hij succesvol met Nicolls over de Artikelen van Overgave.

Op 8 september 1664 werd de vlag van de WIC gestreken en kwam er een einde aan de Nederlandse zeggenschap in Noord-Amerika. Nieuw-Amsterdam werd door Nicolls als eerbetoon aan zijn opdrachtgever Jacobus de hertog van York omgedoopt tot New York. De overgave van Nieuw-Nederland aan de Engelsen betekende echter niet het einde van de Nederlandse aanwezigheid in New York. De Artikelen van Overgave lieten het de Nederlandse inwoners vrij om te blijven of te vertrekken. In de Artikelen van Overgave was opgenomen dat er geen gedwongen uitzetting van Nederlandse kolonisten zou plaatsvinden, noch dat hun bezittingen in beslag zouden worden genomen, of dat zij hun taal zouden moeten opgeven dan wel van religie zouden moeten veranderen. Wel dienden de achterblijvers een eed op de Engelse koning af te leggen. De Artikelen van Overgave waren hiermee voor de achterblijvers mild en dat was niet zonder reden. Naast het goede onderhandelingswerk van Stuyvesant wisten Nicolls en Jacobus dat een harde aanpak van de Nederlanders voor het voortbestaan van de kolonie funest zou zijn. Immers, het waren de Nederlanders die de handel in handen hadden en voor de belastingopbrengst zorgden, wat Jacobus’ bron van inkomsten moest gaan vormen.

 Epiloog

De inname van Nieuw-Nederland bleek een onderdeel van de prelude op een nieuwe oorlog met Engeland te zijn. In maart 1665 brak de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) dan eindelijk uit. Na bijna drie jaar harde strijd werd er in Breda een voor de Republiek gunstig vredesverdrag ondertekend. In het verdrag erkende de Republiek de overgave van Nieuw-Nederland/Nieuw-Amsterdam aan de Engelsen. In ruil hiervoor kreeg de Republiek St. Eustatius en Saba terug en droeg Engeland Suriname over aan de Republiek. De vrede zou echter niet lang standhouden. In 1672 brak er opnieuw een oorlog uit met Engeland, dat deze keer gesteund werd door Frankrijk en de bisschop van Münster. Tijdens deze Derde Engelse Oorlog zou New York voor een korte periode weer door de Republiek worden ingenomen (1673-1674). Aan het einde van de Derde Engelse Oorlog was het echter duidelijk dat dit een kortstondig Nederlands intermezzo was geweest.

En Stuyvesant dan? Na de inname van Nieuw-Amsterdam/Nieuw-Nederland door de Engelsen in 1664 was Stuyvesant door de WIC opgeroepen zich te verantwoorden voor dit verlies. Het was duidelijk dat de WIC een zondebok zocht voor haar eigen falen. Na zich voor de Staten Generaal en de WIC verweerd te hebben, volgde uiteindelijk vrijspraak. Stuyvesant zou uiteindelijk pas na de Tweede Engelse Oorlog in 1668 terugkeren naar zijn stad die nu de naam New York droeg. Daar trok Stuyvesant zich terug op zijn boerderij (de bouwerij no.1 nu The Bowery). In het jaar dat de Derde Engelse Oorlog uitbrak (1672) stierf Stuyvesant en werd hij begraven in zijn privé-kapel. Thans staat op deze plaats de kerk van St. Marks (subway: Astorplace). In deze kerk is een prachtig glas-in-loodraam te bezichtigen. Aan de buitenkant van de kerk, onder het genoemde raam ligt het graf van Stuyvesant zelf, rechts tegenover geflankeerd door een buste met zijn beeltenis met opschrift.

         stuyvesant 2.jpg
Rechts: foto detail glas-in-loodraam, St. Marks >>

  Geraadpleegde literatuur:
– Bakker, B. ‘Emporium or empire? Printed metaphors of a merchant  metropolis’. In: G. Harinck and H. Krabbendam, ‘Amsterdam-New York, Transatlantic relations and urban identities since 1653’, Amsterdam 2005;
– Burrows, E.G. en Wallace M. Gotham. A history of New York City to 1898, New York/Oxford 1999;
– Van Goor, J. De Nederlandse koloniën. De geschiedenis van de Nederlandse kolonies, 1600-1975, Bilthoven 1997;
– Israel, J.I. The Dutch Republic, its rise, greatness and fall, 1477-1806, Oxford 1998;
– Jacobs, J. New Netherland, A Dutch colony in seventeenth-century America, Leiden-Boston 2005;
– Jacobs, J. ‘To favor this new and growing city of New Amsterdam with a court of justice’. The relations between the rulers and ruled in New Amsterdam. In: G. Harinck and H. Krabbendam, ‘Amsterdam-New York, Transatlantic relations and urban identities since 1653’, Amsterdam 2005;
– Klooster, W. ‘The West India Company’s grand scheme’. In: J.G. Goodfriend (ed), Revisiting New Netherland. Perspectives on early Dutch America, Leiden 2005;
– Maika, D.J. ‘Securing the burgher right in New Amsterdam: The struggle for municipal citizenship in the seventeenth-century Atlantic world’ , in: J.G. Goodfriend (ed), Revisiting New Netherland. Perspectives on early Dutch America, Leiden 2005;
– Middelton, S. ‘The idea of ‘Amsterdam’ in New Amsterdam an early New York’, In: G. Harinck and H. Krabbendam, ‘Amsterdam-New York, Transatlantic relations and urban identities since 1653’, Amsterdam 2005;
– Ministerie van Buitenlandse Zaken. Beantwoording van vragen van het lid Van der Ham over het onderhoud van de Nederlands-Amerikaanse-Newyorkse geschiedenis, 24 augustus 2007, http://www.minbuza.nl/nl/actueel/brievenparlement
– Palmer, R.R., Colton, J., A history of the modern world. New York 1992;
– Roeper, V.D. en Wildeman, G.J.D. Ontdekkingsreizen van Nederlanders (1590-1650), Utrecht/Antwerpen 1993;
– Schnurmann, C. ’Anglo –Dutch relations in and around seventeenth-century New Amsterdam/New York’. In: G. Harinck and H. Krabbendam, ‘Amsterdam-New York, Transatlantic relations and urban identities since 1653’, Amsterdam 2005;
– Shorto, R. Nieuw-Amsterdam, Eiland in het hart van de wereld, Amsterdam 2004.

–  Foto’s door auteur, november 2005 & september 2009

versie 2: 05-08; versie 1: 10-07

3 Reacties op Van Nieuw-Amsterdam tot New York, 1625-1664

Geef een reactie

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!