De opkomst van de Republiek

Hoe komt het dat de Republiek in de zeventiende eeuw uitgroeide tot een koloniale macht die behalve in Europa ook in Azië, Afrika en Amerika handeldreef? Wat maakte die expansie mogelijk?

Hoe komt het dat de Republiek in de zeventiende eeuw uitgroeide tot een koloniale macht die behalve in Europa ook in Azië, Afrika en Amerika handeldreef? Wat maakte die expansie mogelijk?

In de vijftiende eeuw brachten de ontdekkingsreizen van de Portugezen en Spanjaarden handel en scheepvaart in het Atlantisch gebied buiten Europa binnen het bereik van de Europeanen. De Portugese zeevaarders verkenden de Afrikaanse kusten, terwijl de welbekende reis van Columbus in dienst van Spanje in 1492 uitmondde in de ontdekking van Amerika. De Spaanse en Portugese koningschappen meenden op grond van hun ontdekkingen het monopolie over deze overzeese gebieden verworven te hebben. Dit idee werd bevestigd door het verdrag van Tordesillas, dat in 1494 met pauselijke goedkeuring gesloten werd. Hierin werd de hele wereld buiten Europa tussen Spanje en Portugal verdeeld.

Eerste pagina van het Verdrag van Tordesillas. Bron: wikipedia.org

Monopolie
In eerste instantie slaagden beide staten erin om hun monopolie op het Atlantisch gebied en Azië te handhaven, maar vanaf het midden van de zestiende eeuw werd het Iberisch monopolie steeds meer ondergraven. Aangelokt door de rijkdommen van het gebied drongen Engelse en Franse kooplieden en avonturiers steeds vaker en verder het Atlantisch domein van de Iberiërs binnen. Aanvankelijk ging de belangstelling van de Engelsen en Fransen uit naar de rijke visgronden van Newfoundland. Aangezien de Spanjaarden en Portugezen geen interesse in het Noord-Atlantisch gebied hadden, hinderden zij de Engelsen en Fransen niet. De activiteiten van deze Noord-Europese landen breidden zich echter spoedig uit naar de handel in goud en ivoor op West-Afrika en naar de Braziliaanse handel in verfhout. Toch werd deze doorbreking van het Iberische monopolie oogluikend toegestaan door de Spaanse en Portugese autoriteiten. Pas vanaf 1580, toen de Spaanse en de Portugese Kronen verenigd werden in de autoritaire persoon van Filips II, zou de vreedzame smokkelhandel niet langer toegestaan worden. Om de positie van de Iberische grootmacht te ondermijnen werd door de Engelse en Franse regeringen op grote schaal commissie voor kaapvaart verleend. De strijd in het Atlantisch gebied zou Portugal en Spanje aanzienlijke schade toebrengen. Ook het monopolie van de Iberiërs op de handel in Azië werd aan het eind van de zestiende eeuw steeds verder aangetast door met name de Engelsen en de Nederlanders.
Rond zestienhonderd bestond het eens zo hechte monopolie van de Spanjaarden en Portugezen op de gebieden buiten Europa niet meer.

Moedernegotie
Ondanks de vooraanstaande plaats die de Noord-Nederlandse gewesten, Holland, Zeeland en West-Friesland, ingenomen hadden in de Europese handel van de zestiende eeuw waren de Nederlandse kooplieden tot 1590 weinig geïnteresseerd in de handel in Azië en het Atlantisch gebied. Vanaf de vijftiende eeuw hadden de kooplieden van de Nederlanden zich geleidelijk gespecialiseerd in het vervoer van bulkgoederen. De Noord-Nederlandse handelaren werden belangrijk in de graanhandel op het Oostzeegebied, de zogenaamde moedernegotie. Tegelijkertijd verhandelden de Nederlanders graanoverschotten uit dit gebied op het Iberisch schiereiland en haalden daar tevens zout. Er ontstond een zoutoverschot, dat vervolgens naar het Oostzeegebied werd gebracht. Op deze wijze vormden de Noordelijke Nederlanden een belangrijke schakel in de handel tussen Noord- en Zuid-Europa, met Amsterdam als grootste stapelmarkt voor bulkgoederen. Met de introductie van de fluit bereikte het vervoer van massagoederen, ofwel stortgoederen zoals graan, zout, hout en vis, tussen 1590 en 1620 een hoogtepunt. Dit gespecialiseerde zeeschip was ontworpen om een maximum aan lading tegen minimale kosten te vervoeren en slaagde daar goed in.

De Oostzee. Tussen Denemarken, Duitsland, Zweden, Polen, Rusland en de Baltische staten. Bron: www.wikipedia.org

Kapitaal en kennis
Er is geen eenduidige verklaring te geven waarom de Nederlanders zich lange tijd nauwelijks bezighielden met handel buiten Europa, om vervolgens vanaf het eind van de zestiende eeuw plotseling op maar liefst drie continenten handel te gaan drijven. Om die expansie van de Nederlandse handel te verklaren wordt vaak gewezen op de belemmerende maatregelen tegen de handel en scheepvaart die Filips II vanaf 1585 tegen de Nederlanders nam. De Republiek zou hier zodanig door getroffen zijn dat men besloot voortaan zelf specerijen in Azië en zout in het Caribisch gebied te gaan halen. Het is echter zo dat de handel in werkelijkheid slechts kortdurend en marginaal door de Spaanse maatregelen getroffen werd. De reden dat de Republiek handelsactiviteiten buiten Europa ontwikkelde dient eerder in het verzadigingspunt van haar Europese handel gezocht te worden. Deze succesvolle handel leverde welvaart en kapitaal op waarmee de uitbreiding van de handel tot in Azië, Afrika en Amerika mogelijk werd. Behalve kapitaal was kennis een belangrijke voorwaarde voor de handel en scheepvaart in andere werelddelen.
 
Val van Antwerpen
De verovering van Antwerpen door Spanje in 1585 zorgde ervoor dat de Republiek ruimschoots voorzien werd van de nodige kennis over buiten-Europese handel. Hoewel Amsterdam de belangrijkste stapelmarkt voor graan en zout was, gold Antwerpen nog steeds als het distributiecentrum van specerijen, suiker en overige tropische producten in Noordwest-Europa. Na de verovering van Antwerpen begon een massale uittocht van kooplieden, ambachtslieden en geleerden naar de Republiek. Handelaren brachten hun handelscontacten mee en introduceerden onbekende takken van nijverheid in de Noordelijke Nederlanden, zoals de suikerraffinage. Verder bevorderden de Zuid-Nederlandse geleerden de kennis van cartografie, geografie en navigatie in de Republiek.

Suiker
Suiker was waarschijnlijk het eerste product waar schepen van de Republiek zich buiten de Europese wateren mee inlieten. In de zestiende eeuw was Antwerpen een belangrijke stad voor de suikerraffinage. Suiker werd gehaald via Lissabon, maar er vond ook een rechtstreekse vaart op de suikerproducerende gebieden plaats, zoals op de Canarische eilanden, Madeira, São Tomé en Brazilië. In de hele zestiende eeuw werden wegens gebrek aan scheepsruimte al Noord-Nederlandse schepen gebruikt in deze handel. Na de val van Antwerpen gingen Zuid-Nederlandse kooplieden op de suikerproducerende gebieden varen vanuit Amsterdam, Rotterdam en Middelburg. Verder ontwikkelde de suikerraffinage zich in de loop van de zeventiende eeuw tot een welvarende bedrijfstak van de Republiek.

Zout
Vóór de opkomst van de suiker als economisch waardevol product in de zestiende eeuw maakte zout al een belangrijk deel uit van de fundering waarop de welvaart van de Republiek was gebouwd. De handelsembargo’s van Filips II werden vanaf 1598 nagevolgd door zijn opvolger Filips III, maar de nieuwe handelsbelemmeringen hadden net zo min een volledige stopzetting van de handel tussen de Republiek en Spanje en Portugal tot gevolg als de eerdere embargo’s. De zoutexport van het Iberisch schiereiland daalde, maar dat leidde er alleen toe dat de Nederlanders op zoek gingen naar nieuwe zoutwinningsgebieden. Sinds 1598 werd er gevaren op de Kaap Verdische, ofwel ‘zoute eilanden’. Daarnaast hielden voornamelijk de Westfriese steden Hoorn en Enkhuizen zich bezig met de handel op de nieuw ontdekte zoutbronnen op de kust van Venezuela en op verschillende Caribische eilanden. Deze handel werd actief tegenwerkt door de Spaanse autoriteiten tot het twaalfjarig bestand van 1609-1621. Toen de oorlog met Spanje in 1621 hervat werd, belemmerde dit land opnieuw de zouthandel op Venezuela. In de tussentijd was deze handel van weinig belang, omdat er binnen Europa weer zout verhandeld kon worden.

Fluiten. Bron: www.wikipedia.org

Rijke handel
Behalve de toevloed van kennis en kapitaal uit Antwerpen waren ook de interne versterking van de Republiek en haar instellingen tussen 1588 en 1590, met name de ontwikkeling van de Staten-Generaal tot centraal bestuursorgaan, en de verbetering van de oorlogssituatie beslissende factoren bij de opkomst van de Nederlandse ‘grote vaart’ op bestemmingen buiten Europa.  De belangrijkste factor was echter de opkomst van wat historicus Jonathan Israel de ‘rijke handel’ noemt: de succesvolle Nederlandse handel in hoogwaardige producten binnen Europa. Ten eerste werd deze handel bevorderd door de opkomst van Amsterdam als voornaamste concurrent van Hamburg (dat deze rol na 1585 van Antwerpen had overgenomen) in de distributie van peper, specerijen en suiker in Noord-Europa. Daarnaast droeg de drastische toename van de import van koloniale producten vanuit Spanje en Portugal na de opheffing in 1590 van het handelsembargo van Filips II tegen de opstandige provincies bij aan de ‘ rijke handel’. Bovendien kreeg de Republiek voet aan de grond in de Moscovische handel in het begin van de jaren negentig. De inkomsten uit de Europese handel maakten de investeringen in de handel in Azië en het Atlantisch gebied mogelijk.

VOC en WIC
Rond 1597 had de Republiek de distributie van koloniale waren in Noord-Europa veroverd. Met betrekking tot de handel in koloniale producten werd Londen tussen 1585 en 1604 buitenspel gehouden door het Spaanse handelsverbod tegen Engeland. Het was dus zeer voordelig voor Nederlandse kooplieden om te investeren in directe handel op Oost-Indië. Zo werden de stapelmarkten van Lissabon en Sevilla namelijk omzeild. Tegelijk met deze ontwikkelingen in de Europese handel nam de kennis over de handel met Oost-Indië en over Aziatische producten toe. Toen Filips III na 1598 het handelsembargo op Nederlandse handel in Spanje en Portugal hervatte,  had dat een averechts effect. De Hollandse kooplieden werden namelijk gedwongen hun heil buiten Europa te zoeken. Dus investeerden zij juist meer in de vaart op Indië. Om hun machtspositie in deze handel te stabiliseren was het wenselijk om de verschillende bestaande compagnieën te bundelen. Daarom werd in 1602 de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht. Om de Spanjaarden in het Atlantisch gebied de voet dwars te zetten, werd na het aflopen van het twaalfjarig bestand in 1621 de West-Indische Compagnie (WIC) in het leven geroepen. Met behulp van de VOC en WIC zou de Republiek gedurende de zeventiende en achttiende eeuw haar stempel drukken op de koloniale handel in de Aziatische wateren, in Afrika en in het Atlantisch gebied.

Literatuur:
Heijer, Henk den, De geschiedenis van de WIC (Zutphen 2002)
Israel, Jonathan I, De Republiek, 1477-1806 (Zesde druk (gebonden); Franeker 2008). Vertaling van: The Dutch Republic. Its Rise, Greatness and Fall, 1477-1806 (Oxford 1995).

Tim Wachelder

Tim Wachelder studeerde geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Tijdens zijn studie specialiseerde hij zich in Europese Expansiegeschiedenis. Behalve over koloniale geschiedenis schrijft hij ook over militaire, culturele en Nijmeegse geschiedenis. Sinds 2007 is hij webredacteur bij Historiën.

More Posts

Geef een reactie

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!