Ondergronds erfgoed WO II

De aandacht in de media voor bouwwerken uit de Tweede Wereldoorlog is groot. Het grootste deel van het oorlogserfgoed blijft hiermee buiten beeld: de archeologie van de oorlog. Archeoloog Ruurd Kok vraagt aandacht voor deze archeologie.


Authentiek maar verwoestbaar: ondergronds erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog.

De aandacht in de media voor bijvoorbeeld het afbranden van ‘de barak van Anne Frank’  in Westerbork en de sloop van een bunker in Utrecht was groot. Hierdoor kan makkelijk de indruk ontstaan dat het erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog vooral bestaat uit bouwwerken. Het grootste deel van het oorlogserfgoed blijft hiermee echter buiten beeld. Dat is het deel dat onzichtbaar verborgen onder onze voeten in de bodem ligt en dat nog amper in kaart is gebracht: de archeologie van de oorlog

Voor gebouwde monumenten uit de oorlog komt inderdaad steeds meer aandacht. Zo heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed het in de oorlog door de Duitsers aangelegde vliegveld Deelen (bij Arnhem) aangewezen als wettelijk beschermd monument. De bescherming betreft diverse gebouwencomplexen en enkele sporen in het landschap, zoals resten van rolbanen en van opstelplaatsen. Het ensemble van historische relicten op en rond Deelen omvat echter veel meer sporen, zoals resten van luchtafweerstellingen en heideterreinen met opmerkelijke greppelpatronen die zijn aangelegd als maatregel tegen geallieerde vliegtuiglandingen. Zowel luchtafweerstellingen als anti-vliegtuiggreppels vormden een essentieel onderdeel van de verdediging van het grootste Duitse vliegveld in Nederland. De resten ervan zijn nog zichtbaar, maar vallen buiten de bescherming. Een van de luchtafweerstellingen wordt leeg gegraven door illegale detectorzoekers en de greppelpatronen dreigen te verdwijnen door het afsteken van plaggen.

Resten van een Duitse luchtafweerstelling op de Hoge Veluwe, mei 2006 (foto Ruurd Kok, Leiden)

Resten van een Duitse luchtafweerstelling op de Hoge Veluwe, mei 2006 (foto Ruurd Kok, Leiden)

Het ondergrondse militair erfgoed krijgt vooralsnog weinig aandacht. Dat is opmerkelijk, omdat onder- en bovengrondse oorlogsrelicten in veel gevallen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Bouwwerken zoals bunkers en kazematten kunnen niet los worden gezien van het bijbehorende systeem van loopgraven en anti-tankgrachten. Bovengrondse resten vertellen bovendien maar een deel van het verhaal.

De geschiedenis van het verzet in Nederland is niet compleet zonder de vele onderduikersholen in de bossen. Overblijfselen zoals onderduikersholen en loopgraven zijn op veel plekken nog zichtbaar in het landschap, net als schuttersputten, geschutstellingen, anti-tankgrachten en bomkraters. Nog veel meer oorlogsmateriaal ligt onzichtbaar verborgen onder de grond: patroon- en granaathulzen, uitrustingsstukken, persoonlijke bezittingen en wrakstukken van vliegtuigen en voertuigen. Al deze resten en sporen kunnen worden gezien als de materiële neerslag van de Tweede Wereldoorlog. Als stille getuigen van een belangrijke periode uit de recente geschiedenis. Studie van deze resten vormt een onmisbare bron van informatie.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden ondergrondse oorlogsresten echter vooral gezien als bedreiging, vanwege de kans op aanwezigheid van niet ontploft oorlogstuig. Bij het ruimen van explosieven gaan complete slagvelden op de schop. Sporen worden vergraven nog voordat een archeoloog ze heeft kunnen zien. Aangetroffen uitrustingstukken verdwijnen in collecties van verzamelaars of worden afgevoerd als schroot. Met een beetje geluk komt een bijzonder stuk terecht in een museumcollectie.

Het zijn niet de minste terreinen waar de oorlogsgeschiedenis zo wordt weggegooid. In de regio tussen Nijmegen en Arnhem is in september 1944 zwaar gevochten tijdens de Slag om Arnhem en een half jaar later opnieuw bij de bevrijding. Veel monumenten getuigen hiervan en de jaarlijkse herdenkingen bij Arnhem blijven veel bezoekers trekken. Een deel van de slagvelden heeft plaats gemaakt voor de nieuwbouw van de Arnhemse wijk Schuytgraaf en de Nijmeegse stadsuitbreiding De Waalsprong. In Schuytgraaf kun je wonen in de ‘Laan van de parachutisten’ en midden in de wijk worden de luchtlandingen op deze plek zichtbaar gemaakt door een kunstwerk met gestileerde parachutes. De resten die de ‘airbornes’ zelf in de bodem hebben nagelaten, zijn voorafgaand aan de bouw geruimd en vrijwel geheel verloren gegaan. Terwijl nieuwe monumenten worden opgericht ter herinnering aan de oorlog, verdwijnen de authentieke sporen in het landschap.

Laan v/d parachutisten in de Arnhemse nieuwbouwwijk Schuytgraaf, ter plaatse van de dropzone waar in september 1944 de Poolse parachutisten zijn geland (foto Ruurd Kok, Leiden)

Laan v/d parachutisten in de Arnhemse nieuwbouwwijk Schuytgraaf, ter plaatse van de dropzone waar in september 1944 de Poolse parachutisten zijn geland (foto Ruurd Kok, Leiden)

Ook resten in de bodem moeten worden beschouwd als erfgoed van de oorlog. Ze zijn authentiek en onvervangbaar. Sporen uit de Tweede Wereldoorlog zouden daarom vanzelfsprekend deel moeten uitmaken van het voor onroerend erfgoed (monumenten en archeologie) gangbare proces van inventarisatie-waardering-selectie, zodat een weloverwogen keuze kan worden gemaakt voor behouden, onderzoeken of verloren laten gaan.

De terechte vraag is of alle ondergrondse resten uit de oorlog de moeite van het behouden dan wel onderzoeken waard zijn. Die vraag kan pas worden beantwoord als die resten in kaart zijn gebracht en de waarde ervan is bepaald. De realiteit is dat de vraag nu nog nauwelijks wordt gesteld. Het is de hoogste tijd dat niet alleen bouwwerken en monumenten uit de oorlog zorgvuldig in kaart worden gebracht, maar ook de andere sporen die in het landschap bewaard zijn gebleven, zowel boven als onder de grond. Zolang dit niet gebeurt, verdwijnen ze op grote schaal en daarmee ook een stuk van onze oorlogsgeschiedenis.

Restant van een Duitse loopgraaf in de omgeving van Leersum, de kale, grijze plekken rechts van de loopgraaf zijn bomkraters, juli 2006 (foto Ruurd Kok, Leiden)

Restant van een Duitse loopgraaf in de omgeving van Leersum, de kale, grijze plekken rechts van de loopgraaf zijn bomkraters, juli 2006 (foto Ruurd Kok, Leiden)

Ruurd Kok is provinciaal archeoloog van Utrecht en een van de initiatiefnemers van het Platform Bodemonderzoek Tweede Wereldoorlog.

Meer lezen:
R.S. Kok (2009). Oorlogsverleden op de schop. De noodzaak van archeologie van de Tweede Wereldoorlog. Archeobrief 13.2, 13-21.
R.S. Kok (2008), ‘Verantwoorde metaaldetectie op slagvelden uit de Tweede Wereldoorlog in Nederland: een illusie?’, Detectormagazine, verenigingsblad van ‘De detectoramateur’ 97 (maart 2008) 7-12.

5 Reacties op Ondergronds erfgoed WO II

Geef een reactie

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!